Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:576

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.356.890/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:639 lid 1 BWArt. 7:641 lid 1 BWArt. 7:645 BWArt. 7:653 lid 4 BWArt. 7:669 lid 3 onder e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst en vergoedingen bij langdurige detachering in het buitenland

De werknemer trad in 1998 in dienst bij Bolidt en werd in 2001 op verzoek van Bolidt gedetacheerd bij een zustervennootschap in de Verenigde Staten, Bolidt Cruise Control Corporation (BCC). Ondanks het sluiten van een arbeidsovereenkomst met BCC bleef de arbeidsovereenkomst met Bolidt volgens het hof bestaan, mede door de nauwe verwevenheid tussen Bolidt en BCC en het feit dat Bolidt zich ook na 2001 als werkgever gedroeg.

De werknemer keerde in 2020 terug naar Nederland en hervatte zijn werkzaamheden bij Bolidt. Na arbeidsongeschiktheid in 2022 werd de arbeidsovereenkomst door BCC opgezegd, maar het hof oordeelde dat deze opzegging niet de arbeidsovereenkomst met Bolidt beëindigde. Diverse vorderingen van de werknemer, waaronder loonbetaling, transitievergoeding, billijke vergoeding en tantième, werden grotendeels toegewezen.

Bolidt stelde dat de arbeidsovereenkomst in 2001 was geëindigd en voerde diverse grieven aan, waaronder over de hoogte van vergoedingen en het bestaan van de arbeidsovereenkomst. Het hof verwierp deze grieven, oordeelde dat Bolidt ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat zij geen beroep kan doen op het non-concurrentiebeding. Enkele geschilpunten, zoals de omvang van het tantième en pensioenvoorzieningen, blijven aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de arbeidsovereenkomst met Bolidt bleef bestaan, wijst diverse vergoedingen toe en houdt enkele geschilpunten aan voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team handel
Zaaknummer : 200.356.890/01
Zaaknummer rechtbank : 10487907 HA VERZ 23-34
Beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
Bolidt Kunststoftoepassing B.V.,
gevestigd in Alblasserdam,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.A. Tan, kantoorhoudende in Rotterdam,
tegen:
[verweerder],
wonend in [woonplaats],
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.C. Roza, kantoorhoudende in Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna Bolidt en [verweerder] noemen.

1.De zaak in het kort

De werknemer is in 1998 bij Bolidt in dienst getreden. Hij is op verzoek van Bolidt in 2001 voor een zustervennootschap in de Verenigde Staten gaan werken. In 2020 is de werknemer teruggekeerd naar Nederland en heeft daar zijn werkzaamheden voortgezet. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of Bolidt al die tijd de werkgever van de werknemer is gebleven.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 30 juni 2025, waarmee Bolidt in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende in Dordrecht, van 31 maart 2025, met bijlage;
  • het verweerschrift in hoger beroep van [verweerder], tevens verzoekschrift in incidenteel hoger beroep, met bijlagen;
  • het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van Bolidt, met bijlagen.
2.2
Op 11 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feiten en procesverloop bij de kantonrechter

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
[verweerder] is in 1998 bij Bolidt in dienst getreden.
Bolidt heeft [verweerder] in 2000 heeft gevraagd naar Miami in Amerika te gaan om aldaar het in 1999 opgerichte Bolidt Cruise Control Corporation (BCC) te exploiteren en uit te bouwen. [verweerder] heeft dat vanaf januari/februari 2001 gedaan.
[verweerder] heeft per 1 juni 2001 een arbeidsovereenkomst met BCC gesloten.
In 2020 is [verweerder] teruggekeerd naar Nederland en heeft hij zijn werkzaamheden thuis en op kantoor van Bolidt voortgezet.
[verweerder] is in april 2022 arbeidsongeschikt geworden.
BCC heeft bij brief van 2 februari 2023 de arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgezegd.
3.2
[verweerder] heeft een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter. Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft hij verzocht: (a) een verklaring voor recht dat er tussen hem en Bolidt een arbeidsovereenkomst bestaat, (b) vernietiging van de opzegging van 2 februari 2023, (c) veroordeling van Bolidt tot doorbetaling van salaris en (d) veroordeling van Bolidt tot betaling van achterstallige tantièmes.
3.3
Bolidt heeft de verzoeken van [verweerder] weersproken. Zij heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat er een arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] bestaat. Bolidt heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden en te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3.4
Voor het geval de kantonrechter het ontbindingsverzoek zou toewijzen, heeft [verweerder] verzocht om een transitievergoeding van € 534.584,25 bruto, een billijke vergoeding van € 2,5 miljoen bruto en vernietiging van het non-concurrentiebeding en het relatiebeding. Verder heeft [verweerder] de kantonrechter verzocht om voor recht te verklaren dat hij gedurende de gehele periode van arbeidsongeschiktheid recht heeft op 100% doorbetaling van loon.
3.5
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter (voor zover relevant):
  • voor recht verklaard dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder];
  • de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025 ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhoudingen;
  • voor recht verklaard dat [verweerder] tijdens arbeidsongeschiktheid gedurende het eerste ziektejaar recht heeft op 100% doorbetaling van zijn laatstverdiende loon en gedurende het tweede ziektejaar op 70% van het maximum premieloon;
  • Bolidt veroordeeld tot doorbetaling van loon aan [verweerder] over de periode van 1 maart 2023 tot en met 31 juli 2025, met dien verstande dat Bolidt:
o over de periode 1 maart 2023 tot en met 24 april 2023 gehouden is tot betaling van het bruto-equivalent van € 12.598,94 netto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag;
o over de periode 25 april 2023 tot en met 24 april 2024 gehouden is tot betaling van € 3.605,32 bruto per vier weken;
o over de periode 25 april 2024 tot en met 1 januari 2025 geen loon verschuldigd is;
o en over de periode 2 januari 2025 tot en met 31 juli 2025 gehouden is tot betaling van het bruto-equivalent van € 12.598,94 netto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag;
  • Bolidt veroordeeld om, voor zover zij uit hoofde van haar loondoorbetalingsverplichting over de periode van maart 2023 tot en met 31 maart 2025 minder heeft betaald dan waartoe zij uit hoofde van de beschikking is gehouden, aan [verweerder] de wettelijke verhoging van 15% te betalen en de wettelijke rente daarover te betalen vanaf de dag van opeisbaarheid van de respectieve bedragen tot de dag van algehele voldoening;
  • Bolidt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 234.127,27 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
  • Bolidt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 150.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
  • voor recht verklaard dat Bolidt geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen non-concurrentie- en relatiebeding, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Bolidt als bedoeld in art. 7:653 lid 4 BW Pro;
  • Bolidt veroordeeld in de proceskosten.
3.6
De beslissing over het verzoek van [verweerder] ter zake van de tantièmes heeft de kantonrechter aangehouden. De kantonrechter heeft daarover overwogen dat [verweerder] over de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak heeft op tantième, maar over de jaren 2016, 2021 en 2022 niet. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over de hoogte van het tantième uit te laten.

4.Verzoeken in hoger beroep

4.1
Bolidt heeft verzocht de bestreden beschikking op de volgende onderdelen te vernietigen:
  • het oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder];
  • de veroordeling van Bolidt tot doorbetaling van het salaris van [verweerder] zoals beschreven met uitzondering van het oordeel dat Bolidt over de periode van 25 april 2024 tot en met 1 januari 2025 geen loon aan [verweerder] verschuldigd is;
  • het oordeel dat Bolidt aan [verweerder] tantième verschuldigd is;
  • de ontbinding door de kantonrechter per 1 augustus 2025 voor zover deze is gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding in plaats van verwijtbaar handelen van [verweerder];
  • de veroordeling van Bolidt tot betaling aan [verweerder] van € 234.127,27 bruto aan transitievergoeding, € 150.000,- bruto aan billijke vergoeding en € 1.221,- aan proceskosten;
  • de verklaring voor recht dat Bolidt aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding en relatiebeding geen rechten meer kan ontlenen, nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Bolidt;
  • de veroordeling van Bolidt om aan [verweerder] de wettelijke verhoging van 15% te betalen.
