Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
Artikel 1.
KamerstukkenI 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder Pro b BW – namelijk ervan uitgegaan dat artikel 1:87 lid 2 onder Pro a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat niet de waarde van de woning op het moment van aflossing van belang is, maar de waarde van de woning ten tijde van de aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Het hof acht het daarom alleszins redelijk dat de omvang van het fictieve (economische) aandeel van de man in de woning wordt gerelateerd aan de waarde van de woning op dat moment van aflossing. Hierbij wordt opgemerkt dat de van de letterlijke wettekst afwijkende toelichting van de minister niet in de Tweede Kamer aan de orde is gekomen. De Tweede Kamer heeft ook geen gelegenheid gehad om zich hierover uit te laten omdat de minister de in de Eerste Kamer gedane suggestie om de wettekst aan te passen, heeft afgewezen (
Kamerstukken I2009/10, 28 867, nr. E, p. 2 (Nadere Memorie van Antwoord)).
maandelijkseaflossingen, overweegt het hof daarover nog het volgende. Terecht wordt door de minister in zijn toelichting aandacht gevraagd voor de praktische, naar het hof begrijpt, zeer bewerkelijke uitvoering van deze methodiek indien de waarde van de woning bij iedere maandelijkse aflossing telkens opnieuw bepaald zou moeten worden. Het hof meent desalniettemin dat art. 1:87 lid 2 onder Pro b BW ook in een dergelijk geval, gelet op de tekst van de wet, van toepassing is en ook tot de in economische zin meest juiste en redelijke uitkomst leidt. Wat betreft de praktische uitvoerbaarheid wijst het hof op art. 1:87 lid 5 BW Pro waarin is bepaald: “
Kan de vergoeding overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat.”