ECLI:NL:GHLEE:2005:AT4448
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Zuidema
- Kuiper
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
Appellant 1 en appellante 2 waren beiden werkzaam bij Kunstencentrum en werden op 1 mei 2002 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. Kunstencentrum had een ontslagaanvraag ingediend bij het CWI, dat een ontslagvergunning verleende. De arbeidsovereenkomsten vielen onder de CAO Kunstzinnige Vorming, die regels bevatte over melding en overleg bij ontslag.
In eerste aanleg wees de kantonrechter de vorderingen van appellanten af. In hoger beroep stelden appellanten dat het ontslag kennelijk onredelijk was, onder meer vanwege een schending van de CAO-meldingsplicht en omdat de gevolgen van het ontslag voor hen te ernstig waren. Het hof oordeelde dat de gemelde schending onvoldoende ernstig was, mede omdat de melding alsnog tijdig bij het juiste orgaan was aangekomen en overleg met de vakbonden had plaatsgevonden.
Het hof verwierp het betoog dat het ontslag op valse gronden was gebaseerd, en oordeelde dat appellanten onvoldoende bewijs hadden geleverd dat Kunstencentrum zich niet voldoende had ingespannen om het project voort te zetten. Wel stelde het hof vast dat appellant 1 bijzondere omstandigheden had gesteld die maken dat de CAO-suppletieregeling onvoldoende compensatie bood. Daarom werd Kunstencentrum veroordeeld tot betaling van €10.000 aan appellant 1. Voor appellante 2 werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en werd zij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag van appellant 1 is kennelijk onredelijk en Kunstencentrum moet hem €10.000 betalen; het ontslag van appellante 2 wordt bekrachtigd.