Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 26 juni 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023;
- het arrest van dit hof van 3 oktober 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast (deze is niet gehouden);
- de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
[naam dochter 1] , [adres 2]”. Het betrof een offerte voor het leveren en installeren van ventilatie, verwarming, sanitair- en loodgieterswerk (hierna samen kortweg aangeduid als: loodgieterswerk) voor een totaalbedrag van € 33.673,19. De offerte heeft nummer [offertenummer] . [geïntimeerde] heeft deze offerte op 9 augustus 2021 bij [naam dochter 1] thuis ( [adres 2] ) besproken met [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [appellante] was daar niet bij.
1e termijn akkoord van offerte 20%” gestuurd naar “
[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze factuur is op 1 november 2021 betaald vanaf de rekening van [bedrijf] .
2e termijn 20% van de werkzaamheden t.b.v. offerte nr. [offertenummer]” gestuurd naar “
[adres 1] , t.a.v. [naam dochter 1] , [adres 1]”. Deze is betaald vanaf de rekening van [bedrijf] op 10 januari 2022.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Vaststelling van feiten
haarde in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst heeft gesloten en [geïntimeerde] dat heeft betwist, zal het hof beoordelen of [geïntimeerde] inderdaad de loodgieterswerkovereenkomst met [appellante] is aangegaan.
[naam dochter 1] , [adres 2], en dat het in dit geding gaat om de naar aanleiding van deze offerte gesloten loodgieterswerkovereenkomst.
nietpartij was. [naam 1] heeft over die eerdere overeenkomst verklaard, dat zij persoonlijk [geïntimeerde] heeft gevraagd zaken in het Pand te slopen en dat zij ( [naam 1] ) daar de facturen voor heeft betaald. Aan [geïntimeerde] is vervolgens kenbaar gemaakt dat [appellante] de facturen voor het slopen in haar Pand niet zal betalen omdat [appellante] geen sloopovereenkomst met [geïntimeerde] had gesloten. Dat het Pand eigendom was van [appellante] en dat [naam 1] daar voor [appellante] aan het slopen was, betekende dus
nietdat [geïntimeerde] [appellante] moest beschouwen als contractspartij. Het valt zonder nadere uitleg (die niet is gegeven) niet in te zien waarom [geïntimeerde] dat bij de in geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst anders had moeten begrijpen dan bij de overeenkomst voor de sloopwerkzaamheden in hetzelfde Pand.
zelfrond het sluiten van de overeenkomst aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij daarvoor een volmacht aan [naam dochter 1] (of aan [naam dochter 1] en [naam dochter 2] ) had gegeven of zou geven. [appellante] is niet degene die naar aanleiding van de offerte gesprekken met [geïntimeerde] heeft gevoerd en contact met [geïntimeerde] over de loodgieterswerkopdracht heeft gehad.
zij, of één van hen, de daarvoor benodigde overeenkomst met [geïntimeerde] sloten.
opdrachtgever van het pand” valt op zichzelf redelijkerwijs ook niet af te leiden dat [appellante] opdrachtgever van
[geïntimeerde]was (en niet van haar dochter(s) of andere betrokkenen). Overigens kan uit deze verklaring, indien juist, wel blijken dat pas later (“
Achteraf” met “
Vanaf dat moment”) aan [geïntimeerde] duidelijk is gemaakt dat [appellante] “
opdrachtgever van het pand” was.
hunleiding en verantwoordelijkheid in het Pand van [appellante] plaatsvonden.
nietvalt af te leiden dat aan [geïntimeerde] kenbaar is gemaakt dat [appellante] de contractspartij van [geïntimeerde] was of werd bij de loodgieterswerkovereenkomst. Een uitdrukkelijke volmacht is nooit in bijzijn van [geïntimeerde] afgegeven en [naam dochter 1] en [naam dochter 2] konden [appellante] ontlasten door zelf (als partij) met [geïntimeerde] overeenkomsten te sluiten (dus door haar honneurs ook in dat opzicht waar te nemen).
nietdoor [appellante] geïnitieerd, maar, via [naam 1] , door [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [naam dochter 2] heeft hierover op 12 februari 2024 schriftelijk verklaard dat zij en [naam dochter 2] zich verplicht voelden om [geïntimeerde] de opdracht te geven voor loodgieterswerk.
aan haar( [appellante] ) een offerte zou uitbrengen. In de overgelegde WhatsApp-conversaties bracht [naam dochter 1] haar moeder, [appellante] , alleen ter sprake wanneer er iets anders bij [appellante] in haar woonhuis moest gebeuren (afzuigkap, keukenkraan) wat buiten de in het geding zijnde loodgieterswerkovereenkomst viel (en daarvan begreep [geïntimeerde] dat dat voor [appellante] was; zo berichtte hij bijvoorbeeld op 29-05-2021 aan [naam dochter 1] dat hij
[appellante]had geadviseerd).