4.2
In principaal appel heeft [verweerder] de grieven van Bolidt betwist. In incidenteel appel heeft [verweerder] geconcludeerd:
  • tot vernietiging van het oordeel dat [verweerder] gedurende het tweede jaar van ziekte slechts recht heeft op € 3.605,32 bruto per vier weken (70% van het maximum premieloon) en in plaats daarvan voor recht te verklaren dat [verweerder] gedurende het tweede ziektejaar recht heeft op 100% dan wel 70% van zijn laatstgenoten loon;
  • tot vernietiging van het oordeel dat de transitievergoeding op een bedrag van € 234.127,27 moet worden vastgesteld en de transitievergoeding alsnog vast te stellen op een bedrag van € 368.679,32 bruto;
  • tot vernietiging van het oordeel dat de billijke vergoeding op € 150.000,- bruto wordt vastgesteld en de billijke vergoeding alsnog vast te stellen op een bedrag van € 2.500.000,- bruto;
  • tot vernietiging het oordeel dat de wettelijke verhoging van 15% is verschuldigd en in plaats daarvan de wettelijke verhoging vast te stellen op 50%;
  • tot veroordeling van Bolidt om aan [verweerder] een bedrag van € 185.447,23 bruto te voldoen wegens openstaande vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 1 september 2025;
  • om voor recht te verklaren dat Bolidt gehouden is [verweerder] over de volledige periode waarin de rechter loon toewijst, [verweerder] aangesloten te houden of met terugwerkende kracht aan te melden bij de toepasselijke pensioenregeling uitgevoerd door Zwitserleven, en in dat verband al datgene te doen wat noodzakelijk is om volledige pensioenopbouw over die periode te realiseren;
  • tot veroordeling van Bolidt om de pensioenuitvoerder te betalen over die periode alle verschuldigde pensioenpremies voor [verweerder], te vermeerderen met eventuele door de pensioenuitvoerder in rekening te brengen rente en kosten;
  • subsidiair, voor zover de pensioenuitvoerder geen of niet volledige retroactieve pensioenopbouw meer toestaat, om te bepalen dat Bolidt aan [verweerder] een schadevergoeding verschuldigd is ter hoogte van de waarde van de gemiste pensioenopbouw over de periode waarin wel loon maar geen pensioenpremies zijn betaald;
  • tot veroordeling van Bolidt om de volledige, daadwerkelijk door [verweerder] gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, begroot op € 220.629,17 inclusief btw.

5.Beoordeling in hoger beroep

Bestaat er een arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder]?

5.1
Bolidt heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] in 2001 met wederzijds goedvinden is geëindigd, dan wel dat er toen een stilzwijgende opzegging heeft plaatsgevonden (grief 1 in principaal appel). Volgens Bolidt volgt dit uit de volgende omstandigheden: [verweerder] is gedurende langere tijd naar Florida gegaan en heeft daar een arbeidsovereenkomst met BCC gesloten. De uitvoering van de arbeidsovereenkomst met Bolidt is toen gestaakt. Uit de met BCC gesloten overeenkomst volgt dat er geen andere overeenkomsten bestaan. Tussen [verweerder] en Bolidt is geen terugkeergarantie overeengekomen. Tot slot wijst Bolidt erop dat [verweerder] in 2012 tegenover twee Amerikaanse advocaten beëdigde verklaringen heeft afgelegd waarin staat dat hij uitsluitend voor BCC werkzaam was.
5.2
[verweerder] heeft betwist dat de arbeidsovereenkomst met Bolidt is geëindigd.
5.3
Het hof stelt voorop dat het feit dat [verweerder] een arbeidsovereenkomst met BCC heeft gesloten niet zonder meer betekent dat de arbeidsovereenkomst met Bolidt (op dat moment) is geëindigd. De overeenkomst met Bolidt kan zijn geëindigd met wederzijds goedvinden of door een eenzijdige opzegging van één van beide partijen. Anders dan Bolidt aanvoert, volgt uit de omstandigheid dat de overeenkomst met BCC staat “[t]he foregoing contains the entire understanding of the parties and there are no other undertakings or agreements beyond those expressly set forth herein”, niet dat [verweerder] geen arbeidsovereenkomst met Bolidt meer heeft. Deze clausule houdt – kort gezegd – slechts in dat de rechten en verplichtingen die [verweerder] en BCC zijn overeengekomen allemaal in de schriftelijke overeenkomst zijn opgenomen.
5.4
Het hof is – met de kantonrechter – van oordeel dat de stellingen van Bolidt niet de conclusie rechtvaardigen dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend of met wederzijds goedvinden is geëindigd. Het hof neemt in dat verband het oordeel van de kantonrechter over in rov. 4.18 van de bestreden beschikking:
“(…) Daarbij wordt in de eerste plaats van belang geacht dat door [verweerder] is betwist, en door Bolidt ook niet is aangetoond, dat hij heeft ingestemd met een beëindiging van het dienstverband met Bolidt. Ook is geen sprake geweest van een duidelijke wilsuiting van Bolidt, dan wel van partijen gezamenlijk, dat met de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met BCC het dienstverband met Bolidt zou worden beëindigd. De bedoeling van partijen moet dus met name worden afgeleid uit de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer. Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat gebleken is van een zeer nauwe samenhang en verwevenheid tussen Bolidt en BCC, in die zin dat BCC in feite kan worden aangemerkt als een ‘afdeling’ dan wel ‘onderdeel’ van Bolidt. Tot slot volgt uit tal van omstandigheden dat Bolidt en [verweerder] zich ook na 2011 (
2001, hof) ten opzichte van elkaar feitelijk als werkgever en werknemer zijn blijven gedragen.”
5.5
Bolidt heeft in hoger beroep betwist dat BCC kan worden aangemerkt als een afdeling of een onderdeel van Bolidt. Volgens Bolidt is BCC een zelfstandig functionerende entiteit en kunnen Bolidt en BCC niet worden vereenzelvigd (grief 2 in principaal appel).
5.6
Het hof overweegt dat de omstandigheid dat BCC rechtspersoonlijkheid bezit en in juridische zin niet kan worden beschouwd als een afdeling of onderdeel van Bolidt en ook niet met haar kan worden vereenzelvigd, niet wegneemt dat er nauwe banden bestaan tussen Bolidt en BCC, onder meer omdat zij tot hetzelfde concern behoren. Er is organisatorisch dus wel degelijk een nauwe samenhang en verwevenheid tussen beide vennootschappen. Juist die organisatorische samenhang acht het hof mede van belang bij het oordeel dat het feit dat [verweerder] bij BCC in dienst is getreden in de gegeven omstandigheden niet van doorslaggevende betekenis is bij het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomst met Bolidt is blijven bestaan. Het hof verwijst hier opnieuw naar de overwegingen van de kantonrechter:
“4.20. In dit kader wordt er in de eerste plaats op gewezen dat BCC en Bolidt beide onderdeel uitmaakten van het Bolidt-concern en dat BCC, zoals door Bolidt zelf is gesteld, ‘geen zelfstandig profit center is’. BCC heeft geen eigen omzet en alle omzet wordt toegerekend aan Bolidt. BCC plaatst orders bij Bolidt in verband met door haar gerealiseerde opdrachten, waarna Bolidt aan deze klanten factureert. Door Bolidt wordt vervolgens periodiek een bedrag aan BCC overgemaakt waarvan BCC de door haar gemaakte kosten, waaronder ook loon, kan betalen.
4.21.
Naast de omstandigheid dat BCC op financieel gebied niet als een zelfstandige entiteit kan worden aangemerkt, is ook op organisatorisch gebied gebleken van grote verwevenheid met Bolidt. Zo heeft [verweerder] onbetwist gesteld dat vanuit BCC werd gewerkt in hetzelfde (bedrijfs)systeem als Bolidt en dat hij toegang had tot de (bedrijfs)gegevens van Bolidt. Daarnaast staan in het eigen systeem van Bolidt in het onderdeel ‘Project Orderintake per verkoper’ onder Bolidt de namen van de verkopers, waaronder [verweerder], vermeld met het daarbij behorende bedrag aan inkooporders, terwijl onder BCC geen namen van verkopers en een bedrag van € 0 staat vermeld. Bij de beide entiteiten werkten voorts meerdere dezelfde personen (al dan niet met verschillende petten op), waaronder [naam 1] en [naam 2]. Gebleken is daarnaast dat [verweerder] in de periode van 2001 tot en met 2019 in de uitoefening van zijn werkzaamheden gebruik heeft gemaakt van zowel een e-mailadres van BCC als een e-mailadres van Bolidt. Ook heeft [verweerder] onbetwist gesteld dat zijn jaargesprekken gedurende de periode dat hij in Miami verbleef altijd plaatsvonden bij Bolidt in Nederland.”
Bolidt heeft de juistheid van de door de hiervoor door kantonrechter genoemde feiten niet of nauwelijks betwist. Haar betwisting houdt slechts in dat uit die feiten niet blijkt dat er een nauwe verwevenheid tussen Bolidt en BCC bestond. Zoals gezegd, is het hof het op dit punt echter eens met de kantonrechter.
