Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:95

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
200.356.325/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10 lid 3 Aanbestedingswet 2012Art. 46 Richtlijn 2014/24Artikel 6:2 BWArtikel 9.3 overeenkomstArtikel 258 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep inzake aanbestedingsprocedure schoonmaakdiensten Politie

CSU B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar vorderingen in kort geding, waarin zij stelde dat de aanbestedingsprocedure voor schoonmaakdiensten van de Politie fundamenteel gebrekkig was. CSU vorderde dat de reeds gesloten overeenkomsten na drie jaar niet verlengd zouden worden en dat een nieuwe aanbestedingsprocedure zou worden georganiseerd.

Het hof oordeelt dat de gewijzigde vordering van CSU niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van spoedeisend belang, aangezien CSU voldoende gelegenheid heeft om haar stellingen aan de bodemrechter voor te leggen gedurende de looptijd van de overeenkomsten. Daarnaast is vastgesteld dat de Politie de vrijheid had om het aantal percelen per inschrijver te maximeren en dat de toegepaste methode van lineair programmeren niet in strijd is met het transparantiebeginsel.

Het hof benadrukt dat het niet gunnen van percelen aan de inschrijver met de beste score per perceel een onvermijdelijk gevolg is van de maximering en dat dit geen fundamenteel gebrek vormt. Ook is het beroep op rechtsverwerking gegrond, omdat CSU niet tijdig haar bezwaren heeft geuit. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van CSU in eerste aanleg terecht afgewezen en het hof bekrachtigt dit vonnis.

CSU wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, terwijl de provisionele vordering wordt afgewezen. Het arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. B.J. Lenselink en mr. I. Brand en op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van CSU af en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.356.325/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/682901 / KG ZA 25-284
Arrest van 13 januari 2026 in kort geding
in de zaak van
CSU B.V.,
gevestigd in Uden,
appellante,
advocaat: mr. S.C. Brackmann, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen

1.de Politie,

zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.J. van den Berge, kantoorhoudend in Zwolle,
2.
Atalian Schoonmaak NO B.V.,
gevestigd in Hengelo,
geïntimeerde,
advocaat mr. R.Q. Janus, kantoorhoudend in Den Haag,
3.
Blue Facilitair B.V.,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat mr. H. Plas, kantoorhoudend in Deventer,
4.
Asito B.V.,
gevestigd in Almelo,
geïntimeerde,
advocaat mr. L. Bozkurt, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna CSU, de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito.