[naam dochter 1]betrokken was bij de werkzaamheden in het Pand, dat
[naam dochter 1]en niet [appellante] jegens [geïntimeerde] de beslissingen nam over, of zorg droeg voor, uitvoeringswerk (bak voor sloopmateriaal, zonneschermen, etc.) en dat
[naam dochter 1], niet [appellante] , [geïntimeerde] op de hoogte bracht van de goedkeuring van de vereniging van eigenaars en hem opdroeg wat hij voor de vereniging van eigenaars bij de architect moest benadrukken. [naam dochter 2] berichtte op 11-11-2021 dat zij ( [naam dochter 2] , “
ik”) toestemming had van de vereniging voor eigenaren voor een offerte; [appellante] noemt zij niet. In de WhatsApp-conversaties staat niets over toestemming van [appellante] , advisering aan [appellante] of betrokkenheid van [appellante] bij de inhoud van de loodgieterswerkovereenkomst met [geïntimeerde] . Berichten die zouden kunnen duiden op het vertegenwoordigen van [appellante] bij het gaan sluiten van de loodgieterswerkovereenkomst, zijn in de overgelegde WhatsApp-conversaties nergens te vinden. [naam dochter 1] corrigeerde [geïntimeerde] ook niet, toen die op 01-04-2021 schreef: “
Hoi [naam dochter 1] , (…) Ik ben al drukvoor jebezig met uitzoeken” en: “
dus ik ga mijn best doen om voor het eind van de week een offerte neer te kunnen leggenbij jegoed?” of toen hij op 18-08-2021 over een wtw-installatie schreef: “
misschien kan ikjeuitleggen wat hier de voordelen en de nadelen van zijn” en: “
ik hoopjegenoeg geïnformeerd te hebben” [onderstrepingen hof].
[naam dochter 1] , [adres 2]”, de offerte heeft de aanhef ‘
Geachte mevrouw [naam]’ in enkelvoud en [appellante] is niet in de offerte genoemd. De offerte is duidelijk en ondubbelzinnig alleen gericht aan [naam dochter 1] . De dag daarna, op 22 juni 2021, schreef [naam dochter 1] in de WhatsApp-conversatie met [geïntimeerde] : “
Heel erg bedankt voor je offerte,ikkom er volgende week even op terug.” en “
Ik heb het deze week nog even druk, maar ga hier volgende week mee aan de slag met mijn zus. Je hoort van me!” [onderstreping hof]. De naam ‘ [appellante] ’ of ‘moeder’ valt niet. Uit het schrijven kan wel worden afgeleid dat [naam dochter 1] samen met [naam dochter 2] met de offerte aan de slag zou gaan, maar niet dat ook [appellante] daaraan mee zou doen. [naam dochter 1] schreef ook toen niet aan [geïntimeerde] dat zij was gevolmachtigd door haar moeder of haar moeder zou vertegenwoordigen (dit schreven [naam dochter 1] en [naam dochter 2] nergens). Zij schreef zelfs niet dat ze eerst met haar moeder moest overleggen, dat [appellante] met de offerte aan de slag zou gaan of dat [appellante] deze moest accorderen.
Wij lopen nu even in het pand(…) “
Mijn moeder wilde het even zien”. Het ‘even willen zien’ past bij een eigenaar die niet zelf opdrachtgever is. [naam dochter 2] bedankte [geïntimeerde] op 06-12-2021 voor suggesties en vermeldde dat zij daar aankomend weekend “
ook namens mijn zus” op zou reageren. Zij vermeldde niet dat zij daar namens
[appellante]op zou reageren.
