ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0013

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
1 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.046.221/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 RvArt. 2245 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbinding rechtspersoon Maas Shipping B.V.

In deze zaak stond centraal de ontvankelijkheid van Maas Shipping B.V. in het door haar ingestelde hoger beroep. Het hof stelde vast dat Maas op 26 januari 2009 is ontbonden wegens het ontbreken van bekende baten en dat zij sindsdien niet meer bestaat als rechtspersoon. Hierdoor kan Maas niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep dat zij op 7 september 2009 heeft ingesteld.

Het hof baseerde zich op het handelsregister waarin de ontbinding en het ontbreken van baten zijn geregistreerd. Hoewel Maas stelde dat er gelden bij Smallegange N.V. werden gehouden als zekerheid, was niet gebleken dat deze gelden aan Maas toekwamen of dat zij na ontbinding nog baten had. Daarom was geen reden om terug te komen op de eerdere tussenarrestbeslissing die Maas niet-ontvankelijk verklaarde.

De voormalig bestuurder van Maas, die ten tijde van de ontbinding enig bevoegd bestuurder was, werd op grond van artikel 245 lid 1 Rv Pro veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. De advocaatkosten werden begroot op € 4.053,-- en de verschotten op € 770,--. Het hof wees het hoger beroep van Maas af en bevestigde de eerdere beslissing.

Uitkomst: Maas Shipping B.V. wordt niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en de voormalig bestuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Arrest d.d. 1 maart 2011
Zaaknummer 200.046.221/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
Maas Shipping B.V.,
gevestigd te Groningen,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: Maas,
advocaat: aanvankelijk mr. J.V. van Ophem,
die zich ter rolle van 17 augustus 2010 heeft onttrokken,
voor wie gepleit heeft mr. R.L. Latten, advocaat te Rotterdam,
tegen
EXHO B.V.,
gevestigd te Raamsdonkveer,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna te noemen: EXHO,
advocaat: mr. J.B. Smits, kantoorhoudende te Breda,
die tevens gepleit heeft.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 26 oktober 2010 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Maas heeft een akte genomen, waarbij een productie is overgelegd.
Nadat Exho bezwaar had gemaakt tegen die akte heeft de rolraadsheer beslist dat slechts op de tekst achter de nummers 20 en 21 van die akte acht wordt geslagen en de rest van de akte wordt geweigerd.
Vervolgens heeft Maas wederom de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
1. Nadat het hof ter gelegenheid van het pleidooi ambtshalve vragen had opgeworpen aangaande de status van Maas en beide partijen zich dienaangaande bij akte hadden uitgelaten, heeft het hof in zijn tussenarrest van 26 oktober 2010
overwogen en beslist dat de ontbonden rechtspersoon Maas op 26-01-2009 is opgehouden te bestaan wegens het ontbreken van bekende baten, zodat zij niet kan worden ontvangen in het door haar op 7 september 2009 ingestelde hoger beroep, zijnde de onderhavige zaak.
2. Het hof heeft daarbij uitdrukkelijk overwogen (zie onder overweging 5 en 6 van bedoeld tussenarrest) dat op 3 februari 2009 in het handelsregister is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon (Maas) is opgehouden te bestaan “omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 26-01-2009 en niet is gesteld of gebleken dat na 26-01-2009 nog nieuwe baten bij Maas bekend zijn geworden."
3. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het voornemens is [voormalig bestuurder] en/of haar procesadvocaat te veroordelen in de kosten van deze procedure en heeft enkel met het oog daarop – gelet op het bepaalde in artikel 245 lid 2 Rv Pro – de zaak naar de rol verwezen teneinde genoemde personen de gelegenheid te bieden op dat voornemen te reageren.
4. Maas heeft daarop een akte genomen. Exho heeft tegen de inhoud van die akte bezwaar gemaakt, welk bezwaar door de rolraadsheer is gehonoreerd, behoudens voor wat betreft hetgeen in de akte onder nummer 20 en 21 is neergelegd.
5. Uitgangspunt is dat het hof is gebonden aan een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing over een feitelijk of juridisch beslispunt in een zaak. De beslissing dat Maas niet ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep is een dergelijke beslissing.
De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat een rechter, aan wie gebleken is dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of (een niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen) onjuiste feitelijke grondslag bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (zie HR 23-11-2007, LJN: BB3733 en HR 25-04-2008, LJN: BC2800).
6. Een uitzondering als hiervoor bedoeld, doet zich echter in casu niet voor. Maas heeft weliswaar in haar akte na pleidooi onder 12 aangegeven dat Smallegange N.V. sedert 27 april 2009 gelden ad € 30.000,-- houdt “tot zekerheid voor de beweerdelijke vordering van Exho welke gelden worden gehouden teneinde opheffing van door Exho gelegde beslagen te bewerkstelligen“, doch daarmee is allerminst gesteld (laat staan dat daarvan is gebleken) dat bedoelde € 30.000,-- door Maas is gestort en voor Maas wordt gehouden en derhalve – als Maas de procedure zou winnen – terugvloeit naar het vermogen van Maas. Ook uit hetgeen Maas bij haar laatste akte (voor zover geaccepteerd) heeft aangevoerd, blijkt zulks allerminst. Een heroverweging van het oordeel dat Maas niet ontvankelijk is in haar appel is derhalve niet aan de orde.
7. In het feit dat de procesadvocaat onweersproken heeft aangegeven met de uitschrijving/doorhaling van Maas in het handelsregister niet van doen te hebben gehad, vindt het hof aanleiding enkel [voormalig bestuurder], geboren [geboortedatum en -plaats] (ten tijde van de uitschrijving uit het handelsregister enig bevoegd bestuurder van Maas en vertegenwoordiger van Maas ten pleidooie) te belasten met de kosten van de procedure in hoger beroep. Steekhoudende argumenten om het hof van dat voornemen te weerhouden zijn niet gesteld en daarvan is evenmin gebleken.
Slotsom
8. Maas wordt niet ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep. [voormalig bestuurder] wordt – op voet van het bepaalde in het eerste lid van artikel 245 Rv Pro – veroordeeld in de kosten van deze procedure (salaris advocaat: 3,5 punt, tarief III).
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart Maas niet ontvankelijk in haar hoger beroep;
veroordeelt [voormalig bestuurder], geboren [geboortedatum en -plaats] (tot 26-01-2009 enig bestuurder van Maas) overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 2245 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Exho tot aan deze uitspraak op € 770,-- aan verschotten en € 4.053,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, L. Groefsema en M. Wolters, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van in het bijzijn van de griffier.