ECLI:NL:GHDHA:2026:9

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
200.356.818/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst met Penitentiair Inrichtingswerker na geweldsincident

In deze zaak heeft de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Justitie en Veiligheid, een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een Medior Penitentiair Inrichtingswerker, hierna [verweerder], vanwege zijn betrokkenheid bij een geweldsincident in privétijd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en een transitievergoeding van € 7.763,91 toegekend aan [verweerder]. De Staat is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing, met als argument dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan en de beslissing van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelde dat het gedrag van [verweerder] niet als 'ernstig verwijtbaar' kan worden gekwalificeerd, aangezien het geweldsincident zich buiten werktijd heeft voorgedaan en de omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. De kantonrechter had eerder al geoordeeld dat er geen sprake was van een voldragen e-grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het hof heeft de grieven van de Staat verworpen en de kosten van het hoger beroep aan de Staat opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.356.818/01
zaaknummer rechtbank Rotterdam: 11504849 VZ VERZ 25-350
beschikking van 13 januari 2026
in de zaak van
de STAAT DER NEDERLANDEN(de minister van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)/PI Rotterdam),
zetelend te Den Haag,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A.J. Verhagen, kantoorhoudend te Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonend te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. G. Akaröz, kantoorhoudend te Amsterdam.
Partijen worden hierna de Staat en [verweerder] genoemd.

1.De zaak in het kort

De Staat heeft bij de kantonrechter ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] verzocht. [verweerder] was in dienst als Medior Penitentiair Inrichtingswerker. De Staat legde aan dat verzoek ten grondslag dat [verweerder] in privétijd betrokken is geweest bij een geweldsincident, waarvoor hij door de strafrechter ook is veroordeeld. [verweerder] verweerde zich tegen het verzoek, omdat hij tegen de strafrechtelijke veroordeling hoger beroep heeft aangetekend en het hof nog niet heeft beslist op dat hoger beroep. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en aan [verweerder] de transitievergoeding toegekend. Tegen de toekenning van de transitievergoeding komt de Staat op in hoger beroep. Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter dat het gedrag van [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet ‘ernstige verwijtbaarheid’ in de zin van de wet oplevert en laat de beslissing tot toekenning van de transitievergoeding in stand.