5.7
Bolidt heeft een beroep gedaan op twee beëdigde verklaringen die [verweerder] in 2012 heeft afgelegd tegenover Amerikaanse advocaten. In deze verklaringen heeft [verweerder] gezegd dat hij in dienst is bij BCC en dat hij tot juni 2001 voor Bolidt werkte. Anders dan Bolidt aanvoert, vormen deze verklaringen geen doorslaggevend bewijs dat [verweerder] zich ervan bewust was dat de arbeidsrelatie met Bolidt was geëindigd. In dit verband verwijst het hof naar rov. 4.32.1 van de bestreden beschikking waarin de kantonrechter heeft overwogen:
“Daarbij acht de kantonrechter in de eerste plaats van belang dat, anders dan door
Bolidt wordt gesteld, de context waarin deze verklaringen zijn afgelegd wel degelijk van belang is bij de uitleg daarvan. [verweerder] heeft er in dit verband op gewezen dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van een aansprakelijkheidsclaim (“Slip end fall” zaak) en dat het extern van belang was dat Amerikaanse klanten in het kader van eventuele claims Bolidt en BCC als losse bedrijven zouden zien. Volgens [verweerder] is de constructie zoals deze tussen BCC en Bolidt is opgezet, en waarbij BCC in feite financieel een lege entiteit is, juist bedoeld om Bolidt te beschermen tegen juridische claims uit Amerika. Hoewel Bolidt heeft betwist dat zij [verweerder] bij het afleggen van de verklaringen uitdrukkelijk instructies heeft gegeven, acht de kantonrechter deze achtergrond bij de afgelegde verklaringen wel van belang.”
Het hof sluit zich aan bij deze overweging van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Bolidt voert nog aan dat [verweerder] niet heeft toegelicht wat de instructies zouden zijn geweest die Bolidt destijds aan [verweerder] heeft gegeven. Volgens Bolidt heeft zij in haar systemen dergelijke instructies niet teruggevonden. Het hof verwerpt deze stelling. De omstandigheid dat Bolidt geen schriftelijke instructies in haar administratie heeft kunnen terugvinden, betekent volgens [verweerder] nog niet dat Bolidt de kwestie destijds niet met [verweerder] heeft besproken Anders dan Bolidt aanvoert, is er geen noodzaak om [verweerder] op te dragen te bewijzen dat hij zijn verklaringen onder ede in strijd met de waarheid heeft afgelegd. In deze zaak staat immers centraal de vraag of de arbeidsovereenkomst met Bolidt in 2001 is geëindigd. Dat vergt een afweging van alle omstandigheden van het geval, waarbij de door [verweerder] afgelegde beëdigde verklaringen slechts een element vormen.
5.8
Bij dit alles acht het hof verder van belang dat er veel aanwijzingen zijn dat Bolidt zich ook na 2001 als werkgever van [verweerder] is blijven gedragen. Deze omstandigheden heeft de kantonrechter in de bestreden beschikking ook al genoemd. Ook deze overwegingen neemt het hof over van de kantonrechter:
“4.23. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat in de periode van 2001 tot 2020 het loon weliswaar door BCC aan [verweerder] werd uitbetaald, maar dit loon in feite werd betaald door Bolidt. BCC had namelijk geen eigen omzet en voor de kosten die BCC maakte, waaronder het loon van [verweerder], werd door Bolidt periodiek een bedrag aan BCC overgemaakt. (…)
4.24.
Gebleken is daarnaast dat Bolidt in de periode dat [verweerder] in Miami verbleef, diverse malen significante bedragen (van soms tot wel duizenden euro's) aan [verweerder] heeft overgemaakt. Bij de gedane betalingen staan onder andere omschrijvingen vermeld als ‘werkzaamheden 2004’, ‘werkzaamheden 2005’, ‘werkzaamheden 2006’, ‘reiskosten’ en ‘telefoonrekeningen sept 2002 t/m juli 2003’. De kantonrechter heeft Bolidt ter zitting van 27 januari 2025 om een toelichting op deze betalingen gevraagd, maar Bolidt heeft daarvoor geen (deugdelijke) verklaring kunnen geven, anders dan dat zij heeft kunnen constateren dat deze betalingen inderdaad zijn gedaan.
4.25.
[verweerder] heeft voorts onbetwist gesteld dat er voor hem bij zijn vertrek naar Miami een L1 expatvisum is aangevraagd. Dit visum is bedoeld voor de overdracht binnen een bedrijf van werknemers in een leidinggevende of uitvoerende functie. In 2004 is er voor [verweerder] bovendien een verlenging van zijn visumaanvraag gedaan. Hierin is vermeld dat Bolidt de ‘buitenlandse werkgever’ van [verweerder] is.' Daarbij komt dat er door [verweerder] ook nog een kopie van de aanvraag van een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) is overgelegd, welke aanvraag volgens hem in 2008 is gedaan in verband met zijn visumaanvraag. Hierop staat Bolidt als organisatie/instelling vermeld. Ook dit duidt erop dat er op dat moment nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond.
4.26.
Als niet weersproken staat ook vast dat Bolidt al sinds het vertrek van [verweerder] naar Miami een ziektekostenverzekeringen gericht op expats voor [verweerder] heeft afgesloten.Daarnaast heeft Bolidt jarenlang een collectieve WIA-verzekering voor [verweerder] afgesloten, eerst bij Nationale Nederlanden en vanaf 1 januari 2018 bij Aegon Schadeverzekeringen N.V. Volgens Bolidt zijn deze verzekeringen slechts afgesloten ter uitvoering van de op BCC rustende contractuele verplichtingen om die verzekeringen aan [verweerder] aan te bieden. Afgezien van het feit dat de verplichting om een WIA-verzekering af te sluiten niet uit de arbeidsovereenkomst met BCC volgt, is Bolidt op het overzicht van Aegon zelf expliciet als werkgever van [verweerder] vermeld. [verweerder] heeft bovendien onbetwist gesteld dat een WIA verzekering enkel kan worden afgesloten voor een werknemer die in Nederland in dienst is. Daarnaast is onduidelijk gebleven waarom Bolidt (volgens haar eigen stellingen) de verplichting van BCC op zich heeft genomen om een ziektekostenverzekering voor [verweerder] af te sluiten en de premie voor die verzekering te betalen.
4.27.
[verweerder] heeft erop gewezen dat hij in 2016, in verband met de aankoop van een nieuw huis in Rotterdam, aan Bolidt een werkgeversverklaring heeft gevraagd. Deze werkgeversverklaring d.d. 5 juli 2016 heeft [verweerder] ook van Bolidt gekregen. In deze werkgeversverklaring is Bolidt als werkgever vermeld en [verweerder] als werknemer. Ook volgt uit de werkgeversverklaring dat [verweerder] sinds 2 maart 1998 bij Bolidt in dienst is. Bolidt heeft aangevoerd dat [verweerder] na ontvangst van een eerdere versie van de werkgeversverklaring zelf heeft verzocht om het deel waarin stond dat hij werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zijn BCC arbeidsovereenkomst) ‘weg te werken’, aan welk verzoek Bolidt heeft voldaan. Dit volgt volgens Bolidt uit de e-mailwisseling overgelegd als productie bij verweerschrift. Het voorgaande is door [verweerder] echter betwist en is naar oordeel van het kantonrechter niet komen vast te staan. Uit de e-mail van [verweerder] van 5 juli 2016 volgt enkel dat [verweerder] heeft geconstateerd dat in de werkgeversverklaring het onderdeel arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd staat aangekruist en dat daaronder bij bepaalde tijd ’31 mei 2017’ was vermeld. Daarbij vraagt [verweerder] zich af of dit een foutje is of dat dit de datum betreft wanneer het contract jaarlijks automatisch wordt vernieuwd. Van het door [verweerder] willen ‘wegwerken’ van BCC als werkgever is de kantonrechter op basis van deze e-mailwisseling in ieder geval niet gebleken. Onduidelijk is bovendien waarom Bolidt haar medewerking heeft verleend aan een werkgeversverklaring die in haar visie niet strookte met de werkelijkheid.
4.28.
Door Bolidt is daarnaast niet weersproken dat [verweerder] gedurende zijn tijd in Miami (en ook nadien) in het (bedrijfs)systeem van Bolidt werkte en dat hij toegang tot
(bedrijfs)gegevens van Bolidt had. Ook rapporteerde [verweerder] gedurende zijn periode in Miami aan Bolidt en vonden zijn jaargesprekken bij Bolidt in Nederland plaats. Door [verweerder] is aarnaast aangetoond dat hij in de periode dat hij in Miami werkte zowel gebruik maakte van een e-mailadres van Bolidt als van een e-mailadres van BCC."
4.29.
