ECLI:NL:GHLEE:2012:BW2987
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen ongerechtvaardigde verrijking bij verbouwing woning partner ondanks betalingsgeschil
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen H.B.D. Bouw B.V. (HBD) en twee appellanten over de betaling van verbouwingswerkzaamheden aan de woning van een van de appellanten, die samenwoont met de andere appellant. HBD vordert betaling van een bedrag wegens de uitgevoerde werkzaamheden, terwijl appellanten betwisten dat zij gezamenlijk opdracht hebben gegeven en stellen dat er afspraken zijn gemaakt die betaling uitsluiten of compenseren.
Het hof stelt vast dat de aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen de directeur-grootaandeelhouder van HBD en één van de appellanten ([appellant sub 2]). De vordering tegen de andere appellant ([appellante sub 1]) wordt betwist op grond van het ontbreken van een opdracht en het beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Het hof oordeelt dat HBD onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellante sub 1] opdracht heeft gegeven of dat zij door de verbouwing is verarmd, mede omdat de aannemer nog een vordering op de opdrachtgever heeft en het incassorisico onvoldoende is om van verarming te spreken.
De grieven van appellanten tegen eerdere vonnissen worden grotendeels afgewezen, behalve dat het hof het vonnis van 8 juli 2009 voor zover het [appellante sub 1] betreft vernietigt en haar vordering afwijst. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, terwijl de kostenveroordeling in eerste aanleg blijft staan. Het arrest wordt uitgesproken door de vierde kamer van het gerechtshof Leeuwarden op 17 april 2012.
Uitkomst: De vordering tegen de partner wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van opdracht en ongerechtvaardigde verrijking.