Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 22 mei 2025 (met bijlagen), waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025, en waarin de grieven tegen dat vonnis zijn opgenomen;
- de memorie van antwoord van de Staat, met bijlage;
- de bijlage (productie 2) die de Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
- de hierna onder 2.2 genoemde stukken.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de voorzieningenrechter
- primair: verwijdering van de GVM-lijst;
- subsidiair: afschaling van het toegekende risicoprofiel van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’.
5.Vordering in hoger beroep
- Grief 1 luidt dat de SF niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat voldaan is aan criteria A en B. Aan criterium A is niet voldaan gelet op het beperkte strafrestant en de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling vanaf mei 2028. Bovendien heeft het OM aangegeven dat hij niet zal worden onderworpen aan een andere strafrechtelijke vervolging en is er ook geen actuele informatie bekend die wijst op een (“hoog”) risico op vluchtgevaar. Aan criterium B is evenmin voldaan. Uit de stukken blijkt dat hij zich buitengewoon goed gedraagt en zich aan de afspraken en regels houdt.
- Grief 2 houdt in dat ten onrechte het risicoprofiel ‘hoog’ is toegekend, terwijl de PI Leeuwarden al op 11 september 2024 heeft aangegeven dat een afschaling voor de hand lag en er daarna niet is gebleken van redenen om het risicoprofiel ‘hoog’ te handhaven. Er bestaat belang bij afschaling omdat bij risicoprofiel ‘verhoogd’ (i) plaatsing in een gunstigere inrichting mogelijk wordt, (ii) er in de regel ook minder ingrijpende toezichtmaatregelen worden opgelegd en (iii) verwijdering van de GVM-lijst eerder mogelijk wordt omdat het beleid is dat verwijdering moet worden voorafgegaan door afschaling van ‘hoog’ naar ‘verhoogd’.
6.Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid
.
7.Beslissing
- i) bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2025;
- ii) veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 4.241,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- iii) bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 89, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- iv) verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.