Door [verweerder] is een printscreen van het online systeem van overgelegd. Hieruit volgt dat [verweerder] sinds I maart 1998 (en op dat moment nog zonder einddatum) bij Bolidt in dienst is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Daarbij is tevens vermeld dat [verweerder] in de periode van 1 maart 1998 tot en met 31 december 2018 werkzaam is geweest in de functie van Project Manager op de ‘afdeling BCC’ en in de periode vanaf 1 januari 2019 in de functie van Sales Manager op de ‘afdeling Maritime’. Bolidt heeft geen verklaring gegeven waarom deze gegevens als zodanig in haar systeem zijn vermeld, terwijl zij aan de andere kant met stelligheid beweert dat [verweerder] niet bij haar in dienst is.”
5.9
Deze omstandigheden heeft Bolidt op een aantal (ondergeschikte) punten weersproken (grief 3 in principaal appel). Zo is zij van mening dat zij alleen kleine bedragen aan [verweerder] heeft betaald en dat het ging om onkostenvergoedingen, maar zij heeft niet betwist dat het soms om duizenden euro’s ging en dat er bedragen werden uitbetaald onder de noemer ‘werkzaamheden’. Verder voert Bolidt aan dat zij op de visumaanvraag niet als werkgever wordt vermeld, maar uit de door [verweerder] overgelegde productie 4 volgt dat zij op de visumaanvraag wel als ‘Foreign Employer’ wordt aangemerkt. Bolidt voert verder aan dat zij geen contractuele verplichting had om voor [verweerder] een ziektekostenverzekering af te sluiten, maar licht niet toe waarom zij die verzekering dan toch heeft afgesloten. Tot slot heeft Bolidt de relevantie betwist van het feit dat zij op de door [verweerder] overgelegde werkgeversverklaring uit 2016 als werkgever is vermeld en van het feit dat [verweerder] toegang had tot het IT-systeem van Bolidt. Bolidt gaat er echter aan voorbij dat het gaat om een groot aantal factoren die ieder voor zich wellicht niet doorslaggevend zijn, maar in onderlinge samenhang bezien erop wijzen dat de arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder] na 2001 is blijven voortduren.
5.1
Daar komt nog bij dat ook gedragingen van Bolidt na terugkeer van [verweerder] in Nederland er op wijzen dat zij zichzelf nog steeds als werkgever van [verweerder] beschouwde. Ook hier verwijst het hof naar de bestreden beschikking waarin de kantonrechter de relevante omstandigheden heeft opgesomd en besproken:
“4.23 (…) Vaststaat daarnaast dat Bolidt vanaf 2020 het loon weer rechtstreeks aan [verweerder] is gaan betalen. Dat dit op eigen verzoek van [verweerder] is geschied, zoals door Bolidt is gesteld, is door [verweerder] gemotiveerd betwist en door Bolidt ook niet aangetoond. Dit volgt in ieder geval niet uit productie 4 bij verweerschrift. Onduidelijk is ook waarom Bolidt aan een dergelijk verzoek tegemoet zou komen indien zij van mening was niet de werkgever van [verweerder] te zijn. Voor zover al juist is dat Bolidt deze loonbetalingen vervolgens weer heeft doorbelast aan BCC, geldt bovendien dat het geld daarvoor in feite ook weer afkomstig was van Bolidt.
(…)
4.30.
Vaststaat dat [verweerder] in februari 2020 is teruggekeerd in Nederland en dat hij vanaf dat moment zijn werkzaamheden heeft verricht vanuit het kantoor van Bolidt. Dat [verweerder] zonder instemming van Bolidt en op eigen houtje heeft besloten om terug te keren naar Nederland om hier zijn werkzaamheden voort te zetten is door Bolidt weliswaar gesteld, maar door [verweerder] betwist. Hetzelfde geldt voor de door Bolidt ingenomen stelling, dat [verweerder] zijn werkzaamheden vanaf februari 2020 uitsluitend verrichtte voor BCC. Het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet komen vast te staan. Dit volgt namelijk niet uit de gedragingen van Bolidt. zoals hierna verder wordt toegelicht.
4.30.1.
Zo blijkt nergens uit dat Bolidt [verweerder] er op enig moment op heeft gewezen dat hij niet zelf kon beslissen wanneer hij naar Nederland zou terugkeren en bij haar verder zou werken, omdat hij volgens haar uit dienst was gegaan. Ook blijkt niet dat Bolidt op andere wijze bezwaar heeft gemaakt tegen de komst van [verweerder] naar Bolidt in Nederland.
4.30.2.
Daarentegen blijkt uit een door de heer [naam 2] op 14 november 2019 gegeven presentatie juist wel dat destijds al door hem is aangekondigd dat [verweerder] vanuit Nederland zou gaan werken. Ook staat vast dal Bolidt in 2020 het salaris weer rechtstreeks aan [verweerder] is gaan betalen, dat [verweerder] toegang had tot het kantoor en de (bedrijfs)systemen van Bolidt en dat hij over een pas beschikte van Bolidt (met een geldigheidsdatum tot 4-6-2022). [verweerder] werd daarnaast ook uitgenodigd voor Teams-vergaderingen van de afdeling Maritime van Bolidt en hij maakte onderdeel uit van de appgroep Maritime van Bolidt. Bij terugkomst van [verweerder] in Nederland is bovendien ook het adres van [verweerder] bij Sunbiz (de Kamer van Koophandel van Florida) gewijzigd naar het adres van Bolidt.
4.30.3.
Uit de door [verweerder] overgelegde stukken blijkt voorts dat Bolidt op 15 december 2020 een schriftelijke verklaring aan [verweerder] heeft afgegeven, naar eigen zeggen van [verweerder] in verband met het verkrijgen van een parkeervergunning. Hierin verklaart Bolidt zelf dat [verweerder] zowel de zakelijke als privé berijder is van een voertuig van Bolidt en dat deze auto aan hem ter beschikking is gesteld om zijn dagelijkse werkzaamheden als salesmanager uit te voeren. Bolidt heeft hier geen verklaring voor gegeven en evenmin toegelicht hoe dit te rijmen valt met haar stelling dat [verweerder] niet bij haar, maar bij BCC in dienst was en vanaf februari 2020 in Nederland werkzaamheden verrichtte voor BCC.
4.30.4.
Door [verweerder] is een e-mail van de heer [naam 3] (destijds Financieel Directeur bij Bolidt) van 7 augustus 2020 overgelegd die is verzonden in het kader van de repatriëring van [verweerder] naar Nederland. Hierin stuurt [naam 3] het onderstaande bericht aan [verweerder] door:
"
To whom it may concern
Due to the reallocation of staff of Bolidt in the USA it is required that mr. [verweerder], currently employed by Bolidt Cruise Control Corp., will be reassigned to the office of Bolidt Kunststoftoepassing B. K in the Netherlands.
Best regards,
Bolidt Kunststoftoepassing B.V.
Hieruit volgt dus dat [verweerder] wordt overgeplaatst naar het kantoor van Bolidt in Nederland. Het mag zo zijn dat deze e-mail is verzonden vanaf het privé-emailadres van [naam 3], maar dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat daaraan dus geen enkele waarde kan worden gehecht.
4.30.5.
[verweerder] heeft tot slot nog gewezen op e-mailcorrespondentie die hij in 2021 en 2022 met [naam 4] heeft gevoerd over (de berekening van) achterstallige tantième over de jaren 2017 tot en met 2020. Hoewel Bolidt heeft erkend dat deze correspondentie heeft plaatsgevonden, voerde [naam 4] deze gesprekken volgens Bolidt niet namens Bolidt. Vast staat echter wel dat [naam 4] in de overgelegde e-mailcorrespondentie gebruik maakte van een e-mailadres van Bolidt. Daarbij komt dat [naam 4] bovendien op 7 februari 2022 in een e-mail (waaronder het logo van Bolidt is vermeld) aan [naam 5] (van Eastwing - Tax & Global Mobility) advies vraagt over [verweerder].21 Zij schrijft daarbij ‘Wij hadden eerder contact inzake een van onze werknemers die een US arbeidsovereenkomst heeft, maar ook veel in Nederland is werkt’. Hieruit volgt in de eerste plaats dat [naam 4] voor Bolidt werkt en in de tweede plaats dat zij [verweerder] als een van de werknemers van Bolidt beschouwde.”
5.11
Ook deze omstandigheden heeft Bolidt slechts op detailpunten weersproken. Zo heeft zij aangevoerd dat zij vanaf 2020 het loon van [verweerder] heeft betaald, maar de loonkosten heeft doorbelast aan BCC. Anders dan Bolidt veronderstelt, vormt de omstandigheid dat zij de entiteit was die aan [verweerder] loon betaalde, wel degelijk een indicatie dat zij zichzelf beschouwde als werkgever van [verweerder]. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat Bolidt aan [verweerder] een parkeervergunning verstrekte, dat de Financieel Directeur van Bolidt een verklaring heeft rondgestuurd dat [verweerder] “will be reassigned to the office of Bolidt Kunststoftoepassing BV in the Netherlands” en de omstandigheid dat [naam 4], de HR-manager van Bolidt, via haar Bolidt-mailadres met [verweerder] heeft gecorrespondeerd over de tantièmes waarop [verweerder] nog recht zou hebben. Anders dan Bolidt aanvoert, is het daarbij niet van doorslaggevende betekenis dat de Financieel Directeur de hiervoor genoemde verklaring via zijn privé-e-mailadres aan [verweerder] heeft doorgestuurd. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [naam 4] tevens HR-manager was voor BCC dan wel het concern. Die laatste omstandigheid onderstreept overigens de nauwe banden tussen Bolidt en BCC.
