ECLI:NL:GHLEE:2004:AP0393
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Dijkstra
- Poelman
- Weenink
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn in verzetprocedure tegen dwangbevel leidt tot gegrondverklaring verzet
De betrokkene maakte verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat was uitgevaardigd door de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde dit verzet ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het gerechtshof Leeuwarden.
Het hof heroverwoog het standpunt omtrent de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en de artikelen 26 en 26a van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Hoewel aanvankelijk werd aangenomen dat een verzetzaak binnen achttien maanden moet zijn afgedaan, stelde het hof dat ook bij een langere termijn voortvarendheid van de bestuurs- en rechterlijke autoriteiten mag worden verwacht.
In deze zaak was er een periode van één jaar verstreken tussen ontvangst van het dossier door de rechtbank Breda en de uitnodiging voor de zitting, zonder aanwijsbare of aanvaardbare oorzaak. Dit leidde tot een schending van de redelijke termijn. Het hof oordeelde dat verdere tenuitvoerlegging van het dwangbevel in strijd zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur en verklaarde het verzet gegrond, waarbij de beschikking van de kantonrechter werd vernietigd.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het verzet gegrond wegens overschrijding van de redelijke termijn en vernietigt de beschikking van de kantonrechter.