ECLI:NL:GHLEE:2009:BH9831
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Zuidema
- Breemhaar
- De Hek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden
Appellant was sinds 1997 in dienst bij geïntimeerden als stoffeerder en werd in 2006 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. Geïntimeerden stelden dat de onderneming financieel in zwaar weer verkeerde en dat het bedrijf zou worden beëindigd. Appellant betwistte de redelijkheid van het ontslag en stelde dat de opgegeven reden vals of voorgewend was.
In eerste aanleg oordeelde de kantonrechter dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Appellant stelde hoger beroep in en wijzigde zijn eis tot een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Het hof constateerde dat de onderneming inderdaad slechte financiële resultaten had en dat de opzegging haar grond vond in deze bedrijfseconomische situatie. Het feit dat de onderneming niet direct werd gestaakt, deed hieraan niet af.
Het hof overwoog verder dat appellant geen voorzieningen had getroffen om hem te ondersteunen en dat zijn leeftijd de kansen op ander passend werk beperkte. Desondanks woog het belang van de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst zwaarder dan het belang van appellant bij voortzetting. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor het deel gericht tegen het vonnis van 11 april 2007 en het vonnis van 17 oktober 2007 werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard voor een deel en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd; het ontslag is niet kennelijk onredelijk.