5.12
Kortom, de stelling van Bolidt dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] in 2001 is geëindigd, gaat niet op. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door BCC op 2 februari 2023 heeft niet tot gevolg dat daarmee ook de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Bolidt is opgezegd.
5.13
De stelling van Bolidt dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] uitsluitend wordt beheerst door het recht van Florida en dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet plaatsvinden volgens dat recht (grief 5 in principaal appel), is ongegrond. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat het beding in de overeenkomst met BCC waarin wordt gekozen voor het recht van Florida, van toepassing zou zijn op de arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder], dan geldt op grond van art. 8 Rome Pro I [1] dat [verweerder] niet de bescherming kan verliezen van het objectief toepasselijke recht. Vaststaat dat [verweerder] ten tijde van de opzegging zijn werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichtte, zodat Nederlands recht objectief toepasselijk is. Ook andere aanknopingspunten wijzen op een nauwe band met Nederland, zoals het feit dat [verweerder] in Nederland woont en Bolidt in Nederland is gevestigd. De omstandigheid dat [verweerder] vóór 2020 bijna 20 jaar in Florida heeft gewoond en daar heeft gewerkt voor BCC, betekent niet dat de arbeidsovereenkomst met Bolidt nauwer is verbonden met Florida. De conclusie is dus dat [verweerder] een beroep kan doen op de arbeidsrechtelijke bescherming van het Nederlandse ontslagrecht, dat overigens voor [verweerder] ook gunstiger is dan het ontslagrecht van Florida.
Wat is de hoogte van het loon van [verweerder]?
5.14
Bolidt heeft aangevoerd dat [verweerder] en BCC een nettoloonafspraak hebben gemaakt (grief 4 in principaal appel). In Florida geldt dat het brutoloon niet veel hoger ligt dan het nettoloon, maar dat is in Nederland anders. Volgens Bolidt kan van haar niet worden verlangd dat zij het nettoloon van [verweerder] naar Nederlandse maatstaven bruteert. Deze stelling gaat niet op. Na terugkomst in Nederland heeft Bolidt geruime tijd het met BCC overeengekomen nettoloon aan [verweerder] doorbetaald. Dat de brutering van dat loon in Nederland tot hogere werkgeverslasten voor Bolidt leidt, komt voor risico van Bolidt.
5.15
Verder heeft Bolidt aangevoerd dat zij aan [verweerder] slechts het loon hoeft te betalen dat [verweerder] voor zijn vertrek naar de Verenigde Staten in 2001, bij Bolidt verdiende (grief 14 in principaal appel). Dat loon bedroeg NLG 6.114,- bruto (€ 2.774,41). Die stelling is ook ongegrond. De positie die [verweerder] in 2001 had, is een geheel andere dan die hij in 2020 na terugkeer in Nederland bekleedde. Uit het feit dat Bolidt sinds 2020 gedurende ongeveer drie jaar het hogere salaris heeft betaald, volgt dat zij kennelijk zelf ook van mening was dat het salaris van twintig jaar eerder niet meer passend was voor de functie [verweerder].
5.16
[verweerder] is van mening dat de kantonrechter het loon over het tweede ziektejaar ten onrechte heeft vastgesteld op 70% van het maximumpremieloon (grief 1 in incidenteel appel). Volgens [verweerder] is dit ongebruikelijk binnen Bolidt en wordt het loon in het tweede ziektejaar doorgaans niet gekort. [verweerder] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling. Bolidt heeft betwist dat het binnen haar onderneming te doen gebruikelijk is dat tijdens het tweede ziektejaar meer wordt betaald dan 70% van het maximumpremieloon. Het komt het hof voor dat binnen een onderneming als Bolidt schriftelijk is vastgelegd welke loonaanspraken werknemers tijdens hun tweede ziektejaar hebben. Het hof verzoekt Bolidt deze informatie over te leggen (art. 22 Rv Pro). Mocht [verweerder] hierna nog behoefte hebben aan bewijslevering, dan zal het hof beslissen of hij in de gelegenheid wordt gesteld bewijs te leveren door het horen van getuigen.
Heeft [verweerder] recht op tantième?
5.17
[verweerder] heeft aanspraak gemaakt op achterstallige tantième over de jaren 2016 tot en met 2022. Bolidt heeft betwist dat zij aan [verweerder] tantième is verschuldigd. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking over het recht van [verweerder] op tantième het volgende overwogen:
“4.63. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] in ieder geval over de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak heeft op achterstallige tantième. Daarbij acht de kantonrechter in de eerste plaats van belang dat niet in geschil is dat [verweerder] over de periode van 2005 tot en met 2015 ieder jaar tantième ontvangen heeft. Daarnaast geldt dat in de e-mailwisseling tussen [verweerder] en [naam 4] uit 2021 en 2022 een erkenning kan worden gelezen van Bolidt dat zij over de jaren 2017 tot en met 2020 nog tantième aan [verweerder] verschuldigd is. Zo spreekt [naam 4] in haar e-mail aan [verweerder] van 2 november 2021 erover dat zij met elkaar hebben gesproken over de vaststelling van de tantième over de jaren 2017 tot en met 2020, waarbij zij op basis van haar eigen berekening uitkomt op een bedrag van € 277.000,- bruto. Uit de emailwisseling kan worden opgemaakt dat partijen het niet zozeer oneens zijn over de vraag of er tantième aan [verweerder] verschuldigd is, maar enkel over de vraag wat de hoogte daarvan moet zijn. Zoals eerder al is geoordeeld gaat de kantonrechter er vanuit dat [naam 4] namens Bolidt sprak, nu zij haar e-mails vanuit een Bolidt-e-mailadres verzond. Niet betwist is daarnaast dat zij op dat moment HR-manager bij Bolidt was. Dat [naam 4] (uitsluitend) met haar BCC pet op sprak, is door Bolidt in ieder geval niet aangetoond, laat staan dat gebleken is dat [verweerder] dat heeft moeten begrijpen.”
5.18
Het hof neemt deze overweging over en maakt die tot de zijne. In hoger beroep heeft Bolidt aangevoerd dat [verweerder] bij BCC geen recht had op een tantième, maar op een ‘discretionaire, prestatiegerichte bonus’, dat [verweerder] in de jaren 2005-2016 zo’n bonus van BCC heeft ontvangen en dat hij voor de bonus over de jaren 2017-2020 ook bij BCC moet zijn (grief 6 in principaal appel). Naar het oordeel van het hof gaat deze gedachtegang niet op. Daarbij is van belang dat in de arbeidsovereenkomst met Bolidt staat:
“Werknemer komt bij goed functioneren en goede bedrijfsresultaten in aanmerking voor een door de werkgever vast te stellen tantième.”
En in de arbeidsovereenkomst met BCC staat:
“EMPLOYEE shall be entitled to receive any and all performance-based bonuses issued by the EMPLOYER. Said bonuses shall be paid in an amount to be determined by the EMPLOYER at the EMPLOYER’s sole discretion, and shall be based upon EMPLOYEE’s job performance and the EMPLOYER’s operating results.”
5.19
Er lijkt sprake te zijn van een woordenspel omdat beide bepalingen in essentie dezelfde criteria noemen op grond waarvan de hoogte van de uitkering wordt vastgesteld door de werkgever. Nu de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Bolidt is blijven doorlopen in de jaren dat [verweerder] in de Verenigde Staten werkzaam was, heeft hij ten opzichte van Bolidt in beginsel aanspraak op tantième.
5.2
De vraag is verder of [verweerder] ook over de jaren 2016, 2021 en volgende recht heeft op tantième, zoals [verweerder] aanvoert (grief 2 in incidenteel appel). Ook moet nog worden beoordeeld of de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid in 2020 en 2021 eraan in de weg staat dat [verweerder] over die jaren tantième ontvangt (grief 6 in principaal appel). Deze vragen zal het hof nu niet beantwoorden. In de andere bij het hof aanhangige procedure tussen partijen, met zaaknummer 200.362.440/01, is het tantième het belangrijkste geschilpunt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen besproken en afgesproken dat thans alleen beslist zal worden of [verweerder] ten opzichte van Bolidt – in beginsel – aanspraak heeft op tantième en dat de overige beslissingen over het tantième zullen worden aangehouden tot er over zaak 200.362.440/01 zal worden beslist.
