Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[huisartsenpraktijk],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- het beroepschrift van 23 juni 2025, waarbij [verzoekster] in beroep is gekomen tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van 2 april 2025 (hierna ook: de beschikking), met bijlagen;
- het verweerschrift van [verweerder] , met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
Zonder enig overleg jouw taken als praktijkmanager neergelegd.
Uitvoerig lopen ventileren dat je hier niet meer wil werken, tenminste niet, wanneer ondergetekende ook aanwezig zou zijn.
De bedrijfsvoering moedwillig gedwarsboomd;
Opruiende berichten in de groepsapp hebt geplaatst.
Het eerst op handen gedragen worden en van de een op andere dag niets meer aan
Mijn schorsing, dat vond ik ronduit vernederend. Een actie om te laten zien dat jij de baas bent. 10 jaar lang behandelde je mij gelijkwaardig en tijdens de schorsing heb je me op een zo vervelende manier op mijn plek gezet. Die vete tussen ons had niets te maken met mijn werkuitvoering.
Jij vond de schorsing normaal, terwijl ik het verre van fatsoenlijk vond. Volgens de CAO was de schorsing ook nog eens onterecht en ongegrond. (…) Ik loop er tegenaan dat ik geen excuus krijg van jou hierover en met een advocaat een zaak ervan maken kost enorm veel geld. Er staat niemand boven jou, niemand tikt jou op de vingers.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Verzoek in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
transitievergoeding
ernstigverwijtbaar zou moeten worden aangemerkt, zou het verzoek van [verzoekster] toewijsbaar zijn. Het hof is van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden (de verbroken affectieve relatie, die maakt dat verdere samenwerking onmogelijk is gebleken) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoekster] na het einde van het dienstverband met lege handen zou komen te staan. Zeker omdat [verweerder] zich ook overigens geen goed werkgever heeft betoond. Zo heeft [verweerder] aanvankelijk geweigerd een getuigschrift af te geven aan [verzoekster] en betaalde hij niet langer het volledige salaris uit. Ook heeft [verweerder] in de laatste maand van haar dienstverband [verzoekster] wederom geschorst, ditmaal voor een periode van maar liefst vier weken, wederom in strijd met voornoemde cao-bepalingen.
7.Beslissing
- veroordeelt [verweerder] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, in totaal begroot op € 4.032,-;
- bepaalt dat als [verweerder] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [verweerder] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.