ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0223

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
15 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.102.152/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a lid 2 RvArt. 29 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen naheffing griffierecht in civiele verklaringsprocedure afgewezen

In deze zaak is door JPR Advocaten namens Magistral B.V. verzet ingesteld tegen een door de griffier geheven griffierecht van € 1.815,-. JPR voerde aan dat het griffierecht ten onrechte was vastgesteld, omdat het zou gaan om een vordering van onbepaalde waarde in een verklaringsprocedure op grond van artikel 477a lid 2 Rv.

De procedure betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter Zwolle-Lelystad, waarbij Magistral werd veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 37.946,39 aan Achmea Retailbank N.V. JPR stelde dat de vordering in hoger beroep een vordering van onbepaalde waarde zou zijn, waardoor het griffierecht lager had moeten zijn.

Het hof oordeelt echter dat de vordering in hoger beroep erop gericht is het bestreden vonnis te vernietigen en de inleidende vordering van Achmea alsnog af te wijzen. Daarmee is de vordering niet van onbepaalde waarde. Het feit dat de vordering in eerste aanleg op artikel 477a lid 2 Rv is gebaseerd, doet hieraan niet af. Het griffierecht is dan ook terecht geheven op basis van de waarde van de vordering van € 37.946,39.

De slotsom is dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Het griffierecht van € 1.815,- blijft dus verschuldigd.

Uitkomst: Het verzet tegen de naheffing van griffierecht van € 1.815,- wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 maart 2012
Zaaknummer 200.102.152/01
(zaaknummer rechtbank: 542352 CV EXPL 11-588)
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Beschikking van de eerste kamer voor burgerlijke zaken op het verzet ex art. 29 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) van:
JPR Advocaten coöperatief U.A.,
gevestigd te Deventer,
hierna te noemen: JPR,
verzoekster,
advocaat: mr. P.F. Schepel, kantoorhoudende te Deventer.
De procedure
Bij op 15 februari 2012 ontvangen verzoekschrift is verzoekster in verzet gekomen tegen het door de griffier in de zaak tussen Magistral B.V. te Deventer (hierna: Magistral) en Achmea Retailbank N.V. te 's-Gravenhage (hierna: Achmea) op 7 februari 2012 geheven griffierecht van € 1.815,-. Het griffierecht is door verzoekster op 16 februari 2012 voldaan.
De beoordeling
1 JPR stelt dat het griffierecht ten onrechte niet is vastgesteld op € 666,-. De zaak tussen Magistral en Achmea (bij het hof bekend onder nummer 200.099.848) is een verklaringsprocedure op de voet van art. 477a lid 2 Rv. Dat is een vordering van onbepaalde waarde, aldus JPR. Hieraan doet volgens JPR niet af dat in het beroepen vonnis van 6 oktober 2011 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer (hierna: de kantonrechter), de subsidiaire vordering tot betaling van € 37.946,39 (te vermeerderen met de wettelijke rente) ten laste van Magistral is toegewezen.
2 Naar het oordeel van het hof miskent JPR dat de vordering in hoger beroep, die er (voor zover hier relevant) blijkens de appeldagvaarding van 19 december 2011 toe strekt dat het bestreden vonnis van de kantonrechter, waarbij Magistral (zijnde de cliënte van mr. Schepel en/of JPR) is veroordeeld tot betaling van (een hoofdsom van) € 37.946,39, wordt vernietigd en de inleidende vordering van Achmea alsnog wordt afgewezen. De vordering in appel van Magistral is daarom, anders dan JPR stelt, niet van onbepaalde waarde. Dat de vordering van Achmea in eerste aanleg is gebaseerd op art. 477a lid 2 Rv, doet hieraan niet af. Het griffierecht is door de griffier dan ook terecht geheven uitgaande van een vordering met een waarde van (tenminste) € 37.946,39.
3 De slotsom luidt dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.
De beslissing:
Het gerechtshof:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mrs. J.M. Rowel - van der Linde, voorzitter, K.E. Mollema en J.H. Kuiper, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag
15 maart 2012 in bijzijn van de griffier.