Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:535

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
200.362.146/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 lid 1 letter h Wet op de Inkomstenbelasting 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens fabriceren en antedateren contract

Deze arbeidsrechtelijke zaak betreft het hoger beroep van een werknemer tegen zijn ontslag op staande voet door zijn werkgever, Enraf-Nonius B.V. De werknemer werd verdacht van betrokkenheid bij het fabriceren en antedateren van een contract uit 2015, dat werd gepresenteerd als een contract uit 2011, waardoor de Belastingdienst bepaalde commissiekosten fiscaal aftrekbaar achtte. De werknemer was CFO en had een lange dienstbetrekking bij de werkgever.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer ernstig verwijtbaar had gehandeld door het contract te manipuleren en daarmee grote risico’s voor de werkgever te veroorzaken, waaronder fiscale naheffingen, boetes en reputatieschade. Het ontslag op staande voet werd als rechtsgeldig beschouwd. De werknemer stelde in hoger beroep dat het ontslag onterecht was, dat hij slechts onoplettend was geweest en dat het ontslag niet onverwijld was gegeven.

Het hof bevestigde dat de werknemer het contract zodanig had aangepast dat het leek alsof het in 2011 was opgesteld, terwijl dit in 2015 gebeurde, en dat hij daarmee de Belastingdienst en de nieuwe eigenaar had misleid. Dit was ernstig verwijtbaar gedrag dat een dringende reden voor ontslag opleverde. Ook was het ontslag onverwijld gegeven. Wel oordeelde het hof dat de werknemer recht had op een onkostenvergoeding van €378,51, die de kantonrechter ten onrechte had afgewezen. Voor de rest werd de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en werd de werknemer veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig; werknemer krijgt een onkostenvergoeding van €378,51 toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team handel
Zaaknummer : 200.362.146/01
Zaaknummers rechtbank: 11658565 VZ VERZ 25-2874 en 11662178 VZ VERZ 25-2901
Beschikking van14 april 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. R. Le Grand, kantoorhoudende in Rotterdam,
tegen:
Enraf-Nonius B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. S.E.M. Dekker, kantoorhoudende in Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna [verzoeker] en Enraf-Nonius noemen.

1.De zaak in het kort

Deze arbeidszaak gaat over een ontslag op staande voet. De werknemer zou in 2015 hebben meegewerkt aan het fabriceren en antedateren van een contract, op grond waarvan de Belastingdienst heeft geoordeeld dat bepaalde kosten (door werkgever betaalde commissies) fiscaal aftrekbaar waren.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift in hoger beroep, ingekomen op de griffie van het hof op 28 november 2025, waarmee [verzoeker] in hoger beroep is gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2025, met bijlagen;
  • het verweerschrift in hoger beroep van Enraf-Nonius;
  • de producties 80-85 die [verzoeker] ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 16 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Feiten en procedure bij de kantonrechter

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
[verzoeker] is op 1 maart 1998 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Enraf-Nonius. In 2000 heeft [verzoeker] , samen met de toenmalige CEO, Enraf-Nonius overgenomen. [verzoeker] was vanaf 1 september 2004 statutair bestuurder van Enraf-Nonius; vanaf 2010 via zijn persoonlijke vennootschap. Hij bekleedde de functie van CFO.
In 2021 is Enraf-Nonius verkocht aan Zimmer MedizinSysteme GmbH (hierna: Zimmer).
Op 4 september 2024 heeft de FIOD een inval gedaan bij Enraf-Nonius en op het huisadres van [verzoeker] wegens verdenking van ambtelijke corruptie (omkoping) , valsheid in geschrifte en het doen van onjuiste en onvolledige belastingaangifte. De inval hield verband met een door Enraf-Nonius tussen 2010 en 2021 uitgevoerd project voor de bouw van twee ziekenhuizen in Sri Lanka. Enraf -Nonius en [verzoeker] zijn aangemerkt als verdachten.
