ECLI:NL:GHLEE:2003:AN1331
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Mollema
- Kuiper
- Meijeringh
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis inzake nietigheid schuldbemiddelingsovereenkomst en kostenveroordeling
In deze civiele zaak stond de rechtsverhouding tussen appellante en geïntimeerde 1 centraal, waarbij appellante betalingen had ontvangen voor schuldbemiddelingsdiensten. Geïntimeerde vorderde terugbetaling van deze bedragen omdat de overeenkomst strijdig was met het wettelijke stelsel.
Appellante voerde aan dat zij vanuit maatschappelijk belang handelde en dat haar werkzaamheden in het kader van schuldhulpverlening vielen, ondanks mogelijke strijdigheid met de wet. Het hof oordeelde echter dat de overeenkomst nietig is omdat zij in strijd was met de wettelijke regeling, mede gelet op het Tijdelijk vrijstellingsbesluit schuldbemiddelaars dat strikte voorwaarden stelt waaronder schuldbemiddeling mag worden verricht.
Het hof verklaarde appellante niet ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen geïntimeerde 1 was ingesteld, omdat de procedure volgens artikel 25 Faillissementswet Pro primair tegen de bewindvoerder moet worden gevoerd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep, waarbij de veroordelingen ten voordele van de boedel van geïntimeerde 1 strekken.
De brief van de coördinerend kantonrechter te Groningen uit 1998, waarop appellante zich beriep, werd door het hof niet als bindend beschouwd. Het hof benadrukte dat deze brief slechts een feitelijke vaststelling en waarschuwing bevatte, zonder toezegging over toekomstige juridische oordelen. De terugbetalingsvorderingen werden gegrond verklaard voor betalingen gedaan vóór het verkrijgen van een vrijstelling onder het tijdelijke vrijstellingsbesluit.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart appellante niet ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen geïntimeerde 1 is ingesteld, met veroordeling in de kosten.