ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4795
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Vonk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid buitengewone lasten en bewijsvereisten bij inkomstenbelasting 1999
Belanghebbende voerde aan dat bepaalde bedragen aftrekbaar waren als buitengewone lasten op grond van artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het hof oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd voor de besteding van ƒ 9.225 aan ziekte- en overlijdenskosten van zijn vader, mede omdat betaling aan zijn zuster plaatsvond en geen bewijsstukken werden overgelegd.
Verder werden de ƒ 1.275 aan kledingkosten niet als aftrekbaar erkend, omdat dergelijke kosten niet onder buitengewone lasten vallen. Betalingen van ƒ 4.800 ten behoeve van het levensonderhoud van zijn moeder waren niet aftrekbaar omdat de waarde van verzonden pakketten niet in geld was gedaan en de overgelegde money-transferbriefjes en valuta-verkoopbonnen onvoldoende bewijs vormden.
Belanghebbende beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat in eerdere jaren dergelijke bewijzen wel werden geaccepteerd. Het hof verwierp dit omdat de inspecteur vanaf 1998 expliciet had aangegeven dat dergelijke bewijsstukken niet werden erkend, en eerdere procedures dit standpunt bevestigden.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat dit beginsel niet ziet op ongelijke behandeling van dezelfde belanghebbende in verschillende jaren. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de aanslag inkomstenbelasting 1999.