2.Procesverloop in hoger beroep

De Staat is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 30 juni 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2025 onder bovenvermeld zaaknummer. De Staat heeft de processtukken in eerste aanleg overgelegd. Hij heeft het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg nagestuurd.
Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van [verweerder] ingekomen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
[verweerder] was sinds 7 januari 2019 in dienst van DJI. Zijn aanstelling werd met ingang van 1 januari 2020 van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanwege de invoering van de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren.
3.2.
De functie van [verweerder] was Medior Penitentiair Inrichtingswerker, tegen een bruto maandloon van € 3.166,35 exclusief 16,37% IKB-budget, bij een 36-urige werkweek.
3.3.
Op de arbeidsovereenkomst zijn van toepassing de cao Rijk, de Ambtenarenwet 2017, de Gedragscode Integriteit Rijk en de Gedragscode DJI.
3.4.
Op 10 juli 2021 heeft zich buiten werktijd van [verweerder] een geweldsincident voorgedaan, waarbij [verweerder] en zijn voormalige zwager (de ex-partner van zijn zus) betrokken waren. [verweerder] is die dag aangehouden en in bewaring gesteld omdat hij werd verdacht van poging tot doodslag dan wel (poging tot) zware mishandeling van zijn voormalige zwager. Nadat DJI hierover was geïnformeerd, heeft zij [verweerder] op 14 juli 2021 bericht dat hij gedurende zijn detentie geen recht had op loon. De voorlopige hechtenis van [verweerder] is vervolgens geschorst per 27 augustus 2021, waarop DJI [verweerder] heeft geschorst en de loonbetaling heeft hervat, in afwachting van de beslissing in de strafzaak. Sindsdien heeft de DJI [verweerder] het volledige loon doorbetaald.
3.5.
Op 27 november 2024 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank [verweerder] voor zijn handelen op 10 juli 2021 veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en hem van het overige tenlastegelegde vrijgesproken. Het door hem gedane beroep op (putatief) noodweer(exces) is niet gehonoreerd. [verweerder] is veroordeeld tot 49 dagen gevangenisstraf (die hij al in voorlopige hechtenis had doorgebracht), een taakstraf van 240 uur en betaling van een schadevergoeding van € 2.500,- aan zijn ex-zwager. [verweerder]
heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op dat hoger beroep heeft het hof nog niet beslist.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
In eerste aanleg heeft de Staat de kantonrechter verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Hij heeft verzocht bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn dan wel, subsidiair, rekening te houden met de duur van de procedure. Verder is verzocht te bepalen dat [verweerder] geen aanspraak heeft op de transitievergoeding. Ook heeft de Staat een beslissing over de proceskosten verzocht.
4.2.
[verweerder] heeft in eerste aanleg geconcludeerd tot afwijzing van het ontbindingsverzoek. Subsidiair heeft hij verzocht om wedertewerkstelling. Meer subsidiair heeft hij toekenning van een transitievergoeding verzocht (met wettelijke rente). [verweerder] heeft ten slotte een beslissing over de proceskosten gevraagd.
4.3.
De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 mei 2025 en de Staat veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 7.763,91 bruto (met wettelijke rente). De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd en al het andere afgewezen. Op de inhoud van de beslissingen van de kantonrechter zal het hof voor zover nodig voor de beoordeling van het hoger beroep nader ingaan.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
Tegen de beschikking van de kantonrechter komt de Staat op met vier grieven. In het petitum van het beroepschrift verzoekt de Staat (1) een verklaring voor recht dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van de zogeheten e-grond (artikel 7:669 lid 3 sub e BW) door in de nacht van 9 op 10 juli 2021 geweld te gebruiken jegens zijn ex-zwager, (2) een verklaring voor recht dat geen transitievergoeding verschuldigd is wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder], en (3) veroordeling van [verweerder] tot terugbetaling van de transitievergoeding van € 7.763,91 (bruto) met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.
5.2.
Het verweerschrift van [verweerder] in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen en het door de Staat in hoger beroep meer of anders verzochte zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.
5.3.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
5.4.
De kantonrechter heeft eerst beoordeeld of het ontbindingsverzoek van de Staat toewijsbaar was op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Hij is daarbij tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een voldragen e-grond, ook als vaststaand moet worden aangenomen dat [verweerder] zich op 10 juli 2021 gewelddadig heeft gedragen. [verweerder] heeft in dat geval niet overeenkomstig de Gedragscode DJI gehandeld. Het handelen die dag heeft echter geheel buiten de werksituatie en in privétijd plaatsgevonden. Daarom kan onder de gegeven omstandigheden niet gezegd worden dat [verweerder] in het kader van de arbeidsverhouding zodanig (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld dat daarom van DJI in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, aldus steeds de kantonrechter.
5.5.
