ECLI:NL:GHLEE:2000:AA8987

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
8 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1212/98
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.S. Pruikma
  • F.J.W. Drion
  • H.H.A. Fransen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag zuiveringslasten door waterschap Vallei en Eem

In deze zaak gaat het om een beroep van belanghebbende tegen een aanslag in de zuiveringslasten, opgelegd door het dagelijks bestuur van het waterschap Vallei en Eem. De aanslag, gedateerd 30 november 1993, bedroeg f 57.918,00. Na bezwaar van belanghebbende handhaafde het dagelijks bestuur de aanslag, waarna het gerechtshof te Arnhem deze bevestigde. Belanghebbende ging in cassatie bij de Hoge Raad, die de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem vernietigde en de zaak verwees naar het gerechtshof te Leeuwarden. Het hof te Leeuwarden stelde partijen in de gelegenheid om een memorie in te zenden, waarna een mondelinge behandeling plaatsvond op 16 november 2000.

Tijdens de zitting voerde belanghebbende aan dat de door hem verrichte lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID was berekend. Hij stelde dat de geloosde mest minder geconcentreerd was en dat er in werkelijkheid minder mest was geproduceerd dan de AID had vastgesteld. Belanghebbende onderbouwde zijn stelling met een onderzoek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een proces-verbaal van de AID, waaruit bleek dat in 1993 500 m3 te weinig mest was afgevoerd.

Het hof overwoog dat de door belanghebbende ingediende mestboekhouding en de forfaitaire normen van de Meststoffenwet en de Wet op de bodembescherming een redelijke schatting van de geloosde hoeveelheid mest konden opleveren. Het hof concludeerde dat het dagelijks bestuur aannemelijk had gemaakt dat de berekening van de AID een redelijke schatting was, maar dat belanghebbende de mogelijkheid had om dit te weerleggen. Uiteindelijk oordeelde het hof dat de aanslag diende te worden verminderd tot f 40.513,20 en dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest worden vergoed.

