ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9767

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.101.403/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van civiele procedures wegens connexiteit en procesreglementaire waarschuwing

In deze zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden een incident tot voeging behandeld waarbij Achmea c.s. verzocht om samenvoeging van hun procedure met een andere civiele procedure tussen verschillende partijen. Het hof stelde vast dat beide zaken feitelijk en juridisch hetzelfde geschil betreffen, waardoor voeging passend is om het procesverloop te stroomlijnen en tegenstrijdige uitspraken te voorkomen.

Partijen hadden echter de regels voor het indienen van stukken, zoals neergelegd in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, genegeerd. Het hof waarschuwde dat bij een volgende overtreding dossiers retour gezonden zullen worden indien stukken niet als één gebonden pakket worden aangeboden, niet voorzien zijn van genummerde tabs, of geen volledige genummerde inventarislijst bevatten.

Het hof besloot de hoofdzaak naar de rol te verwijzen voor verdere behandeling en compenseerde de kosten van het incident, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De voeging leidt ertoe dat de vorderingen hun zelfstandigheid behouden en partijen niet automatisch in beide zaken partij worden.

De uitspraak benadrukt het belang van procesreglementaire naleving en bevordert procesefficiëntie door samenvoeging van verwante zaken, zonder inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak in dit incident.

Uitkomst: Het hof wijst het incident tot voeging toe en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitspraak

Arrest d.d. 9 oktober 2012
Zaaknummer 200.101.403/01
(zaaknummer rechtbank: 98559 / HA ZA 09-702)
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot voeging wegens connexiteit in de zaak van:
1. [appellant 1],
2. [appellant 2],
3. [appellant 3],
allen wonende te [woonplaats],
appellanten,
verweerders in het incident,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. A.J.H. Geense, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen
1. Achmea Pensioen- en Levensverzekering N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
2. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
3. Achmea Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd te Noordwijk,
4. Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerden,
eiseressen in het incident,
in eerste aanleg: eiseressen,
hierna te noemen: Achmea c.s.,
advocaat: mr. J.A. Trimbach, kantoorhoudende te De Meern.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 7 juli 2010 en 26 oktober 2011 van de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht (hierna: de rechtbank), gewezen tussen Achmea c.s. als eiseressen en als gedaagden [appellanten] alsmede [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], allen wonende te [woonplaats], en de vennootschap onder firma [appellanten], gevestigd te [woonplaats].
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 24 januari 2012 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van genoemde vonnissen met dagvaarding van Achmea c.s. tegen de zitting van 14 februari 2012.
De conclusie van de appeldagvaarding luidt:
"(...) bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 7 juli 2010 respectievelijk 26 oktober 2011, (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende, geïntimeerden alsnog niet ontvankelijk te verklaren, althans aan geïntimeerden hun vorderingen te ontzeggen als ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van de procedure in beide instanties"
[appellanten] hebben een memorie van grieven (met producties) genomen waarvan de conclusie luidt:
"(...) dat het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 26 oktober 2011 dient te worden vernietigd en de vorderingen van geïntimeerden alsnog behoren te worden afgewezen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."
Bij incidentele memorie hebben Achmea c.s. gevorderd dat de onderhavige zaak gevoegd wordt behandeld met het hoger beroep in de zaak tussen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] tegen Achmea c.s., bij het hof bekend onder nummer 200.104.781.
Bij memorie van antwoord in het incident hebben [appellanten] ingestemd met de gevorderde voeging.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. Het hof merkt hierbij op dat beide partijen de regels voor het indienen van stukken, zoals neergelegd in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr), hebben veronachtzaamd. Aangezien het hier een betrekkelijk eenvoudig incident betreft, zal het hof daar thans geen gevolgen aan verbinden, maar een volgende keer zullen de gefourneerde dossiers retour worden gezonden indien de stukken:
- niet als één gebonden pakket worden aangeboden (indien nodig in meerdere mappen, maar zeker geen losse proces¬stukken), of
- niet zijn voorzien van genummerde tabs (géén schutbladen), of
- niet zijn voorzien van een volledige, genummerde inventarislijst waarop ook de diverse producties zijn vermeld.
De beoordeling
in het incident
1. Het hier aan de orde zijnde incident, waarvan niet in geschil is dat het verzoek daartoe tijdig is gedaan, moet worden beoordeeld aan de hand van art. 222 Rv Pro. Hierin is bepaald -voor zover in dit geval relevant- dat de voeging kan worden gevorderd van verknochte zaken die tegelijk voor dezelfde rechter aanhangig zijn.
2. De vraag waar het in dit incident om gaat is of procedures tussen verschillende partijen kunnen worden samengevoegd, alle belangen over en weer, waaronder die van de proceseconomie, in aanmerking nemend.
3. Door Achmea c.s. is onweersproken gesteld dat beide zaken feitelijk en juridisch hetzelfde geschil betreffen, zodat het hof dit als vaststaand aanneemt. Teneinde het procesverloop in beide zaken beter op elkaar te kunnen afstemmen en mede gelet op het belang uiteenlopende beslissingen zoveel mogelijk te vermijden, beantwoordt het hof de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend.
4. De conclusie luidt dat de incidentele vordering zal worden toegewezen. Door de voeging blijven de vorderingen hun zelfstandigheid overigens behouden
(HR 21 november 1997, LJN: ZC2500) en wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, LJN: ZC2904).
5. Aangezien geen der partijen kan worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, zullen de kosten van het incident worden gecompenseerd, in die zien dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. Aangezien [betrokkene 1], [betrokkene 2] en
[betrokkene 3] in de zaak met nummer 200.104.781 op de rol van 10 september 2013 van grieven moeten dienen, zal het hof deze zaak verwijzen naar de rol van zes weken later voor memorie van antwoord aan de zijde van Achmea c.s. Indien in de zaak met nummer 200.104.781 eerder dan op 10 september 2013 van grieven wordt gediend, zal de roldatum voor antwoord aan de zijde van Achmea c.s. dienovereenkomstig worden vervroegd.
De beslissing
Het gerechtshof:
in het incident:
voegt de hoofdzaak met de bij het hof aanhangige zaak met nummer 200.104.781 en compenseert de kosten van dit incident, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak:
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 22 oktober 2013 voor memorie van antwoord aan de zijde van Achmea c.s.
Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper, en A.M. Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 9 oktober 2012 in bijzijn van de griffier.