ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2018
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Janse
- Zandbergen
- Weening
- Rechtspraak.nl
Bestuurder en enig aandeelhouder niet bevoegd tot vertegenwoordiging bij schuldoverneming wegens tegenstrijdig belang
De zaak betreft een hoger beroep over de vraag of appellant, die zowel bestuurder als enig aandeelhouder was van Vamont B.V., bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen bij het verlenen van toestemming voor de overneming van zijn privé-schuld door een andere vennootschap, BLB. De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van een tegenstrijdig belang als bedoeld in art. 2:256 BW Pro, waardoor appellant niet bevoegd was te vertegenwoordigen.
In hoger beroep bevestigt het hof dat appellant een persoonlijk belang had bij de schuldoverneming, wat niet parallel liep met het belang van Vamont. De curator stelde dat BLB een 'lege vennootschap' was met twijfelachtige solvabiliteit, terwijl appellant dit betwistte. Het hof vond de stellingen van de curator voldoende onderbouwd en oordeelde dat appellant zich vanwege het tegenstrijdig belang van de vertegenwoordiging had moeten onthouden.
Verder stelde appellant dat de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) voorafgaand aan de schuldoverneming had ingestemd, maar het hof oordeelde dat hiervoor geen bewijs was dat de ava het tegenstrijdig belang had onder ogen gezien en ondubbelzinnig had ingestemd. Ook een beroep op bekrachtiging faalde. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het geding.
Uitkomst: Appellant was niet bevoegd Vamont te vertegenwoordigen bij de schuldoverneming wegens tegenstrijdig belang; het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.