ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3009
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over aftrek onderhoudskosten en levensonderhoud studerende dochter in inkomstenbelasting 2000
Belanghebbende betwistte de aanslag inkomstenbelasting 2000, waarin de inspecteur aftrekposten voor onderhoudskosten van een verhuurd pand en kosten van levensonderhoud van zijn studerende dochter had beperkt. Het geschil betrof een bedrag van ƒ 799,-- aan onderhoudskosten en een verhoging van de aftrek voor levensonderhoud van ƒ 2.025,-- naar ƒ 4.050,--.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de extra onderhoudskosten in 2000 waren gemaakt en dat de inspecteur al ruim tegemoet was gekomen door een deel van de inrichtings- en schoonmaakkosten toe te staan. Ten aanzien van de kosten van levensonderhoud van de dochter, die studeerde en eigen inkomsten had, concludeerde het hof dat niet was aangetoond dat belanghebbende haar grotendeels had onderhouden volgens de wettelijke criteria.
Ook werd geoordeeld dat de inspecteur niet in strijd had gehandeld met de hoorplicht, aangezien belanghebbende niet had verzocht om te worden gehoord. De motivering van de uitspraak op bezwaar was voldoende. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.