Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Beoordeling in hoger beroep
.
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak heeft de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Justitie en Veiligheid, een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een Medior Penitentiair Inrichtingswerker, hierna [verweerder], vanwege zijn betrokkenheid bij een geweldsincident in privétijd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en een transitievergoeding van € 7.763,91 toegekend aan [verweerder]. De Staat is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing, met als argument dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan en de beslissing van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelde dat het gedrag van [verweerder] niet als 'ernstig verwijtbaar' kan worden gekwalificeerd, aangezien het geweldsincident zich buiten werktijd heeft voorgedaan en de omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. De kantonrechter had eerder al geoordeeld dat er geen sprake was van een voldragen e-grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het hof heeft de grieven van de Staat verworpen en de kosten van het hoger beroep aan de Staat opgelegd.