1.De zaak in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak om een aanbesteding voor schoonmaakdiensten voor de Politie. CSU is van mening dat de aanbestedingsprocedure een fundamenteel gebrek bevat. In eerste aanleg vorderde zij daarom dat de aanbestedingsprocedure gestaakt zou worden. In hoger beroep heeft zij haar eis gewijzigd en vordert zij dat de reeds gesloten overeenkomsten na ommekomst van de initiële termijn van drie jaar niet worden verlengd en dat dan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd.
1.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van CSU afgewezen. Het hof oordeelt dat ook de gewijzigde vorderingen moeten worden afgewezen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaardingen van 24 juni 2025, waarmee CSU in hoger beroep (spoedappel) is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juni 2025. In deze dagvaarding zijn de grieven opgenomen en is een verzoek om een provisionele voorziening geformuleerd;
  • de conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak, van de Politie;
  • de conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Atalian, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Blue Facilitair;
  • de conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Asito, met bijlagen;
  • de bijlagen A-F van de Politie;
  • de akte eiswijziging van CSU, met bijlagen;
  • de akte houdende bezwaar tegen de eiswijziging van de Politie.
2.2
Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor CSU is mede verschenen mr. P.M. Smid, voor de Politie mr. M.A. Visser, voor Asito mr. E.E. Zeelenberg en voor Atalian mr. L.C. van den Berg.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 7 februari 2024 heeft de Politie de aankondiging gedaan voor een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure voor ‘schoonmaakdienstverlening’. De opdracht ziet op het dagelijkse en periodieke schoonmaakonderhoud van de panden van de Politie en is verdeeld in 10 percelen, gebaseerd op de indeling van de regionale politie-eenheden. De perceelindeling en de omvang van de opdracht per perceel zijn als volgt omschreven:
3.2
In de selectieleidraad is het volgende opgenomen over de gunning:
3.3
CSU is na de selectiefase toegelaten om deel te nemen aan de inschrijvingsfase voor alle percelen. Ook Atalian, Blue Facilitair en Asito zijn voor meerdere, dan wel alle percelen geselecteerd.
3.4
Aan alle geselecteerde gegadigden is een inschrijvingsleidraad toegezonden. Daarin is over de (methode van) gunning onder ander het volgende opgenomen:
(…)
3.5
Een aantal gegadigden heeft vragen gesteld over deze methode. De vragen en antwoorden die betrekking hebben op het gebruik van lineair programmeren zijn opgenomen in 34 tot en met 37 en 214 van de eerste Nota van Inlichtingen:
3.6
In de in het antwoord op vraag 214 genoemde bijlage M is de volgende tabel opgenomen:
3.7
Inschrijvers zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over bijlage M. CSU heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en over bijlage M gevraagd of de Politie in het kader van transparantie conform bijlage M de behaalde scores per leverancier per perceel (geanonimiseerd) zou willen delen met de inschrijvers. De Politie is daarmee akkoord gegaan. De andere inschrijvers hebben geen vragen gesteld over bijlage M.
3.8
Over rechtsverwerking is in de inschrijvingsleidraad het volgende opgenomen.
3.9
CSU heeft op 5 december 2024 een inschrijving gedaan voor alle percelen.
3.1
De Politie heeft op 14 maart 2025 de inschrijvers geïnformeerd over de voorgenomen gunning van de percelen. De voorgenomen gunningsbeslissing is weergegeven in onderstaande tabel.
3.11
De inschrijvers zijn – overeenkomstig het verzoek van CSU – ook geïnformeerd over de door de inschrijvers per perceel behaalde scores. Aan CSU is daarover het volgende medegedeeld:
3.12
Op 4 juli 2025 heeft de Politie de opdrachten definitief gegund. Artikel 9.3 van de overeenkomst luidt onder meer als volgt:
“De Politie is in ieder geval gerechtigd om de Overeenkomst en/of daaruit voortvloeiende geplaatste Bestellingen geheel of gedeeltelijk op te zeggen, als:
(i)
De Politie op grond van een Europese/nationale (rechterlijke) uitspraak, al dan niet bij wege van een voorlopige voorziening, aanwijzingen van een toezichthouder of bijvoorbeeld als gevolg van een procedure zoals bedoeld in artikel 258 VWEU Pro, niet langer kan instaan voor de rechtmatigheid van de Overeenkomst, althans van de rechtmatigheid van voortgezet gebruik door de Politie van Diensten zoals aangeboden op grond van deze Overeenkomst, of wanneer de Politie niet meer geheel of gedeeltelijk kan nakomen of geheel of gedeeltelijk moet opschorten of geboden wordt (een) prestatie(s) opnieuw (Europees) aan te besteden;
(ii)
(…)”

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
CSU heeft de Politie gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter (i) de Politie veroordeelt om de gunningsbeslissing van 14 maart 2025 inzake schoonmaakdienstverlening in te trekken en ingetrokken te houden en de aanbestedingsprocedure ‘Schoonmaakdienstverlening’, met Tenderned-kenmerk [nummer] , te staken en gestaakt te houden, dan wel (ii) een andere maatregel treft die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van CSU, steeds met veroordeling van de Politie in de kosten van het geding.
4.2
Atalian, Blue Facilitair en Asito zijn in eerste aanleg toegelaten als tussenkomende partij.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van CSU afgewezen en CSU in de proceskosten van de Politie veroordeeld, en in de proceskosten van Atalian, Blue Facilitair en Asito. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat het beroep van de Politie (en van de tussenkomende partijen) op rechtsverwerking slaagt. CSU heeft verzuimd vragen te stellen over de methode van lineair programmeren, terwijl dit, mede gelet op de inhoud van bijlage M, wel op haar weg had gelegen. Ook is niet verklaard waarom CSU niet voorafgaand aan de voorlopige gunning een kort geding aanhangig heeft gemaakt.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
CSU vordert, na wijziging van haar eis in hoger beroep:
primair:de Politie te gebieden (1) de overeenkomsten die zij heeft gesloten na de initiële looptijd van drie jaar niet te verlengen en (2) ten behoeve van het sluiten van een of meer overeenkomsten voor de opdracht na afloop van die looptijd tijdig een nieuwe aanbestedingsprocedure te voeren, indien de Politie de opdracht nog wenst te verstrekken;
subsidiair:een andere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van CSU;
in alle gevallen:geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding.
5.2
In de spoedappeldagvaarding heeft CSU bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd dat het hof de aanbestedingsprocedure gedurende het hoger beroep opschort, in die zin dat het hof de Politie beveelt de opdrachten niet definitief te gunnen voordat het arrest is gewezen.

