ECLI:NL:GHLEE:2006:AV3968

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK 816/04 Vennootschapsbelasting
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar vennootschapsbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd op 31 december 1993. De ingediende aangifte van 12 augustus 1994 werd aangemerkt als een te laat bezwaarschrift. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en stelde de aanslag ambtshalve bij.

Belanghebbende ging in beroep bij het gerechtshof Leeuwarden, dat op 3 maart 2006 de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordeelde. Het hof stelde vast dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na dagtekening van de aanslag was ingediend, zoals vereist in artikel 23 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Belanghebbende voerde aan dat er al een eerdere zaak over hetzelfde jaar was behandeld, maar dit werd door de griffier ontkend. Er waren geen omstandigheden die een verschoonbare termijnoverschrijding konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde het hof het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige indiening van het bezwaar.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Kenmerk: 816/04 3 maart 2006
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1990.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 Aan belanghebbende werd voor het jaar 1990 met dagtekening 31 december 1993 een (ambtshalve) aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag als bedoeld in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna te noemen: de Wet) van f 50.000,-.
1.2 Op 12 augustus 1994 heeft belanghebbende de aangifte ingediend, welke is aangemerkt als een (te laat) bezwaarschrift. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 31 juli 2004 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar en de aanslag ambtshalve verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van negatief f 3.717,-.
1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, dat op 10 september 2004 is ingekomen en is aangevuld bij brief van 14 februari 2005 (met bijlagen).
1.4 De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. 1.5 Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 januari 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren als gemachtigde van belanghebbende de heer A, alsmede namens de inspecteur Mr. B en de heer C. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij hebben belanghebbende (bij zijn pleitnota) en de inspecteur nog enige stukken overgelegd.
1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De ontvankelijkheid van het bezwaar
2.1 Ingevolge artikel 23 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan hij, die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde aanslag, binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur.
2.2 Het bezwaarschrift is, gelet op het onder 1.1 en 1.2 vermelde, niet binnen twee maanden na de dagtekening van de aanslag bij de inspecteur binnengekomen.
2.3. Het hof is van oordeel dat belanghebbende terecht door de inspecteur niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar.
2.4 Belanghebbende stelt dat voor het onderhavige jaar al een zaak van haar door het hof is behandeld. De griffier heeft desgevraagd verklaard dat een zodanige zaak bij het hof niet bekend is.
2.5 Er zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan van een verschoonbare termijnoverschrijding kan worden gesproken.
2.6 Het beroep moet gelet op het voorgaande ongegrond worden verklaard.
3. Proceskosten
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4. De beslissing
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld op 3 maart 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Robben en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.
Op 8 maart 2006 afschrift
aangetekend verzonden aan beide partijen.