Op 19 februari 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Enraf-Nonius heeft aan dit ontslag ten grondslag gelegd – samengevat – dat zij kort daarvoor informatie onder ogen had gekregen waaruit bleek dat in 2015, in het kader van het ziekenhuisproject in Sri Lanka, een contract (het “Delmege contract”) is gefabriceerd en geantedateerd, zodat het leek alsof het in 2011 was opgesteld en ondertekend. [verzoeker] zou daarbij betrokken zijn geweest. Het Delmege contract is vervolgens aan de Belastingdienst toegezonden, waarna de Belastingdienst heeft beslist dat de door Enraf-Nonius in het kader van dat contract betaalde commissies, fiscaal aftrekbaar waren. Ook zou [verzoeker] het contract in 2024 aan Zimmer hebben gezonden en in het begeleidend schrijven hebben vermeld dat het contract in 2011 was getekend.
3.2
Bij verzoekschrift van 17 april 2025 heeft Enraf-Nonius de kantonrechter verzocht om – voor zover in hoger beroep van belang – [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. [verzoeker] heeft het verzoek van Enraf-Nonius betwist.
3.3
[verzoeker] is van mening dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Hij heeft zich echter (uiteindelijk) bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst neergelegd. Bij verzoekschrift van 18 april 2025 heeft [verzoeker] de kantonrechter verzocht (voor zover van belang) om Enraf-Nonius te veroordelen om aan hem onder meer een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding te betalen.
3.4
Enraf-Nonius heeft de verzoeken van [verzoeker] weersproken. Enraf-Nonius heeft een aantal tegenverzoeken ingediend, die in hoger beroep niet langer relevant zijn.
3.5
De kantonrechter heeft de verzoeken van [verzoeker] afgewezen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen:
“2.29. De kantonrechter concludeert dat [verzoeker] in 2015 aan de Belastingdienst een overeenkomst heeft gestuurd die zowel qua datering, als formulering, als inhoud onjuist was. Hij heeft daarmee de Belastingdienst op het verkeerde been gezet wat betreft de aard van het bedrag van € 11.175.000,- dat is betaald in verband met de projecten.
2.30.
Door zo te handelen heeft hij in de eerste plaats grote risico’s genomen voor Enraf-Nonius. Er is risico op fiscale naheffingen en boetes en op reputatieschade. Die risico’s hebben zich inmiddels gematerialiseerd. Enraf-Nonius wordt namelijk op dit moment strafrechtelijk vervolgd. Dat heeft ertoe geleid dat onder andere in het Financieel Dagblad Enraf-Nonius met naam en toenaam in verband wordt gebracht met corruptie en omkoping. Die risico’s had [verzoeker] moeten voorzien, omdat de Belastingdienst al kritische vragen stelde. Hij had moeten weten dat het bedrijf onder een vergrootglas lag en had daarom extra zorgvuldig moeten handelen.
2.31.
Verder is het goed voor te stellen dat Enraf-Nonius hierdoor het vertrouwen in
[verzoeker] is verloren. Zij kan niet meer blind vertrouwen op de uitlatingen van [verzoeker] en het is voor haar moeilijk na te gaan of hij vaker soortgelijke dingen heeft gedaan.
2.32.
Verder weegt voor de kantonrechter zwaar dat er door eigen handelen van [verzoeker] ernstige twijfel is gerezen over zijn betrouwbaarheid als CFO. Als financieel eindverantwoordelijke voor de onderneming mag van hem een hoog niveau van integriteit worden verwacht. Vanuit zijn voorbeeldfunctie moet hij immers ondergeschikten kunnen aanspreken op hun handelen. Doordat hij hierin verzeild is geraakt is het onhoudbaar om hem in dienst te houden. [verzoeker] kan nu namelijk niet meer op een geloofwaardige manier anderen aanspreken op hun fouten.
(…)
2.34.