6.Beoordeling in hoger beroep

De eiswijziging van CSU

6.1
Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan partijen laten weten dat de eiswijziging van CSU zal worden toegestaan, zodat de discussie tijdens de mondelinge behandeling over die gewijzigde eis zou moeten gaan. Aan die beslissing ligt het volgende ten grondslag.
6.2
Tussen partijen staat vast dat ten tijde van het uitbrengen van de spoedappeldagvaarding op 24 juni 2025, de overeenkomsten met de winnende inschrijvers (waartoe ook CSU behoort, zie hierna) nog niet waren gesloten. Haar oorspronkelijke vordering was op die situatie afgestemd. Met haar eiswijziging beoogt CSU aan te sluiten bij de gewijzigde feitelijke situatie dat de overeenkomsten zijn gesloten. Dat is toegestaan omdat zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat de rechter in hoger beroep oordeelt over een niet meer actuele situatie.
6.3
In de gewijzigde eis is de provisionele vordering niet meer opgenomen. Het hof had daaruit afgeleid dat CSU deze had ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CSU aangegeven dat zij die provisionele vordering niet had ingetrokken, maar dat zij zelf ook inzag dat die niet meer zou kunnen worden toegewezen. Het hof stelt vast dat de provisionele vordering is ingehaald door de werkelijkheid. Bovendien strekte de vordering ertoe om voor de duur van het geding in hoger beroep een voorziening te verkrijgen. Het hoger beroep komt met dit arrest ten einde, zodat ook om die reden de provisionele vordering niet meer toewijsbaar is.
6.4
CSU heeft gevraagd of het hof een oordeel kan uitspreken over het handelen van de Politie dat erop neer komt dat de behandeling van het hoger beroep niet is afgewacht. Het hof komt daaraan niet toe, omdat het geen relevantie heeft voor de vordering. Het staat een aanbestedende dienst in algemene zin vrij om nadat in eerste aanleg vonnis is gewezen, tot gunning van een opdracht over te gaan. Zoals ook in deze zaak is gebleken is het praktisch veelal niet mogelijk om in zo’n geval te komen tot een tijdige behandeling van een provisionele vordering. Ook voor die behandeling moet immers recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, zodat geïntimeerden de tijd moeten krijgen om verweer te voeren. En ook bij een (afzonderlijke) behandeling van de provisionele vordering, bestaat recht op een mondelinge behandeling die met meerdere partijen niet altijd op korte termijn is te plannen.
Spoedeisend belang
6.5
Het hof moet ambtshalve beoordelen of er bij de vordering (nog) spoedeisend belang bestaat. Nu CSU haar vordering heeft gewijzigd, is het die gewijzigde vordering waarvan het hof het spoedeisend belang moet beoordelen. De gewijzigde vordering strekt ertoe dat de gesloten overeenkomsten over drie jaar niet verlengd worden en dat alsdan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd. Bij die vordering bestaat duidelijk geen spoedeisend belang. CSU heeft gedurende de looptijd van de gesloten overeenkomsten voldoende gelegenheid om haar stellingen aan de bodemrechter voor te leggen. In zoverre is zij dus in haar vorderingen niet-ontvankelijk.
6.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft CSU naar voren gebracht dat de Politie op grond van artikel 9.3 van de overeenkomsten de opdrachten kan beëindigen wanneer zij niet kan instaan voor de rechtmatigheid van de overeenkomsten. Omdat de Politie dat op ieder moment kan doen, bestaat er volgens CSU een spoedeisend belang bij een oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de aanbestedingsprocedure.
6.7
Dat betoog ziet eraan voorbij dat CSU niet vordert dat de Politie de overeenkomsten beëindigt. Integendeel, in par. 1.8 van de akte wijziging eis voert CSU nadrukkelijk aan dat zij de keuze om de overeenkomsten al dan niet te beëindigen, aan de Politie laat. De vordering strekt er slechts toe om de overeenkomsten na ommekomst van de initiële looptijd van drie jaar, niet te verlengen en na afloop van die looptijd een nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren. Die vordering is niet spoedeisend.