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 1212/98 8 december 2000
Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, na verwijzing bij het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 30 september 1998, nummer 33.602, waarbij op het beroep in cassatie van X te Z de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 30 juni 1997 betreffende de aan laatstgenoemde voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de zuiveringslasten is vernietigd met verwijzing van het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van voormeld arrest.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Belanghebbende werd voor het onderhavige jaar bij aanslagbiljet, gedagtekend 30 november 1993 door het dagelijks bestuur van het zuiveringsschap Veluwe, thans het waterschap Vallei en Eem te Amersfoort (nader: het dagelijks bestuur) aangeslagen in de zuiveringslasten tot een bedrag van f 57.918,00.
Op het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij uitspraak de aanslag gehandhaafd. Op het beroep van belanghebbende tegen vorenbedoelde uitspraak heeft het gerechtshof te Arnhem bij voormelde uitspraak de uitspraak van het dagelijks bestuur bevestigd.
Op het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij voormeld arrest de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem vernietigd en het geding, gelijk hiervoor omschreven, verwezen naar het gerechtshof te Leeuwarden. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de verwijzing van de zaak een memorie in te zenden. De gemachtigde van het dagelijks bestuur en belanghebbende hebben achteenvolgens op 31 december 1998 en 4 februari 1999 een memorie bij de griffie van het gerechtshof te Leeuwarden ingediend.
Afschrift van de onderscheiden memories is aan de wederpartij gezonden.
Vervolgens heeft de mondelinge behandeling door het gerechtshof te Leeuwarden plaatsgevonden ter zitting van 16 november 2000, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren belanghebbende, bijgestaan door dhr. A, alsmede de gemachtigde van het dagelijks bestuur, bijgestaan door dhr. B en mw. C.
Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van alle genoemde (en nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten,
Het hof neemt uit de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem en uit het arrest van de Hoge Raad over de vaststaande feiten, de overwegingen en de beslissingen, die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, dan wel die welke door de Hoge Raad zijn gegeven.
3. Het geschil.
Na verwijzing is nog in geschil het antwoord op de vraag of de door belanghebbende verrichte lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend en in dat verband of er in werkelijkelijkheid minder mest op belanghebbendes bedrijf is geproduceerd dan door de AID is berekend.
4. Het standpunt van partijen.
4.1. Belanghebbende heeft -voor zover te dezen van belang, kort samengevat - aangevoerd dat de door hem gepleegde lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend doordat de geloosde mest minder geconcentreerd was dan was gemeten en doordat in werkelijkheid minder mest is geproduceerd dan door de AID aan de hand van al jaren achterhaalde normen is berekend.
Belanghebbende heeft die stelling onder meer toegelicht door te wijzen op een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgevoerd onderzoek. Voorts heeft belanghebbende in dit verband aangevoerd dat ook in 1993, toen niet meer illegaal werd geloosd, volgens een proces-verbaal van de AID 500 m3 te weinig mest zou zijn afgevoerd, hetgeen (eveneens) erop duidt dat minder mest is geproduceerd dan berekend.
4.2. Namens het Dagelijks Bestuur zijn nadere argumenten aangevoerd, zoals verwoord in de ingezonden memorie en de ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden op 16 november 2000 voorgedragen en overgelegde pleitnota. Ter laatstbedoelde zitting is bovendien het hieronder vermelde aangevoerd.
4.3. Voor uitgebreidere argumentaties verwijst het hof naar de gedingstukken.
5. De overwegingen omtrent het geschil.
Door - kort gezegd - aan de hand van de door belanghebbende bijgehouden mestboekhouding en de ingevolge de Meststoffenwet en de Wet op de bodembescherming gehanteerde forfaitaire normen de totale mestproductie te berekenen en daarop in aftrek te brengen de door belanghebbende afgezette mest ten aanzien waarvan een nota en mestbon bestaat, is naar het oordeel van het hof namens het Dagelijks bestuur aannemelijk gemaakt dat het uit deze, in casu door de AID uitgevoerde, berekening verkregen resultaat in beginsel als redelijke schatting kan dienen van het door belanghebbende geloosde hoeveelheid mest.
Ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur niet, althans onvoldoende, weersproken aangevoerd dat verkregen informatie leert dat door de AID ter zake van de jaren 1990 en 1991 in soortgelijke gevallen -bij de bepaling van de hoeveelheid mest- in de praktijk het beleid werd gevoerd dat het op basis van de vorenbedoelde forfaitaire normen bepaalde mestoverschot, met een marge van maximaal 30 percent naar beneden werd bijgesteld, in verband met de in die jaren bestaande onzekerheid en onduidelijkheid ten aanzien van de juistheid van die forfaitaire normen. Bedoelde correctie ten aanzien van de jaren 1990 en 1991 bleek achteraf bezien onnodig te zijn geweest, nu de forfaitaire normen in latere jaren onverkort werden toegepast. Het dagelijks bestuur heeft zich ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden evenwel bereid verklaard de door de AID ten aanzien van de jaren 1990 en 1991 in soortgelijke gevallen gehanteerde correctie, eveneens in de onderhavige zaak ten aanzien van belanghebbende toe te passen. Nu het kennelijk gaat om een vast door de AID gevoerd beleid in vergelijkbare zaken ter zake van onder meer het onderhavige jaar, is het hof met het dagelijks bestuur van oordeel dat belanghebbende in ieder geval in aanmerking dient te komen voor de ingevolge dat beleid toegepaste - hiervoor omschreven - correctie.
De namens het Dagelijks Bestuur vastgestelde geloosde hoeveelheid meststoffen is _ook na toepassing van vorenbedoelde correctie op basis van het door de AID gevoerde beleid_ een resultante van voormelde forfaitaire normen. Dit verkregen resultaat is niet zonder meer beslissend, maar kan door belanghebbende worden weerlegd.
Belanghebbende heeft gesteld dat de door hem gepleegde lozingen een geringere hoeveelheid mest betroffen dan door de AID berekend, omdat in werkelijkheid op zijn bedrijf minder mest is geproduceerd dan door de AID aan de hand van al jaren normen is verdedigd.
Ter zitting van het gerechtshof te Leeuwarden heeft belanghebbende nader aangevoerd dat ook na toepassing van vorenbedoelde correctie, de vastgestelde hoeveelheid meststoffen in overeenstemming is met de daadwerkelijk door hem geloosde hoeveelheid mest. Er is _zo stelt hij_ door hem veel minder mest geloosd. Op belanghebbende rust onder voormelde omstandigheden de bewijslast het door hem gestelde aannemelijk te maken. Hij heeft in dit verband weliswaar onder meer gewezen op de in een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij uitgevoerd onderzoek vermelde resultaten en op een proces_verbaal van de AID waaruit zou blijken dat ook in 1993, toen niet meer illegaal werd geloosd, 500 m3 te weinig mest zou zijn afgevoerd, hetgeen er (eveneens) op duidt dat minder mest is geproduceerd dan berekend, doch hij heeft het door hem gestelde niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Afschriften van de door hem genoemde stukken zijn niet overgelegd. Ook overigens heeft hij het door hem gestelde niet aannemelijk gemaakt.
De aanslag dient nader als volgt te worden berekend:
490 m3 mest _/_ 147 m3 (30%) = 343 m3 x 2,01 v.e./m3 = 689 v.e. x f 58,80 (heffingsbedrag per v.e.) = f 40.513,20. Het beroep is derhalve ten dele gegrond.
6. De beslissing.
Het hof
Vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
Vermindert de aanslag tot f 40.513,20
Gelast dat het betaalde griffierecht met betrekking tot de procedure bij het hof ad f. 75,- aan belanghebbende wordt vergoed door het dagelijks bestuur;
Gedaan op 8 december 2000 door mr H.S. Pruikma , vice-president en voorzitter, mrs F.J.W. Drion en H.H.A. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier mw mr M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.
Uitgesproken ter openbare zitting van het hof te Leeuwarden op 8 december 2000 door mr Drion, voornoemd.
Op 13 december 2000 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.