ECLI:NL:GHLEE:2011:BU6258

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.035.396/01 tussenarrest
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123 RvArt. 353 RvLandelijke procesreglement civiele dagvaardingszaken gerechtshoven artikel 6.4
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onttrekking advocaat voor comparitie geen reden voor ontslag van instantie

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Leeuwarden op 29 november 2011 een tussenarrest gewezen waarin is geoordeeld dat het onttrekken van de advocaat van appellant vóór de comparitie geen aanleiding geeft tot ontslag van instantie voor de tegenpartij. De advocaat van appellant had zich aan de zaak onttrokken, maar appellant stelde geen nieuwe advocaat aan.

Het hof verwees naar artikel 123 Rv Pro juncto 353 Rv, waarbij werd vastgesteld dat deze bepalingen alleen zien op het ontbreken van een advocaat aan het begin van de procedure, en niet op het tussentijds onttrekken. Het toepasselijke Landelijke procesreglement bepaalt dat bij het ontbreken van een nieuwe advocaat het recht om de proceshandeling te verrichten vervalt, maar eerdere proceshandelingen blijven geldig.

Verder werd de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te verstrekken, zoals gevraagd in het eerdere tussenarrest van 7 december 2010. Het hof verwees de zaak naar de rolzitting van 27 december 2011 voor nadere stukken en hield iedere verdere beslissing aan.

Uitkomst: Onttrekking advocaat vóór comparitie leidt niet tot ontslag van instantie; zaak aangehouden voor nadere stukken.

Uitspraak

Arrest d.d. 29 november 2011
Zaaknummer 200.035.396/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. T.S. Nicolai, kantoorhoudende te Groningen (ontrokken),
tegen
1. [geïntimeerde sub 1],
gevestigd te Kerkenveld,
verder te noemen: [B.V. X]
2. [geïntimeerde sub 2],
gevestigd te Hoogeveen,
verder te noemen: [B.V. Y]
geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. L.A.A. Ongenae, kantoorhoudende te Paterswolde.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 7 december 2010 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Bij arrest van 7 december 2010 heeft het hof een comparitie van partijen gelast waartoe partijen verhinderdata moesten overleggen.
[appellant] heeft geen verhinderdata overgelegd. Ter rolle van 25 januari 2011 heeft zijn advocaat meedegedeeld zich aan de zaak te hebben onttrokken.
[appellant] is in de gelegenheid gesteld een nieuwe advocaat te stellen. Zulks heeft hij niet gedaan.
Op de rolzitting van 22 februari 2011 hebben [geïntimeerden] arrest gevraagd (ontslag van instantie).
Daartoe hebben zij op 8 maart 2011 de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
1. Het feit dat [appellant] niet opnieuw advocaat heeft gesteld, betekent, anders dan [geïntimeerden] menen, niet dat ingevolge artikel 123 Rv Pro juncto 353 Rv thans [geïntimeerden] van instantie moeten worden ontslagen. Artikel 123 Rv Pro ziet alleen op het geval dat aan het begin van de procedure geen advocaat is gesteld.
2. De gevolgen van de tussentijdse onttrekking van de advocaat zijn in de wet niet met zoveel woorden geregeld (zie ook HR 2 februari 2001, LJN:AA9764, NJ 2002,372). In het toepasselijke Landelijke procesreglement voor de civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven is bepaald (artikel 6.4) voor het geval dat zich geen nieuwe advocaat stelt, dat het recht om de proceshandeling te verrichten waar de zaak voor staat vervalt. Het betekent niet dat alle voordien verrichte proceshandelingen van onwaarde worden.
3. Het hof heeft in het tussenarrest van 7 december 2010 een aantal vragen aan beide partijen geformuleerd. Nu Beekelaer deze vragen niet heeft (kunnen) beantwoorden, zal het hof daaruit de gevolgen trekken die het geraden voorkomt. Ten aanzien van de vragen die het hof voor [geïntimeerden] heeft geformuleerd zal het hof de zaak naar de rol verwijzen opdat [geïntimeerden] deze vragen bij akte beantwoordt en alsnog de gevraagde stukken in het geding brengt.
Dit betreft de rechtsoverwegingen 8 (loonstrook en artikel 19 van Pro de overnameovereenkomst) en 13 (de rechten van de stichting Kankerbescherming en de kanttekeningen bij de wederzijdse financiële gegevens) van het tussenarrest van 7 december 2010.
4. Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.
De beslissing
Het gerechtshof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 27 december 2011 teneinde [geïntimeerden] in de gelegenheid te stellen bij akte het hof nadere informatie te verstrekken zoals onder rechtsoverweging 3 bedoeld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mrs. K. E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en H. De Hek, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 november 2011 in bijzijn van de griffier.