6.8
De subsidiaire vordering strekt ertoe dat het hof een maatregel treft die het hof in goede justitie redelijk acht en die recht doet aan de belangen van CSU. Die vordering is te onbepaald om daaraan een spoedeisend karakter toe te kennen en biedt het hof ook niet de ruimte om de Politie te gebieden op korte termijn de overeenkomsten te beëindigen.
6.9
De conclusie van het voorgaande is dat CSU niet-ontvankelijk is in haar gewijzigde vordering.
Beoordeling met het oog op de proceskosten
6.1
Indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is, dient hij ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep.
6.11
CSU is in eerste aanleg veroordeeld in de kosten van het geding en de Politie heeft haar eerdere aanbod om af te zien van de betaling van haar proceskosten en bovendien de kosten van CSU te voldoen, ingetrokken. Dat betekent dat het hof uitsluitend met het oog op die proceskosten, moet beoordelen of de voorzieningenrechter de vorderingen van CSU in eerste aanleg terecht heeft afgewezen.
Belang bij de vordering
6.12
Het uitgangspunt van de in deze procedure aan de orde zijnde aanbesteding is dat een inschrijver maximaal twee percelen gegund zou kunnen krijgen (artikel 3.2 van de selectieleidraad). Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de Politie de vrijheid had om het aantal percelen dat maximaal aan één inschrijver kon worden gegund, te beperken. Die mogelijkheid is immers neergelegd in artikel 2.10 lid 3 van de Aanbestedingswet 2012 en volgt ook uit de preambule en artikel 46 van Pro Richtlijn 2014/24.
6.13
Aan CSU zijn twee percelen gegund. CSU heeft zich in dit geding niet op het standpunt gesteld dat aan haar andere percelen hadden moeten worden gegund, en welke. Zij heeft daarmee het beste resultaat behaald dat zij in de aanbesteding kon behalen. In zoverre bestond er ook in eerste aanleg al geen belang bij haar vordering en heeft de voorzieningenrechter die terecht afgewezen en CSU in de proceskosten veroordeeld.
Ten overvloede: fundamenteel gebrek en rechtsverwerking?
6.14
Bij beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Uit het Grossmann-arrest (HvJ EG 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93) moet worden afgeleid dat van een gegadigde aan een aanbesteding een proactieve houding mag worden verwacht. Zo wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd. Daarmee wordt daarnaast bereikt dat eventuele gebreken in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Op deze wijze is niet alleen het belang van de aanbestedende dienst gediend, maar ook het belang van de (andere) gegadigden en inschrijvers omdat daarmee bijvoorbeeld voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een aanbestedingsprocedure die niet aan de eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kan van een gegadigde worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure. Datzelfde geldt voor een inschrijver op de aanbesteding op grond van het leerstuk van rechtsverwerking.
6.15
In de jurisprudentie is aanvaard dat de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW Pro beheerst, meebrengt dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij zo een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen. Volgens CSU is de aanbestedingsprocedure in dit geval fundamenteel gebrekkig.
6.16
Het hof onderschrijft dat betoog niet. Inherent aan de maximering van het aantal te gunnen percelen per inschrijver, is dat een keuze moet worden gemaakt hoe de percelen worden verdeeld over de inschrijvers. Wanneer een inschrijver meer dan twee percelen wint, is het onvermijdelijk dat een of meer andere percelen worden gegund aan een inschrijver die op dat perceel of op die percelen niet de winnende inschrijving heeft gedaan. Dat er op perceelniveau dus wordt gegund aan een niet-winnende inschrijver is een onvermijdelijk gevolg van de toegestane keuze om het aantal percelen per inschrijver te maximeren. Een fundamenteel gebrek is dat niet.