Dat [verzoeker] de overeenkomst naar Deloitte heeft gestuurd vormt naar het oordeel van de kantonrechter dus op zichzelf een dringende reden. Wat het betekent dat hij deze overeenkomst later ook naar de nieuwe eigenaar van Enraf-Nonius heeft gestuurd kan daarom in het midden blijven.”
De kantonrechter heeft de verzoeken van Enraf-Nonius toegewezen.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
In hoger beroep heeft [verzoeker] het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van Enraf-Nonius af te wijzen en om:
1. voor recht te verklaren dat – hoewel [verzoeker] berust in de opzegging – Enraf-Nonius het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig heeft verleend.
2. Enraf-Nonius te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:
de transitievergoeding van € 107.076,60 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente;
een billijke vergoeding van € 25.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente;
loon van € 6.258,60 bruto vanaf 19 februari 2025 te vermeerderen met de wettelijke rente;
vakantiebijslag van € 6.342,05 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente;
en bedrag van € 11.621,- bruto te vermeerderen met de wettelijke rente, zijnde de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen van [verzoeker] ;
de gefixeerde schadevergoeding voor [verzoeker] van € 67.476,24 netto te vermeerderen met de wettelijke rente;
een bedrag van € 27.701,28 netto plus een bedrag van € 915,28, zijnde het bedrag dat [verzoeker] aan Enraf-Nonius uit hoofde van de bestreden beschikking heeft betaald aan gefixeerde schadevergoeding en wettelijke rente;
de onkosten van [verzoeker] van € 378,51 te vermeerderen met de wettelijke rente;
3. Enraf-Nonius te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief terugbetaling van het bedrag van € 3.768,- dat [verzoeker] aan proceskosten in eerste aanleg aan Enraf-Nonius heeft betaald.
4.2
Enraf-Nonius heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de besteden beschikking.
4.3
[verzoeker] heeft aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Volgens [verzoeker] kan hem niet of nauwelijks een verwijt worden gemaakt van het feit dat onder het Delmege contract de (onjuiste) datum van 3 juni 2011 staat. [verzoeker] is ook van mening dat zijn handelwijze ter zake van het Delmege contract geen dringende reden oplevert. Tot slot voert hij aan dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. De grieven 1 tot en met 3 hebben op deze standpunten betrekking.
Welke verwijten heeft Enraf-Nonius aan het ontslag ten grondslag gelegd en zijn deze verwijten terecht?
4.4
In de ontslagbrief heeft Enraf-Nonius de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden als volgt omschreven:
  • De Belastingdienst heeft op 21 april 2015 aan Enraf-Nonius een informatieverzoek gedaan. Daarop heeft [verzoeker] (via Deloitte) een contract tussen EN-Projects en Delmege Forsyth & Co Ltd ter zake van het Sri Lanka project aan de Belastingdienst doen toekomen. Dat contract was gedateerd op 3 juni 2011.
  • Uit een e-mailwisseling tussen [verzoeker] , [CEO Enraf] (toenmalige CEO van Enraf-Nonius), [directeur 1] en [directeur 2] (directeuren van de Engelse zakenpartner van Enraf-Nonius) blijkt dat [verzoeker] het contract omstreeks 19 mei 2015 heeft opgesteld, althans heeft aangepast. [verzoeker] heeft het contract vervolgens naar [CEO Enraf] , [directeur 1] en [directeur 2] gestuurd.
  • Op 22 mei 2015 heeft [verzoeker] een tweede versie van het contract aan [directeur 1] gestuurd. [directeur 1] heeft het op 26 mei 2015 als pdf teruggestuurd aan [verzoeker] . Dat contract is identiek aan de versie van 22 mei 2015, met dien verstande dat het contract is gedateerd op 3 juni 2011 en van handtekeningen en stempels is voorzien.