Adres voor de factuur appartementen [adres 1]”. Dat de facturen ook een andere
tenaamstellingdan de offerte ( [appellante] in plaats van [naam dochter 1] ) moesten krijgen, verzocht [naam dochter 1] toen niet. [appellante] (of ‘mijn moeder’) noemde zij niet. Het gewijzigde adres was het adres waar de geoffreerde loodgieterswerkzaamheden zouden plaatsvinden; het zegt niets over wie de contractspartij is. [naam dochter 1] gaf desgevraagd op 18-10-2021 op dat de facturen niet naar haar privé email-adres moesten gaan, maar naar het email-adres [naam email-adres] . Zij vroeg echter niet om een andere tenaamstelling en berichtte ook niet dat het emailadres van [appellante] of van een bedrijf van (alleen) [appellante] was of dat de facturen dan bij [appellante] terecht zouden komen. Een KVK- of btw-nummer kon ze niet direct geven omdat die bij haar zusje, niet bij [appellante] , lagen. Dat het later door haar genoemde bedrijf Confianza alleen voor [appellante] handelde, valt ook nergens uit af te leiden (daargelaten of dat een omstandigheid kan zijn waaruit een andere contractspartij zou kunnen volgen).
Ikmoet even nog een nieuwe rekening openen (…). Dan zalikde betaling doen”, op 29-10-2021“
Komt goed,ikga het anders gewoon al overmaken uit de holding” en op 01-11-2021: “
Is overgemaakt hoor uit de holding”. Ook het verzoek van [geïntimeerde] op 08-01-2022 om de 2e termijn te betalen, beantwoordde [naam dochter 1] met het bericht: “
Dat zalikmorgen even overmaken” en op 09-01-2022 met: “
Wil jemijeven een nieuw factuurnummer sturen dan maakiknu gelijk de volgende 20% over” [onderstrepingen hof]. Met dit een en ander maakte [naam dochter 1] aan [geïntimeerde] kenbaar dat zij zelf de betalingen zou doen. [naam dochter 2] berichtte op 28-12-2021 aan [geïntimeerde] : “
als jij de nieuwe offerte hebt gestuurd zullenmijn zus en ikhet tweede termijn à 20% overmaken” [onderstreping hof]. Ook zij berichtte niet dat
[appellante]iets zou betalen. Uit de betalingen is niet af te leiden dat [appellante] partij bij de overeenkomst was.
alle betrokkenen” bij de verbouwing van het Pand was aangemaakt, was [appellante] niet toegevoegd. [appellante] wordt in deze groep niet genoemd. [naam dochter 2] berichtte over “
[naam dochter 1] en ik” en meldde dat [naam 2] bereid is “
voor ons” werkzaamheden uit te voeren. ‘ [appellante] ’, ‘volmacht’ of ‘vertegenwoordiging’ kwam niet in deze groeps-conversatie aan de orde. Een contract met [appellante] valt dus niet uit de berichten in de WhatsApp-groep af te leiden.
wij nooit opdracht voor hebben gegeven. (…) Daar zijn mijn zus en ik niet van gediend.” Dat [appellante] opdracht had gegeven of ergens niet van gediend was, werd niet vermeld. Vervolgens berichtte
[naam dochter 2]dat [geïntimeerde] niet meer hoefde terug te komen en verwijderde
[naam dochter 1]hem uit de groep van betrokkenen bij de verbouwing van het Pand. Er is nergens uit af te leiden dat [appellante] hieraan te pas moest komen omdat zij de opdrachtgeefster van [geïntimeerde] was.
voor iedereen duidelijk” was dat [geïntimeerde] met [appellante] contracteerde. In hoger beroep heeft [appellante] meerdere schriftelijke verklaringen overgelegd van betrokkenen die desgevraagd uitdrukkelijk antwoorden niet te weten met wie [geïntimeerde] de loodgieterswerkovereenkomst had gesloten ( [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ). [naam 3] schreef in zijn brief van 2 augustus 2022 over door hem uitgevoerde werkzaamheden in het Pand dat daarnaast een gat is geboord aan de [naam straat] , “
bij de opdrachtgever thuis”, daarbij dus doelend op [naam dochter 1] , niet op [appellante] . Anderen verklaren slechts dat de werkzaamheden met toestemming van [appellante] zijn uitgevoerd omdat zij de eigenaar van het Pand is ( [betrokkene 5] ) of dat [geïntimeerde] het werk “
voor [appellante]” deed of “
diende” ( [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ), wat niet bepalend is voor de vraag wie de overeenkomst met [geïntimeerde] sloot. Al op 9 februari 2022 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aan “
mevrouw [naam dochter 1] en mevrouw [naam dochter 2]” laten weten dat tussen hen en [geïntimeerde] overeenkomsten zijn gesloten in de zin van artikel 7:750 BW Pro (aanneming van werk).
.
7.Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023;
- veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.389,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.