Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:945

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
22-000546-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis hennepteelt en stroomdiefstal met aangepaste straf en schadevergoeding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het telen en aanwezig hebben van een grote hennepkwekerij en het stelen van stroom. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de rechtbank Rotterdam, maar vernietigt de opgelegde straf en de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij.

De feiten dateren van ruim tien jaar geleden, wat samen met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn (ruim vijf jaar in hoger beroep) heeft geleid tot procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. De verdachte heeft een bedrag van € 2000 voldaan aan de energieleverancier Stedin Netbeheer B.V. tegen finale kwijting.

Het hof legt een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op met een proeftijd van één jaar, met aftrek van voorarrest. De straf is lager dan in eerste aanleg, mede vanwege de ouderdom van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gemaakte procesafspraken. De overige onderdelen van het vonnis worden bevestigd.

Uitkomst: De verdachte krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van één jaar en een betaling van € 2000 aan de benadeelde partij.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000546-24
Parketnummer: 10-680174-16
Datum uitspraak: 8 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 74 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2015 tot en met 10 maart 2016 te Oud-Beijerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Oud-Beijerland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2865 hennepplanten en/of ongeveer 2655 hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2015 tot en met 11 maart 2016 te Oud-Beijerland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin Netbeheer BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en/of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en voor wat betreft de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

Procesverloop
Bij brief van 25 september 2025 heeft het Openbaar Ministerie het hof in kennis gesteld van de inhoud van tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie gemaakte procesafspraken. Deze brief is ondertekend door de advocaat-generaal, de raadsman van de verdachte en de verdachte.
Hieruit blijkt dat de directe aanleiding om deze procesafspraken te maken was gelegen in de ouderdom van de feiten en het tijdsverloop in deze zaak, bezien in relatie tot de aard en ernst van de feiten in onderlinge samenhang.
De procesafspraken
De procesafspraken luiden als volgt:
1. In deze zaak kan een bewezenverklaring volgen conform het vonnis van de Rechtbank d.d. 23 oktober 2018;
2. Het Openbaar Ministerie eist voor de tenlastegelegde feiten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar;
3. De verdediging doet afstand van reeds ingediende onderzoekswensen en zal geen nadere en/of nieuwe onderzoekswensen indienen;
4. De verdachte zal een bedrag van € 2000,00 doen toekomen aan benadeelde partij Stedin Netbeheer B.V..
Het toetsingskader van de Hoge Raad: waarborging van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
Het hof overweegt hieromtrent in de onderhavige zaak als volgt.
De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig op de terechtzitting in hoger beroep. Vervolgens zijn de procesafspraken besproken met de verdachte en diens raadsman. Door de verdachte is uitdrukkelijk verklaard dat hij akkoord gaat met de procesafspraken en dat hij zich bewust is van de (rechts)gevolgen daarvan.
Op basis van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Het hof heeft zich er tevens van vergewist dat de verdachte door zijn raadsman adequaat is voorgelicht over de consequenties van de procesafspraken.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
Strafmotivering in de onderhavige zaak
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft samen met anderen in een bedrijfspand een grote, professioneel ingerichte, hennepkwekerij en -stekkerij opgezet en onderhouden. In dit pand hebben de verdachte en zijn mededaders ook een partij hennepplanten die van elders kwam geknipt en verder verwerkt ten behoeve van de verkoop. De verdachte heeft met zijn handelen een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de illegale productie van softdrugs. Hierbij heeft hij zich niet bekommerd om de risico’s daarvan voor de volksgezondheid en de schade voor de samenleving als gevolg van de (vermogens)criminaliteit die met hennepteelt gepaard gaat. Bovendien heeft de verdachte samen met anderen met de hennepkwekerij en -stekkerij een gevaarlijke situatie gecreëerd door het aftappen van stroom buiten de stroommeter om. Niet alleen de energiebedrijven worden daarmee benadeeld maar ook de consumenten aan wie de kosten uiteindelijk weer worden doorberekend. De verdachte heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en dit rekent het hof de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en na deze feiten ook niet voor soortelijke strafbare feiten met justitie in aanraking is gekomen.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft verantwoordelijkheid voor de feiten genomen, heeft afstand genomen van de feiten, is aan het werk en is inmiddels schuldenvrij.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt in beginsel de voorwaardelijke gevangenisstraf en de taakstraf zoals door de rechtbank opgelegd. Het hof neemt bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf in aanmerking dat de feiten zich meer dan tien jaar geleden hebben voorgedaan en dat het dus oude feiten betreft. Verder neemt het hof in aanmerking dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn is in eerste aanleg met ruim zeven maanden overschreden en in hoger beroep met ruim vijf jaren en vier maanden.
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de strafeis, die conform de procesafspraken is, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte conform de gemaakte procesafspraken tegen finale kwijting een bedrag van
€ 2000,00 aan de benadeelde partij Stedin Netbeheer B.V. heeft voldaan, waarna de vordering niet langer is gehandhaafd.
Daarom ziet het hof aanleiding de eis te volgen en aan de verdachte conform de procesafspraken en conform het bepaalde in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. J.W. van den Hurk en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 april 2026.