6.17
Anders dan CSU stelt, is van strijd met het transparantiebeginsel geen sprake. De Politie heeft in aanbestedingsstukken duidelijk gemaakt dat er een maximum van twee percelen per inschrijver gold. Tevens is aangegeven dat de uiteindelijke verdeling plaatsvindt “op basis van lineair programmeren” (par. 2.1 Inschrijvingsleidraad). Daarbij is ook duidelijk gemaakt dat gekozen zal worden voor “de beste totaaloplossing” voor de Politie (par. 2.1.4 Inschrijvingsleidraad). In de situatie waarin per perceel maximaal 1.000 punten kunnen worden verkregen volgt daaruit in voldoende mate dat de Politie een verdeling zou maken waarbij de totaalscore van 10.000 punten zo dicht mogelijk benaderd zal worden. Dat laatste volgt ook voldoende duidelijk uit het antwoord op vraag 34 van de eerste Nota van Inlichtingen en uit Bijlage M die in het antwoord op vraag 214 is opgenomen.
6.18
CSU voert verder aan dat er een gebrek aan transparantie is omdat de toewijzing van de percelen afhankelijk is van de totaalscores van de verschillende inschrijvers op de verschillende percelen en van het aantal inschrijvers per perceel. Zij wijst erop dat de Politie die informatie tevoren niet heeft verstrekt. Nu zij ook onderkent dat de Politie die informatie tevoren niet kon verstrekken, ziet het hof niet in hoe dit een gebrek aan transparantie vormt.
6.19
Dat de Politie de door CSU gestelde ongelijkheid van de percelen niet heeft betrokken in de gunning, en dat ook niet zou doen, was al uit de aanbestedingsstukken duidelijk.
6.2
CSU heeft niet aangevoerd dat de gunning die heeft plaatsgevonden niet heeft geleid tot de voor de Politie “beste oplossing” in die zin dat de totaalscore het dichtst bij 10.000 punten ligt. Daarmee voldoet de gunning dus aan de opzet van de aanbesteding. De Politie heeft daarbij nog naar voren gebracht dat in die opzet besloten lag dat ook kleinere ondernemingen een kans zouden hebben om een perceel te winnen en dat de Politie niet afhankelijk wilde zijn van één opdrachtnemer. Ook dat zijn belangen die gediend mogen worden en die mede tot de conclusie leiden dat de uitkomst waarbij op perceelniveau niet het optimale resultaat wordt behaald, te rechtvaardigen is.
6.21
Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep van de Politie op rechtsverwerking slaagt. Met grief 2 maakt CSU ook niet duidelijk waarom dat oordeel op zich (dus afgezien van de vraag of de aanbesteding een fundamenteel gebrek bevat) onjuist is.
Conclusie en proceskosten
6.22
De conclusie is dat het hoger beroep van CSU niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal CSU als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.23
De provisionele vordering zal worden afgewezen. CSU wordt in de kosten van het geding inzake de provisionele vordering veroordeeld, maar die kosten worden begroot op nihil.
6.24
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito steeds op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • verklaart CSU niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep ingestelde vorderingen;
  • wijst de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juni 2025;
  • veroordeelt CSU in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito steeds begroot op € 3.433,-, ten aanzien van de Politie, Blue Facilitair en Asito vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als CSU deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als CSU niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, CSU de kosten van die betekening(en) moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, ten aanzien van de Politie, Blue Facilitair en Asito vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als CSU deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart de kostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. B.J. Lenselink en mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.