ECLI:NL:GHLEE:2010:BP1066
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt binding aannemingsbedrijf door schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
In deze civiele zaak stond centraal of het aannemingsbedrijf (appellanten) gebonden was aan contractuele verplichtingen jegens de geïntimeerde, een leverancier van bekistingsmateriaal. De kernvraag was of de rechtsvoorganger van appellanten bij het sluiten van de overeenkomst in eigen naam handelde of als vertegenwoordiger van appellanten.
Het hof stelde vast dat de rechtsvoorganger namens appellanten heeft gehandeld, mede doordat offertes en opdrachtbevestigingen door appellanten zonder protest zijn behouden en betalingen zijn verricht. Dit wekte de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, waardoor appellanten gebonden zijn op grond van artikel 3:61 lid 2 BW Pro.
Appellanten kon geen overtuigend tegenbewijs leveren, ondanks het horen van getuigen in eerste aanleg en het doen van een bewijsaanbod in hoger beroep. Het hof verwierp het verweer dat de rechtsvoorganger slechts als post- en factuuradres fungeerde. De zaak werd aangehouden voor een comparitie om verdere discussie over de hoogte van de vordering en bewijsvoering mogelijk te maken.
Het arrest bevestigt dat gedragingen die de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid wekken, ook zonder formele volmacht tot binding kunnen leiden, mits de wederpartij daarop mocht vertrouwen. Het hof bekrachtigde daarmee het vonnis van de kantonrechter dat appellanten als contractspartij geldt.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat appellanten als contractspartij gebonden is door de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van haar rechtsvoorganger.