  • Op 27 mei 2015 heeft [verzoeker] het contract (het pdf document dat [directeur 1] hem had toegestuurd) aan Deloitte gezonden, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de Belastingdienst. Mede op basis van deze informatie heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de door Enraf-Nonius betaalde commissies voor een bedrag van € 11.175.000,- fiscaal aftrekbaar waren.
  • Naar aanleiding van de inval van de FIOD in 2024 heeft [verzoeker] op 1 oktober 2024 aan Zimmer informatie verstrekt over het Sri Lanka project. In dat verband heeft [verzoeker] hem onder meer het Delmege contract verstrekt en geschreven dat het contract in 2011 was ondertekend.
In de conclusie van de aan [verzoeker] gerichte ontslagbrief schrijft Enraf-Nonius vervolgens:
i) That for the purpose of providing information to the Tax and Customs Administration (in response to their request for information of 21 April 2015) you provided Deloitte with an agreement that was fabricated in 2015 and backdated, and
ii) That you also provided this agreement to the ultimate shareholder of Enraf, Zimmer MedizinSysteme GmbH (
Zimmer) in October 2024 as being the Delmege agreement entered into in 2011.
4.5
Uit het voorgaande volgt dat Enraf-Nonius – anders dan [verzoeker] aanvoert – niet uitsluitend aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd dat [verzoeker] een gefabriceerde en geantedateerde overeenkomst in 2015 aan Deloitte heeft gezonden en in 2024 aan de aandeelhouder. Uit de ontslagbrief blijkt dat [verzoeker] , volgens Enraf-Nonius, betrokken is geweest bij het opstellen en/of aanpassen van het contract op een zodanige wijze dat het leek alsof de overeenkomst was opgesteld in 2011 terwijl dat in werkelijkheid in 2015 is gebeurd.
4.6
In deze procedure heeft Enraf-Nonius het gegeven ontslag op staande voet nader toegelicht.
- In 2015 wenste de Belastingdienst nadere informatie van Enraf-Nonius te verkrijgen over de 15% commissie die Enraf-Nonius had betaald in het kader van het Sri Lanka project. Het ging de Belastingdienst om de vraag of deze commissie zou moeten worden gekwalificeerd als kosten en lasten die verband houden met giften, beloften of diensten die verband houden met (ambtelijke) omkoping. Dergelijke kosten en lasten zijn niet fiscaal aftrekbaar.
  • [verzoeker] heeft de tekst van het Delmege contract in mei 2015 zo gewijzigd dat het lijkt alsof het Delmege contract in 2011 is gesloten, voordat de contracten met het Ministerie voor Volksgezondheid van Sri Lanka die benodigd waren voor het ziekenhuisproject, rond waren.
  • De ondertekeningsdatum van het Delmege contract (3 juni 2011), die is aangebracht door de personen die het contract hebben ondertekend ( [directeur 1] (voor EN-Projects) en [directeur 3] (voor Delmege)) sluit naadloos aan bij die door [verzoeker] gemaakte wijzigingen. Het betoog van [verzoeker] dat hij de geantedateerde ondertekeningsdatum over het hoofd heeft gezien, is onaannemelijk gezien zijn functie, het feit dat de documentnaam van het door [directeur 1] aan hem toegezonden contract “Delmege Agreement 2011.PDF” was. Daarbij is ook relevant dat het contract belangrijk was voor de beoordeling van de aftrekbaarheid van omvangrijke commissiebedragen. Bovendien heeft [verzoeker] niet alleen aan de Belastingdienst doen voorkomen dat dit een contract uit 2011 was, maar in ieder geval ook aan Zimmer, Rabobank en (verzekeraar) Atradius.
  • De uitleg van [verzoeker] dat de getekende versie van het Memorandum of Understanding uit 2008 niet kon worden gevonden, rechtvaardigt het achteraf fabriceren van een contract “uit 2011” niet. De door [verzoeker] in het Delmege contract gemaakte wijzigingen staan ook haaks op zijn uitleg achteraf dat slechts bedoeld is alsnog afspraken uit 2008-2011 te formaliseren.