De kantonrechter heeft vervolgens beoordeeld of het ontbindingsverzoek toewijsbaar was op de zogeheten g-grond (een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die van dien aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij het dienstverband laat voortduren). De kantonrechter is daarbij tot de slotsom gekomen dat hier sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Hij heeft het ontbindingsverzoek van de Staat toegewezen op de g-grond.
5.6.
De kantonrechter heeft verder het volgende, samengevat, geoordeeld over de transitievergoeding. Uitgangspunt is dat [verweerder] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst recht heeft op de transitievergoeding. Dat is slechts anders als het einde van de arbeidsrelatie het gevolg is van érnstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. Daarvan is hier geen sprake, zoals de kantonrechter al eerder had geoordeeld (zie hiervóór onder 5.4). De kantonrechter heeft hierbij betrokken dat volgens de wetsgeschiedenis en rechtspraak de lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen hoog ligt en daarvan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is. Die hoge lat wordt in dit geval niet gehaald. De kantonrechter heeft daarom de wettelijke transitievergoeding toegewezen.
5.7.
De Staat heeft grieven gericht tegen de rechtsoverwegingen 5.5 en 5.7 van de beschikking van de kantonrechter (de grieven 1 t/m 3). In deze rechtsoverwegingen heeft de kantonrechter het beroep van de Staat op de e-grond beoordeeld. Het hof is van oordeel dat de Staat onvoldoende belang heeft bij bespreking van deze grieven. Zoals hierna zal blijken, komt het hof tot de conclusie dat de beslissing van de kantonrechter tot toewijzing van de transitievergoeding aan [verweerder] juist is. Een eventueel andersluidend oordeel in hoger beroep over de e-grond (als primaire grondslag van het ontbindingsverzoek) zou daarin geen verandering brengen. De Staat heeft in het petitum van het beroepschrift een verklaring voor recht verzocht dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van, kort gezegd, de e-grond. De Staat heeft echter niet uit de doeken gedaan welk zelfstandig belang hij daarbij heeft. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de Staat bovendien, daarnaar gevraagd door het hof, gezegd dat er geen speciale reden is waarom is gekozen voor (onder meer) deze verklaring voor recht.
5.8.
In dit hoger beroep staat dus uitsluitend ter beoordeling of aan [verweerder] de transitievergoeding van € 7.763,91 bruto toekomt.
5.9.
Als gezegd, is het hof het met de beslissing van de kantonrechter tot toewijzing hiervan eens. Dat geldt ook als het hof met de kantonrechter veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat [verweerder] zich op 10 juli 2021 gewelddadig heeft gedragen. Het hof licht dat hierna toe.
5.10.
Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat de rechter terughoudend moet zijn met het aannemen van ernstige verwijtbaarheid en dat daarvan slechts sprake is in duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werknemerschap. Bij de in dat kader genoemde voorbeelden is onder andere gedacht aan de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt. Het hof realiseert zich dat het hiervoor veronderstellenderwijs als vaststaand heeft aangenomen dat [verweerder] zich gewelddadig heeft gedragen en dat [verweerder] in dat geval heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedragscodes. Ook dan behoren de omstandigheden van het geval te worden betrokken bij de waardering van de ernst van het verwijt.
5.11.
Duidelijk is dat al geruime tijd een conflictsituatie tussen de zus van [verweerder] en haar ex-partner bestond. Er zijn aanwijzingen dat [verweerder], rijdend op zijn fiets, van achteren werd aangereden door de auto die werd bestuurd door de ex-zwager. Aannemelijk is dat [verweerder] als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Dat een en ander tot een heftige emotionele reactie van [verweerder] heeft geleid, acht het hof invoelbaar. Onder deze omstandigheden merkt ook het hof de gedraging van [verweerder] niet aan als ernstig verwijtbaar handelen in de hiervóór bedoelde zin. Dat zou mogelijk anders zijn indien aanwijzingen zouden bestaan dat [verweerder] zich hieraan vaker schuldig had gemaakt of te vrezen zou zijn dat hij zulk gedrag in de toekomst zou herhalen, maar een en het ander doet zich hier niet voor. Het hof weegt ten slotte mee dat de gebeurtenissen zich hebben voorgedaan in de privésfeer. Hiermee is niet gezegd dat gedrag in de privésfeer er niet toe doet. Wél dat, als het gedrag van [verweerder] zich zou hebben voorgedaan binnen de inrichting, de beoordeling mogelijk anders zou zijn geweest.
5.12.
Het hof komt tot de conclusie dat de grieven van de Staat geen succes hebben.
5.13.
Het hof wijst het bewijsaanbod van de Staat als te vaag van de hand.
5.14.
De bestreden beschikking zal daarom worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst moet de Staat worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. [verweerder] heeft weliswaar verzocht de Staat te veroordelen in de kosten van beide instanties, maar daarvoor bestaat geen grond.
5.15.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op:
griffierecht € 362,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.968,-.
Het hof zal de verzochte wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en wijst de verzoeken van de Staat in hoger beroep af;
veroordeelt de Staat in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [verweerder] op € 2.968,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan;
bepaalt dat als de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, H.J. van Harten en F.J. Verbeek, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.