Zijn de verzoeken van [verweerder] verjaard?
5.21
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verzoeken van [verweerder] niet zijn verjaard. Hij heeft daartoe in rov. 4.61 van de bestreden beschikking het volgende overwogen:
“(…) Anders dan door Bolidt is gesteld is de arbeidsovereenkomst uit 1999 tussen [verweerder] en Bolidt namelijk altijd blijven bestaan en zijn partijen hier telkens ook uitvoering aan blijven geven. [verweerder] heeft zijn aanspraken op tantième bovendien tijdig gestuit (bij onder meer de brief van zijn gemachtigde van 20 juli 2022). In dit verband is van belang dat [verweerder] onbetwist heeft gesteld dat de tantième over 2016 pas per 1 oktober 20 17 verschuldigd is geworden. Uit de door [verweerder] met [naam 4] in 2021 en 2022 gevoerde e-mailwisseling lijkt daarnaast te volgen dat Bolidt erkent tantième aan [verweerder] verschuldigd te zijn, zodat de vordering van [verweerder] ter zake van tantième ook op grond van artikel 3:318 BW Pro is gestuit.”
5.22
Bolidt is van mening dat de vorderingen van [verweerder] zijn verjaard (grief 7 in principaal appel). Bolidt voert daartoe aan dat zij na het vertrek van [verweerder] naar Florida is gestopt met de nakoming van de arbeidsovereenkomst. Als [verweerder] van mening is dat hij al die tijd een arbeidsovereenkomst met Bolidt heeft gehad, dan had hij Bolidt direct na zijn vertrek in 2001 daarop moeten aanspreken. In ieder geval had [verweerder] zijn vorderingen moeten baseren op de arbeidsovereenkomst met Bolidt en niet op de arbeidsovereenkomst met BCC, aldus Bolidt.
5.23
Het hof overweegt als volgt. Voor [verweerder] bestond er in de jaren na zijn vertrek naar Florida geen aanleiding om Bolidt aan te spreken op de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, omdat Bolidt in de periode heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Voor de verjaring is dus niet relevant dat [verweerder] in de periode 2001 tot en met 2021 Bolidt nimmer heeft aangesproken op nakoming van de arbeidsovereenkomst. Die omstandigheid leidt er niet toe dat de vorderingen die [verweerder] nu stelt te hebben, zijn verjaard. Ter zake van het tantième geldt dat Bolidt niet heeft betwist dat [verweerder] bij brief van 20 juli 2022 bij haar aanspraak heeft gemaakt op tantième. In de hiervoor weergegeven overweging heeft de kantonrechter met juistheid geoordeeld dat en waarom deze vordering niet is verjaard. Het hof sluit zich hierbij aan. Bij verzoekschrift 2 mei 2023 en verweerschrift van 29 maart 2024 heeft [verweerder] Bolidt laten weten dat hij ook andere vorderingen op Bolidt heeft. Waarom deze vorderingen zouden zijn verjaard heeft Bolidt niet toegelicht. De omstandigheid dat [verweerder] – in de ogen van Bolidt – de vorderingen onderbouwt met een beroep op de arbeidsovereenkomst met BCC, betekent in ieder geval niet dat de vorderingen zijn verjaard.
5.24
Bolidt heeft ook een beroep gedaan op rechtsverwerking (grief 7 in principaal appel). Zij stelt dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de in 2016 afgelegde onder ede verklaringen van [verweerder], waarin [verweerder] verklaarde dat hij uitsluitend met BCC een arbeidsovereenkomst had. Het hof verwerpt deze stelling, onder meer omdat Bolidt kennelijk pas in 2025 bekend raakte met deze verklaringen en dus voor die tijd nimmer op die verklaringen heeft vertrouwd. Wat Bolidt in dit verband voor het overige aanvoert (namelijk (kort gezegd) dat [verweerder] na terugkeer uit de Verenigde Staten voor BCC is blijven werken en niet voor Bolidt), vormt een herhaling van zetten. Deze omstandigheden kunnen niet de conclusie rechtvaardigen dat [verweerder] zijn rechten heeft verwerkt.
Heeft [verweerder] (ernstig) verwijtbaar gehandeld?
5.25
Boldit is van mening dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld (grieven 8 en 9 in principaal appel) en dat de arbeidsovereenkomst op deze grond had moeten worden ontbonden, zonder toekenning van een transitievergoeding (grief 10 in principaal appel). Bolidt heeft aangevoerd (1) dat [verweerder] vertrouwelijke bedrijfsgegevens heeft opgeslagen op eigen gegevensdragers, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dat niet was toegestaan. Verder heeft Bolidt aangevoerd (2) dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan chantage, (3) dat hij een andere werknemer van Bolidt heeft uitgescholden en (4) dat er door of namens [verweerder] beledigende uitlatingen zijn gedaan, onder meer op Facebook.
5.26
Het hof is van oordeel dat de door Bolidt genoemde gedragingen, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, geen verwijtbaar handelen opleveren, althans niet zodanig dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan had moeten eindigen. Het hof verwijst naar de overwegingen 4.81 tot 4.85.3 van de bestreden beschikking en maakt deze tot de zijne. Deze overwegingen komen op het volgende neer.
- De brief van 16 december 2022 van mr. Roza bevat weliswaar ferme taal, maar dat is – in het heetst van de strijd – niet ongebruikelijk tussen advocaten onderling. De brief bevat geen chantage of bedreiging in die zin dat mr. Roza daarin dreigt met openbaarmaking van bepaalde gegevens als Bolidt de zaak niet wil schikken op de door [verweerder] gestelde voorwaarden.
  • [verweerder] heeft erkend dat zijn emoties op 11 juli 2023 hoog zijn opgelopen en dat hij [naam 6] die dag heeft beledigd. Dit vormt in de gegeven omstandigheden echter geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen. Daarbij is onder meer van belang dat [verweerder] direct zijn excuses heeft aangeboden.
  • De omstandigheid dat de toenmalige echtgenote van [verweerder] beledigende e-mails heeft verzonden en een beledigend bericht op Facebook heeft geplaatst, kan [verweerder] niet worden toegerekend. [verweerder] heeft betwist dat hij haar heeft aangemoedigd deze berichten te schrijven en heeft zich daarvan diverse malen gedistantieerd.
  • Dat [verweerder] zich op onrechtmatige wijze bedrijfsgevoelige gegevens heeft toegeëigend is niet komen vast te staan. [verweerder] heeft toegelicht dat hij met medeweten van Bolidt in de periode 2001 tot en met 2014 noodzakelijke back-ups heeft gemaakt van bedrijfsgegevens van BCC/Bolidt. Dat zijn handelwijze verwijtbaar was is niet gebleken, ook niet als de back-ups niet per se noodzakelijk waren. Het is niet gebleken dat [verweerder] na 2014 nog gegevens heeft opgeslagen op eigen gegevensdragers of dat [verweerder] de gegevens van vóór 2014 heeft gedeeld met derden.
5.27
Ter zake van het toe-eigenen van bedrijfsinformatie stelt Bolidt in hoger beroep dat zij zeer vertrouwelijke bedrijfsgegevens op de gegevensdragers van [verweerder] heeft aangetroffen. Zij heeft ervoor gekozen deze documenten in deze procedure niet over te leggen omdat zij die informatie dan opnieuw aan [verweerder] openbaar maakt, maar zij biedt hiervan bewijs aan als [verweerder] dit feit zou betwisten. Dat het gaat om oudere informatie neemt het onrechtmatige karakter van de handelwijze van [verweerder] niet weg. Dat geldt ook voor het feit dat Bolidt geen schade heeft geleden door de handelwijze van [verweerder]. Feit is dat [verweerder] te kwader trouw heeft gehandeld, wat blijkt uit het feit dat hij zich met hand en tand heeft verzet tegen inzage, aldus Bolidt.
5.28
Het hof overweegt als volgt. Het hof zal bij wijze van veronderstelling aannemen dat op de gegevensdragers van [verweerder] ook zeer vertrouwelijke bedrijfsgegevens staan. Ook in dat geval acht het hof de handelwijze van [verweerder] niet verwijtbaar in de zin van art. 7:669 lid 3 onder Pro e BW. Dat [verweerder] te kwader trouw is omdat hij zich – nadat de verhoudingen tussen partijen al danig waren verzuurd – heeft verzet tegen de inzage door Bolidt van de gegevensdragers, acht het hof niet bewezen. Anders dan Bolidt aanvoert, is het in dit verband van belang dat niet is gebleken dat [verweerder] de (inmiddels ten minste tien jaar oude) gegevens heeft gedeeld met derden. Het is dan ook niet onaannemelijk dat [verweerder] de bedrijfsgegevens destijds slechts als back-up op zijn gegevensdragers gezet, wat wellicht onverstandig is geweest, maar niet verwijtbaar.