  • De stelling van [verzoeker] , dat de in het Delmege contract genoemde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht, vindt geen steun in de feiten. De onderzoeksbevindingen van het door Enraf-Nonius ingeschakelde onderzoeksbureau Ebben werpen namelijk een heel ander licht op de zaak. Uit dat onderzoek blijkt dat de door Enraf-Nonius te betalen 15% commissie aanvankelijk (in 2008) was bedoeld als vergoeding voor “
4.7
[verzoeker] heeft in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd. Het is juist dat [verzoeker] het Delmege contract in 2015 heeft bekeken en aangepast. Dat was nodig omdat het eerste concept was gebaseerd op een vijf jaar oud contract dat ooit voor een project in Ghana was gebruikt. Het contract moest dus inhoudelijk worden aangepast aan de situatie in Sri Lanka en naar de stand van zaken in 2011, het moment dat volgens [verzoeker] met Delmege daadwerkelijk de definitieve afspraken zijn gemaakt over het Sri Lanka project. Deze afspraken weken volgens [verzoeker] op bepaalde punten af van wat er in het Memorandum of Understanding uit 2008 stond; onder meer omdat partijen in de periode 2008-2011 aanvullende afspraken hadden gemaakt. [verzoeker] voert verder aan dat hij na het aanpassen van het contract geen bemoeienis heeft gehad met de ondertekening van de overeenkomst en dus niet heeft gezien dat bij de ondertekening van het contract door [directeur 1] en [directeur 3] als datum 3 juni 2011 is vermeld.
4.8
Het hof overweegt dat uit de stellingen van [verzoeker] volgt dat hij in 2015 de bedoeling had om de conceptovereenkomst zo vorm te geven dat deze de stand van zaken uit 2011 zou weergeven. Daarbij heeft [verzoeker] ook aanpassingen aangebracht op grond waarvan het lijkt alsof de tekst van de overeenkomst in 2011 is opgesteld. Zo heeft hij de zin “
With the assistance of DFC, EN-P has signed contracts with the Ministry of Health of Sri Lanka” veranderd in “
With the assistance of DFC, EN-Pis likely to signcontracts with the Ministry of Health of Sri Lanka”. Verder heeft hij in de zin: “
Carry out the implementation under the terms of a contract signed between EN-P and Ministry of Health of Sri Lankaon 21st June 2011” de onderstreepte datum verwijderd.
4.9
Voor het hof staat het vast dat [verzoeker] in het Delmege contract niet tot uitdrukking heeft gebracht dat het contract was opgesteld in 2015. Anders dan [verzoeker] aanvoert, is het dus niet slechts de door [directeur 1] en [directeur 3] vermelde datum van 3 juni 2011 die er voor zorgt dat het lijkt alsof het contract in 2011 is opgesteld. Ook de door [verzoeker] zelf gemaakte aanpassingen wekken die suggestie. [verzoeker] voert nog aan dat hij ervan uitging dat [directeur 1] en [directeur 3] bij de ondertekening zouden vermelden “overeengekomen op/in … en ondertekend op …”. Als dat zo zou zijn, kan hem in ieder geval een verwijt worden gemaakt dat hij dat niet achteraf heeft gecontroleerd. Immers, [verzoeker] had moeten begrijpen dat zonder een dergelijke toevoeging uit niets zou blijken dat de overeenkomst in werkelijkheid in 2015 was opgesteld en ondertekend. Gelet op het grote belang van de overeenkomst, namelijk als bewijsstuk dat de door Enraf-Nonius betaalde commissies ten bedrage van € 11.175.000,- fiscaal aftrekbaar waren, mocht van [verzoeker] in zijn functie van CFO een veel grotere zorgvuldigheid worden verlangd. Zo had hij expliciet in het contract kunnen vermelden dat de partijen in 2011 (mondeling) afspraken hadden gemaakt die zij in 2015 alsnog schriftelijk wilden vastleggen. Dit om iedere onduidelijkheid daarover weg te nemen. [verzoeker] heeft de overeenkomst echter – naar eigen zeggen – ongezien aan Deloitte toegestuurd, die het contract daarna aan de Belastingdienst heeft doorgestuurd.
