ECLI:NL:GHLEE:2011:BP6653
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G. Dam
- L.T. Wemes
- P. Greve
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel
De veroordeelde werd bij vonnis van de rechtbank Groningen veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €62.205,57. In hoger beroep stelde de advocaat-generaal een lagere betalingsverplichting van €57.200,- voor, maar het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht.
Het hof baseerde de schatting van het voordeel op een aanvullend rapport en getuigenverklaringen, waarbij 25% van het totale voordeel van €248.822,26 aan de veroordeelde werd toegerekend. Het voordeel uit transacties met Mexico en Spanje werd niet toegerekend aan de veroordeelde.
Vanwege een uitzonderlijke overschrijding van de redelijke termijn tussen het instellen van het hoger beroep in 2005 en de inhoudelijke behandeling in 2011, matigde het hof de betalingsverplichting met €10.000,-, meer dan de door de advocaat-generaal voorgestelde €5.000,-. Het draagkrachtverweer werd verworpen omdat geen aannemelijkheid bestond dat de veroordeelde geen vermogen had.
Het hof legde de veroordeelde de verplichting op om €52.205,57 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vernietigde het eerdere vonnis.
Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €62.205,57 en matigt de betalingsverplichting tot €52.205,57.