ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3058
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot procederen en burenrechtelijke geschillen over bouwplannen en gemeenschappelijke eigendom
In deze civiele zaak staat centraal de bevoegdheid van appellant als deelgenoot in een gemeenschap van eigendom (de 'steeg') om op te treden tegen bouwplannen van geïntimeerden die mogelijk inbreuk maken op rechten van mede-eigenaren, waaronder het recht op licht, lucht en uitzicht. Appellant vordert een bouwverbod en beperkingen op ramen, balkons en parkeervoorzieningen.
Het hof stelt vast dat appellant op grond van artikel 3:171 BW Pro bevoegd is om namens de gemeenschap te procederen. De rechtbank had appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard jegens één geïntimeerde, maar deze beslissing wordt gecorrigeerd. De bouwplannen zijn uitgebreid toegelicht, inclusief vergunningen en wijzigingen.
Het hof oordeelt dat de steeg geen openbare weg is, waardoor de artikelen 5:21 en 5:50 BW van toepassing zijn. Er is geen sprake van een mandelige zaak, maar wel van gemeenschappelijke eigendom. De rechten op licht, lucht en uitzicht kunnen deels zijn ontstaan door verjaring, maar de nieuwbouwplannen leiden tot een toename van gebruik en uitzicht die toestemming van alle deelgenoten vereist.
De belangen van geïntimeerden bij uitvoering van de bouwplannen worden als zwaarwegend beoordeeld, terwijl het belang van appellant en de gemeenschap beperkt is. Er is geen misbruik van bevoegdheid door appellant. Het hof wijst het bouwverbod af en veroordeelt partijen in de proceskosten, waarbij enkele kostenveroordelingen worden vernietigd en opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: Het hof wijst het bouwverbod af en bevestigt de bevoegdheid van appellant tot procederen namens de gemeenschap.