5.29
Voor het overige is het hof van oordeel dat wat Bolidt in haar beroepschrift over de vier verwijten aanvoert, een herhaling van zetten is. Gelet op dat het hof overneemt wat de kantonrechter daarover heeft overwogen, behoeft het betoog van Bolidt geen verdere beoordeling.
5.3
De conclusie is dat [verweerder] niet (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld en dat [verweerder] dus recht heeft op een transitievergoeding.
Heeft Bolidt ernstig verwijtbaar gehandeld?
5.31
Bolidt heeft aangevoerd dat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (grief 11 in principaal appel) en dat dat onder meer tot gevolg heeft dat zij [verweerder] kan houden aan het non-concurrentiebeding en het relatiebeding (grief 13 in principaal appel).
5.32
De kantonrechter heeft geoordeeld dat Bolidt ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en heeft hierover het volgende overwogen:
“4.102. Niet in geschil is dat de verhouding tussen partijen vanaf 1998, en ook na 2001, altijd goed was en dat [verweerder] naar volle tevredenheid van Bolidt functioneerde. (…) Vast staat daarnaast dat hij over de jaren 2005 tot en met 2015 jaarlijks een tantième uitgekeerd heeft gekregen voor zijn goede functioneren. Uit opgave van [verweerder] blijkt dat het daarbij gaat om een totaal bedrag van € 725.250,- over genoemde jaren (…). Ook is door de kantonrechter geoordeeld dat Bolidt over de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak heeft op tantième omdat uit diverse uitlatingen van Bolidt is gebleken dat ook zij van mening was dat [verweerder] daarop recht had en van een concrete toezegging daartoe gesproken kan worden. (…) Bolidt is met de betaling van de tantième over deze jaren, ondanks meerdere verzoeken van [verweerder] en gedane toezegging vanuit Bolidt daartoe, echter in gebreke gebleven. Door dit laakbaar handelen van Bolidt, zijn naar het oordeel van de kantonrechter al de eerste scheuren in de arbeidsrelatie ontstaan.
4.103. Nadat [verweerder] op 20 juli 2022 uiteindelijk voor het eerst bij monde van zijn gemachtigde aanspraak had gemaakt op de achterstallige tantième, is Bolidt zich, in strijd met haar gedragingen tot dan toe, bovendien plotseling op het standpunt gaan stellen dat er geen arbeidsovereenkomst meer tussen partijen bestond. Doordat Bolidt allereerst heeft verzuimd om tot uitbetaling van de tantième over te gaan en zij zich vervolgens ook nog op het standpunt heeft gesteld dat zij geen werkgever was van [verweerder] en zij in het geheel geen tantième aan [verweerder] verschuldigd was, heeft Bolidt de verhoudingen tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter nog meer op scherp gezet.
4.104. Vaststaat daarnaast dat [verweerder] vanaf 25 april 2022 ziek was en dat Bolidt, hoewel zij als werkgever van [verweerder] had te gelden, heeft nagelaten een deugdelijk re-integratietraject op te starten. [verweerder] heeft namelijk pas voor het eerst op 5 juli 2023 een bedrijfsarts bezocht. Daarnaast is ook door het UWV geoordeeld dat Bolidt onvoldoende aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Uit de beslissing van het UWV van 17 oktober 2024 blijkt dat op die grond aanleiding was voor verlenging van de loonbetalingsplicht van Bolidt, maar omdat UWV verzuimd heeft om de werkgever daarover vóór het einde van de wachttijd te informeren, kon het UWV geen loonsanctie meer opleggen. Duidelijk is derhalve dat Bolidt ernstig tekort geschoten is in haar wettelijke verplichtingen voortvloeiend uit de Wet verbetering poortwachter. Aangenomen kan daarnaast worden dat dit handelen/nalaten van Bolidt het herstel van [verweerder], alsook de arbeidsrelatie van partijen, bepaald niet ten goede is gekomen.
4.105. Vervolgens heeft Bolidt naar het oordeel van de kantonrechter alleen nog maar verder escalerend gehandeld. Zo heeft Bolidt eind 2022 aan [verweerder] weliswaar een bedrag ter zake van achterstallige tantième aangeboden, zij het dat daarbij als voorwaarde werd gesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een einde zou komen. Dit terwijl [verweerder] op dat moment arbeidsongeschikt was en hij simpelweg recht had op reeds eerder aan hem toegezegde tantièmes. Daar bovenop kwam ten slotte ook nog de brief van 1 februari 2023 van BCC waarbij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] werd opgezegd per maart 2023 en de uitbetaling van het loon per diezelfde datum werd gestaakt. Ten aanzien van de door BCC aan haar opzegging ten grondslag gelegde reden, te weten dat [verweerder] zonder instemming van Bolidt en op eigen houtje had besloten om terug te keren naar Nederland om bij haar zijn werkzaamheden voort te zetten, is door de kantonrechter eerder al geoordeeld dat dit niet strookte met de gedragingen van Bolidt en dus ook niet is komen vast te staan.”
5.33
Hier geldt wederom dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat Bolidt ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof neemt dit oordeel dus over. Bolidt heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat zij te goeder trouw van mening was dat zij niet de werkgever van [verweerder] was, maar het hof acht deze stelling niet aannemelijk. Hiervoor is al overwogen dat er veel aanwijzingen zijn dat de arbeidsovereenkomst tussen Bolidt en [verweerder] nimmer is geëindigd en dat Bolidt zich zeker na de terugkeer van [verweerder] in Nederland als werkgever heeft gedragen. Tegen deze achtergrond kon Bolidt niet te goeder trouw het standpunt in nemen dat zij geen werkgever van [verweerder] was en dat zij geen re-integratieverplichtingen had. Omdat Bolidt ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan zij ten opzichte van [verweerder] geen beroep doen op het non-concurrentiebeding en het relatiebeding.
Wat is de hoogte van de billijke vergoeding die Bolidt aan [verweerder] moet betalen?
5.34
Omdat Bolidt ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, is zij een billijke vergoeding aan [verweerder] verschuldigd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Bolidt aan [verweerder] een billijke vergoeding van € 150.000,- bruto moet betalen, zijnde (afgerond) zes maandsalarissen.
5.35
Bolidt is van mening dat de billijke vergoeding te hoog is vastgesteld (grief 12 in principaal appel). Bolidt voert daartoe aan dat zij gegronde reden had om te veronderstellen dat [verweerder] geen werknemer van haar was. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat die stelling niet opgaat. Dat geldt ook voor Bolidts stelling dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en haar stelling dat de door haar te betalen vergoedingen moeten worden berekend aan de hand van het salaris dat [verweerder] in 2001 bij Bolidt verdiende.
5.36
Verder heeft Bolidt aangevoerd dat [verweerder] meermaals heeft aangegeven dat hij in 2013 al gezondheidsklachten ontwikkelde door de overdracht van zeggenschap naar de huidige directeur. Volgens Bolidt lag het dan ook niet in de rede om te verwachten dat de arbeidsovereenkomst nog enige tijd zou voortduren. Deze stelling leidt er niet toe dat de billijke vergoeding naar beneden moet worden aangepast. Immers, de kantonrechter is er bij het vaststellen van de billijke vergoeding niet van uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst nog lange tijd zou voortduren. Dit blijkt uit het feit dat er een billijke vergoeding os toegewezen ter hoogte van (afgerond) zes maandsalarissen. Grief 12 in principaal appel is dus ongegrond.
5.37
[verweerder] voert aan dat de billijke vergoeding te laag is vastgesteld (grief 4 in incidenteel appel). Hij is onder meer van mening dat bij de berekening van de billijke vergoeding rekening moet worden gehouden met een maandsalaris inclusief tantième. Omdat er op een later tijdstip verder zal worden beslist over (de omvang van) het tantième, zal het hof de beslissing over deze grief aanhouden.
Wat is de omvang van de transitievergoeding die Bolidt aan [verweerder] moet betalen?
5.38
De kantonrechter heeft de transitievergoeding vastgesteld op € 234.127,27 bruto. Bolidt is van mening dat dit bedrag te hoog is (grief 10 in principaal appel). De grief bouwt voort op de stelling van Bolidt dat de kantonrechter het salaris van [verweerder] te hoog heeft vastgesteld. Nu het hof die stelling heeft verworpen, faalt ook de grief van Bolidt over de omvang van de transitievergoeding.