4.1
Ook in het begeleidend schrijven aan Deloitte heeft [verzoeker] geen melding gemaakt van het feit dat het Delmege contract pas in mei 2015 was opgesteld en ondertekend. Bij de Belastingdienst is dus een document terecht gekomen dat wat betreft vorm en inhoud de suggestie wekte dat het ging om een contract dat was gesloten, opgesteld en ondertekend in 2011. De Belastingdienst heeft mede op basis van dit contract beslist dat de door Enraf-Nonius betaalde commissies aftrekbaar waren.
4.11
[verzoeker] heeft nog aangevoerd dat het informatieverzoek van de Belastingdienst van april 2015 geen betrekking had op mogelijke omkoping in Sri Lanka, maar slechts was bedoeld voor ‘dossiervorming’. Die stelling is ongegrond. In de e-mail van 28 april 2015 van Deloitte aan [verzoeker] staat namelijk het volgende:
“Zoals vanmiddag besproken sturen we je hierbij de brief van de Belastingdienst omtrent de betaalde commissies aan Delmege en de bepaling van de fiscale aftrekbaarheid hiervan. De Belastingdienst gaf eerder aan dat deze vragenbrief in beginsel met name voor interne doeleinden/dossiervorming van belang is.
Uit deze e-mail blijkt dat de Belastingdienst vragen had over de fiscale aftrekbaarheid van de aan Delmege betaalde commissies. In de door Deloitte met de e-mail meegestuurde brief van 21 april 2015 van de Belastingdienst (gericht aan Deloitte) staat dit nog duidelijker:
“In het overleg met de gemachtigde van Enraf-Nonius BV en u hebben wij ons tot op heden primair gericht op de allocatie van de projectresultaten aan de betrokken landen. Een ander fiscaal aandachtspunt vormt de vraag of alle projectkosten ook voor de winstbepaling in aftrek kunnen worden gebracht. Met name wordt daarbij gedacht aan de commissies in relatie tot de bepaling van artikel 3.14, lid 1, letter h Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001).
Om de fiscale aftrekbaarheid te toetsen, verzoek ik u mij aan te geven waarom u van mening bent dat de commissies niet te kwalificeren zijn in de context van voornoemd artikel. Graag verzoek ik u bij de beantwoording van mijn vraag de volgende informatie te verstrekken:
- het doel van de betaalde commissies;
- de persoon, het bedrijf en/of de instantie aan wie de commissies zijn betaald;
- de schriftelijke overeenkomst waaruit de aard, omvang en voorwaarden van de commissiebetalingen blijken;
- de omvang en de frequentie van de tot op heden verrichte betalingen, onderbouwd met de facturen;
- de gebruikelijkheid van dergelijke commissies in de branche;
- de werkzaamheden die Enraf-Nonius BV heeft verricht om vast te stellen dat deze commissies niet, direct dan wel indirect, leiden tot een kwalificatie als bedoeld in artikel 3.14, lid 1, letter h Wet IB 2001.”
Artikel 3.14, lid 1, letter h Wet op de Inkomstenbelasting 2001 bepaalt – zakelijk weergegeven – dat uitgaven ter zake van omkoping (en een aantal andere strafbare feiten) niet fiscaal aftrekbaar zijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft [verzoeker] het Delmege contract aan de Belastingdienst laten toesturen, alsmede een aantal facturen van Delmege die betrekking hadden op de commissiebetalingen. Het moet [verzoeker] – als CFO en register accountant – duidelijk zijn geweest dat het Delmege contract voor de Belastingdienst van groot belang zou kunnen zijn voor haar beslissing of de door Enraf-Nonius betaalde commissies fiscaal aftrekbaar waren.
