ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7510

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.097.996/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontheffing gezag over minderjarige wegens ongeschiktheid ouders

Het gerechtshof Leeuwarden heeft op 15 mei 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep over de ontheffing van het gezag van appellanten over hun minderjarige kind. De rechtbank had eerder besloten appellanten te ontheffen van het gezag en een voogd te benoemen. Appellanten verzochten in hoger beroep vernietiging van deze beschikking en stelden onder meer een DNA-onderzoek voor om het biologische ouderschap vast te stellen.

Tijdens de zitting verschenen appellanten niet, maar hun advocaat voerde het woord. Het hof overwoog dat ontheffing van gezag mogelijk is indien de ouder ongeschikt is om de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet. Het hof sloot zich aan bij de rechtbank en concludeerde dat appellanten structureel tekortschoten in het bieden van basale veiligheid, structuur, stabiliteit en verzorging.

Het hof vond een DNA-onderzoek niet noodzakelijk omdat het biologisch ouderschap niet bepalend is voor de beoordeling van de ontheffing. Tevens wees het hof het verzoek af om Bureau Jeugdzorg Flevoland als voogd te benoemen in plaats van de huidige voogd. Het hof benadrukte het belang van continuïteit en constateerde geen minder conflictueus contact met BJZ. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: De beschikking waarbij appellanten ontheven zijn van het gezag over hun minderjarige kind wordt bekrachtigd.

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 mei 2012
Zaaknummer 200.097.996
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak van
1. [appellant 1],
2. [appellante 2],
beide wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: appellanten,
advocaat mr. M. van Espen, kantoorhoudende te Hoorn,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Friesland en Flevoland,
kantoorhoudende te Lelystad,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de raad.
Belanghebbenden:
[belanghebbende 1]
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de huidige voogd,
[belanghebbende 2],
wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
Bureau Jeugdzorg Flevoland,
kantoorhoudende te Lelystad,
hierna te noemen: BJZ.
Het geding in eerste aanleg
Bij beschikking van 1 september 2011 (zaaknummer 182676/ FA RK 11-805) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, appellanten ontheven van het gezag over de minderjarige [kind 1], geboren [in 1997], en [kind 2], geboren [in 1977], benoemd tot voogd.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 29 november 2011, hebben appellanten verzocht:
primair het appel gegrond te verklaren en de beschikking van 1 september 2011 te vernietigen;
subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden en een DNA-onderzoek te gelasten in verband met het vaststellen van het biologisch ouderschap;
meer subsidiair het appel gegrond te verklaren, de beschikking van 1 september 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat BJZ wordt benoemd als voogd over [kind 1].
Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 11 januari 2012, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht het verzoek van de ouders ongegrond te verklaren met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van een brief van 20 maart 2012 met bijlagen van mr. Van Espen.
Op 27 maart 2012 is [kind 1] gehoord door een raadsheer-commissaris.
Ter zitting van 27 maart 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn mr. Van Espen, de heer Kelderhuis namens de raad, de pleegouders en mevrouw Stolk, namens BJZ. Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn appellanten niet ter zitting verschenen.
Mr. Van Espen heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar ter zitting overgelegde pleitnotitie.
De beoordeling
1. Een ouder kan worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
2. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich tegen de ontheffing verzet tenzij (onder andere) na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden blijkt dat gegronde vrees bestaat dat deze maatregel - door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.
3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat aan de gronden voor ontheffing van appellanten van het gezag over [kind 1] is voldaan. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank dienaangaande over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
4. Het hof is met de raad van oordeel dat de beoordeling van het verzoek tot ontheffing van het gezag niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of appellanten de biologische ouders van [kind 1] zijn. Het staat niet ter discussie dat appellanten in ieder geval vanaf de komst van [kind 1] naar Nederland zijn primaire verzorgers zijn geweest. Bepalend is of appellanten in staat zijn de verzorging en opvoeding van [kind 1] op verantwoorde wijze vorm te geven. Het hof is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat het [kind 1] in de opvoedingssituatie bij appellanten structureel heeft ontbroken aan basale veiligheid, structuur, stabiliteit en verzorging. Een DNA-onderzoek om het biologisch ouderschap van appellanten aan te tonen, acht het hof dan ook niet aangewezen.
5. Voor wat betreft het meer subsidiaire verzoek van appellanten overweegt het hof het volgende. Het hof onderschrijft het standpunt van de raad dat het in het belang is van de ontwikkeling van [kind 1] dat de voogdij over hem ligt bij zijn verzorger(-s). Het hof acht het reeds daarom niet aangewezen om - in plaats van de huidige voogd - BJZ tot voogd te benoemen. Daarnaast is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de appelanten met BJZ een minder conflictueus contact hebben dan met de huidige voogd zodat het hof ook daarin geen aanleiding ziet BJZ tot voogd te benoemen.
6. Het hof overweegt ten overvloede het volgende. Het hof acht het opmerkelijk dat BJZ ter zitting van het hof onweersproken heeft gesteld dat appellanten geheel afwezig zijn geweest bij de rechtszittingen over [kind 1] (in tegenstelling tot die met betrekking tot de andere kinderen in hun gezin) en uiteindelijk zelfs hebben aangegeven geen post met betrekking tot [kind 1] meer te willen ontvangen. Naar het oordeel van het hof geeft dit geen blijk van het bestaan van een affectieve band tussen appellanten en [kind 1]. Het hof heeft dan ook, nog daargelaten hetgeen pleegouders ter zitting van het hof te kennen hebben gegeven naar aanleiding van de ervaring die zij met [kind 1] hebben, de uitdrukkelijke overtuiging gekregen dat [kind 1] vóór zijn komst naar Nederland niet in het gezin van appellanten is opgegroeid. Het zou appellanten in dat verband sieren wanneer zij [kind 1] het bij hen bekende telefoonnummer van zijn ouders in Afrika zouden verstrekken.
De slotsom
7. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, G.M. van der Meer, en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 mei 2012 in bijzijn van de griffier.