5.39
[verweerder] heeft aangevoerd dat de kantonrechter de transitievergoeding te laag heeft vastgesteld (grief 3 in incidenteel appel). [verweerder] is van mening dat bij de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met het bedrag dat hij aan tantième ontvangt. Omdat er op een later tijdstip verder zal worden beslist over (de omvang van) het tantième, zal het hof ook de beslissing over deze grief aanhouden. Het hof wijst in dit verband wel op art. 5, onder b, van de Regeling Looncomponenten en arbeidsduur. [2] Hierin staat dat winstuitkeringen worden aangewezen als ‘variabele looncomponenten’. Verder wijst het hof op het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding. [3] Art. 3 lid Pro onder c bepaalt dat bij de berekening van de transitievergoeding rekening moet worden gehouden met overeengekomen variabele looncomponenten verschuldigd in de drie kalenderjaren voorafgaande aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt, gedeeld door 36.
Welk percentage aan wettelijke verhoging is Bolidt verschuldigd?
5.4
De kantonrechter heeft de wettelijke verhoging over het achterstallige loon vastgesteld op 15%. Bolidt acht dit percentage te hoog (grief 15 in principaal appel). Volgens [verweerder] is het percentage te laag (grief 5 in incidenteel appel).
5.41
Naar het oordeel van het hof moet de wettelijke verhoging worden gematigd tot 35%. Daarvoor is mede van belang dat de stelling van Bolidt dat zij niet de werkgever van [verweerder] is, evident onjuist is en dat had Bolidt behoren te begrijpen dat zij als werkgever van [verweerder] zou worden aangemerkt.
5.42
Anders dan Bolidt aanvoert (grief 15 in principaal appel), is er geen grond voor matiging van de wettelijke rente.
Heeft [verweerder] recht op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen?
5.43
[verweerder] voert aan dat hij bij het einde van de arbeidsovereenkomst met Bolidt nog 99,6 openstaande vakantiedagen had over de periode 2022-2025 en dat deze vakantiedagen moeten worden uitbetaald (grief 8 in incidenteel appel). Bolidt heeft die stelling niet betwist, zodat vast staat dat [verweerder] een vergoeding voor deze vakantiedagen moet ontvangen.
5.44
Volgens [verweerder] moet worden gerekend met zijn vaste salaris te vermeerderen met het bedrag aan tantième over diezelfde periode. Dit komt volgens [verweerder] uit op € 40.341,81 per maand en € 1.861,92 per vakantiedag. In totaal is Bolidt € 185.447,23 bruto openstaande vakantiedagen verschuldigd, aldus [verweerder]. Bolidt is van mening dat er geen tantième moet worden meegenomen in de berekening van de waarde van een vakantiedag.
5.45
Het hof overweegt als volgt. Art. 7:639 lid 1 BW Pro bepaalt dat een werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt en, indien bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak bestaat op vakantiedagen, op een uitkering in geld tot bedrag van het loon (art. 7:641 lid 1 BW Pro). Deze regeling is van dwingend recht, zo volgt uit art. 7:645 BW Pro, en moet worden uitgelegd in overeenstemming met art. 7 lid Pro 1 Arbeidstijdenrichtlijn. Naar vaste rechtspraak van het HvJEU strekt het vereiste van betaling van vakantieloon, zoals neergelegd in de hiervoor genoemde richtlijnbepaling, ertoe de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te plaatsen die wat betreft beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes, en de werknemer daardoor in staat te stellen de vakantie waarop hij recht heeft, daadwerkelijk op te nemen. Voorkomen moet worden dat de werknemer door een financieel nadeel ervan kan worden weerhouden zijn recht op jaarlijkse vakantie uit te oefenen. [4] Elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van taken die de werknemer zijn opgedragen, wordt gerekend tot de globale beloning van de werknemer. [5] Voor het vakantieloon wordt aldus uitgegaan van een ruim loonbegrip, waarin het naar oordeel van het hof – gezien de afspraken tussen partijen en uitvoering daarvan in het verleden – mogelijk is dat ook het tantième moet worden meegenomen.
5.46
De conclusie is dat over de waarde van de vakantiedagen nog geen beslissing kan worden genomen. Het hof heeft immers nog niet over de omvang van het tantième beslist. Bovendien is het voor het hof nog niet duidelijk of het tantième intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken van [verweerder] (of dat het bedrijfsresultaat bepalend is voor de vraag of [verweerder] recht heeft op een tantième). Het hof heeft op dit punt behoefte aan een nadere toelichting van partijen.
Moet Bolidt over de periode 2023-2025 zorg dragen voor een pensioenvoorziening voor [verweerder]?
5.47
[verweerder] heeft aangevoerd dat Bolidt hem per 8 maart 2023 ten onrechte heeft afgemeld bij pensioenverzekeraar Zwitserleven (grief 9 in incidenteel appel). Volgens [verweerder] moet Bolidt hem met terugwerkende kracht aanmelden. Als dat niet mogelijk is, vordert [verweerder] de schade die hij daardoor heeft geleden.
5.48
Nu hiervoor is vastgesteld dat [verweerder] bij Bolidt in dienst is gebleven, is Bolidt verplicht om de pensioenvoorziening van [verweerder] tot het einde van de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Het hof zal Bolidt in de gelegenheid stellen om zich uit te laten of het mogelijk is [verweerder] met terugwerkende kracht bij Zwitserleven aan te melden. Als dit niet mogelijk is, dienen beide partijen zich uit te laten over de hoogte van de door Bolidt te betalen schadevergoeding.
Heeft de kantonrechter de proceskostenvergoeding in het art. 223 Rv Pro incident ten onrechte gecompenseerd?
5.49
[verweerder] heeft aangevoerd dat de kantonrechter in rov. 4.127 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft beslist dat de kosten van het door Bolidt ingestelde incident ex art. 223 Rv Pro moeten worden gecompenseerd. Volgens [verweerder] heeft Bolidt in dit incident te gelden als de in het ongelijk gestelde partij (grief 7 in incidenteel appel). Naar het oordeel van het hof is de beslissing van de kantonrechter juist. Bolidt heeft in dit incident bij wijze van voorlopige voorziening verzocht om haar te ontheffen van de verplichting om aan [verweerder] meer loon te betalen dan € 2.774,41 bruto per vier weken. De kantonrechter heeft over dit incident geen beslissing genomen zodat Bolidt niet kan worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij.
Moet Bolidt worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verweerder]?
5.5
[verweerder] heeft aangevoerd dat er aanleiding is om Bolidt in de werkelijke proceskosten te veroordelen (grief 6 in incidenteel appel). Deze grief is ongegrond. Een dergelijke vordering is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarbij past terughoudendheid gelet op het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM Pro). De omstandigheid dat het hof de stellingen van Bolidt ongegrond heeft bevonden, betekent nog niet dat er in dit geval plaats is voor een volledige proceskostenvergoeding. Wat [verweerder] hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden.
Conclusie
5.51
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het principaal hoger beroep, voor zover in deze beschikking besproken, ongegrond is. De grieven 6 en 12 in principaal appel (tantième en billijke vergoeding) moeten echter nog (gedeeltelijk) worden behandeld. Dat geldt ook voor de grief over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
5.52
De grieven 6 en 7 in incidenteel appel (werkelijke proceskostenvergoeding, proceskosten in het incident) zijn ongegrond. Grief 5 in incidenteel appel (wettelijke verhoging) is gegrond. De beslissing over de overige grieven in incidenteel appel is aangehouden.
5.53
Bolidt zal in de gelegenheid worden stukken over te leggen over haar beleid ter zake van de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar (grief 1 in incidenteel appel) en ter zake van de mogelijkheid om de pensioenvoorziening van [verweerder] met terugwerkende kracht te herstellen (grief 9 in incidenteel appel). Bolidt kan deze informatie bij akte in het geding brengen.
5.54
De overige door het hof nog te nemen beslissingen houden verband met de aan [verweerder] nog verschuldigde tantième. In zoverre is voor de onderhavige zaak van belang wat het hof in zaak 200.362.440/01 zal beslissen. In laatstgenoemde zaak zal het hof een mondelinge behandeling plannen. Deze mondelinge behandeling zal tevens worden benut om de openstaande geschilpunten in de onderhavige zaak met partijen te bespreken.

6.Beslissing

Het hof:
stelt Bolidt in de gelegenheid om uiterlijk op 19 mei 2026 de stukken vermeld in rov. 5.53 in het geding te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, R.S. van Coevorden en M.B. Kerkhof en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EG) 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), Pb. EU L 177/6.
2.Stcrt. 2014, 36823.
3.Stb. 2014, 538.
4.Zie onder meer: HvJEU 22 mei 2014, zaak C 539/12, ECLI:EU:C:2014:351 (Lock/British Gas Trading) en HvJEU 16 maart 2006, gevoegde zaken C-131/04 en C-257/04, ECLI:EU:C:2006:177 (Robinson-Steele), alsmede HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1737
5.HvJ EU, 15 september 2011, C-155/10, rov. 20 en 23.