ECLI:NL:GHLEE:2011:BU8208
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- W. Breemhaar
- M.W. Zandbergen
- R.E. Weening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opeisbaarheid vorderingen bij emigratieclausule in ouderlijke boedelverdeling
In deze civiele zaak staat de uitleg van een emigratieclausule in een testament centraal. De erflater had bepaald dat vorderingen van de erfgenamen op de echtgenote pas opeisbaar zouden zijn bij haar overlijden, maar onmiddellijk bij emigratie. De echtgenote had een woning in Duitsland gekocht en verbleef daar regelmatig, maar was formeel nog niet geëmigreerd.
De appellanten vorderden betaling van hun erfdeel omdat zij meenden dat de emigratie reeds was aangevangen. Het hof onderzocht de betekenis van 'gaat emigreren' en oordeelde dat dit alleen kan slaan op een feitelijke handeling waaruit met zekerheid blijkt dat emigratie plaatsvindt of zal plaatsvinden, en niet op intenties of voorbereidingen zoals het te koop zetten van een woning.
Omdat de geïntimeerde nog niet daadwerkelijk was geëmigreerd, werd de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de vorderingen pas opeisbaar zijn bij daadwerkelijke emigratie, niet bij voorgenomen emigratie.