4.12
In 2024 heeft [verzoeker] naar aanleiding van de inval van de FIOD aan Zimmer (de aandeelhouder van Enraf-Nonius) een toelichting gegeven op de gang van zaken rondom het Sri Lanka project. In een e-mail van 1 oktober 2024 schrijft hij onder meer:
“In 2011 Enraf-Nonius signed a contract (attached) with Delmege to cooperate
in tendering for the construction and equipping of 2 hospitals in Sri Lanka.”
[verzoeker] doet het in deze e-mail dus voorkomen dat het contract in 2011 is ondertekend.
4.13
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat de in de ontslagbrief opgenomen ontslaggronden feitelijk juist zijn. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld door zowel tegenover Deloitte/de Belastingdienst als tegenover Zimmer de suggestie te wekken dat het Delmege contract dateert uit 2011. Daarbij gaat het dus niet erom dat [verzoeker] (slechts) over het hoofd zou hebben gezien dat [directeur 1] en [directeur 3] een onjuiste datum onderaan het contract hebben vermeld. Het verwijt dat [verzoeker] kan worden gemaakt is dat hij het contract zo heeft aangepast dat uit de bewoordingen daarvan niet (meer) bleek dat het contract pas in 2015 is opgesteld en dat hij er niet voor heeft gezorgd dat de onjuiste suggestie dat het ging om een in 2011 opgestelde overeenkomst, werd weggenomen. Gezien de functie van [verzoeker] bij Enraf-Nonius kan hem hiervan een ernstig verwijt worden gemaakt. [verzoeker] had moeten begrijpen dat de antedatering van het contract ertoe zou kunnen leiden dat de Belastingdienst op grond van een onjuiste voorstelling van zaken een beslissing zou nemen. Bovendien had hij zich moeten realiseren dat het fabriceren en antedateren van een contract op enig moment voor andere, aanzienlijke problemen zou kunnen zorgen.
4.14
[verzoeker] heeft aangevoerd dat het Delmege contract inhoudelijk wél juist is, in die zin dat daarin is vermeld wat partijen in 2011 daadwerkelijk hebben afgesproken. Ook als die stelling juist is, neemt dat de verwijtbaarheid van de handelwijze van [verzoeker] niet weg. Immers, de gang van zaken rond de totstandkoming van het Delmege contract heeft in belangrijke mate ertoe bijgedragen dat er inmiddels onzekerheid is ontstaan of in dat contract daadwerkelijk de in 2011 gemaakte afspraken met betrekking tot de aan Delmege te betalen commissies zijn verwoord. Het Delmege contract roept de vraag op waarom er in 2015 niet voor is gekozen om de op dat moment geldende afspraken op schrift te stellen. Zo is het onduidelijk waarom het Delmege contract vermeldt dat Enraf-Nonius commissiebetalingen zou doen aan Delmege, terwijl Enraf-Nonius in werkelijkheid tussen 2011 en 2015 al commissiegelden had betaald aan Sabre Vision, wat mede aanleiding is geweest voor een discussie tussen procespartijen of Sabre Vision destijds deel uitmaakte van de Delmege-groep. In dit verband verwijst het hof naar het verweerschrift in hoger beroep van Enraf-Nonius, waarin in de randnummers 6.44 tot en met 6.63 de ontstane verwarring over de grondslag voor de commissiebetalingen is omschreven. Kortom, ook als [verzoeker] in 2015 ervoor heeft zorggedragen dat de in 2011 gemaakte afspraken correct zijn verwoord in het Delmege contract, had hij – mede gelet op de vraagstelling van de Belastingdienst in de brief van 21 april 2015 – expliciet in het contract moeten vermelden dat die afspraken pas vier jaar later op schrift zijn gesteld om discussie over de juistheid van het contract te voorkomen.
Is er sprake van een dringende reden?
4.15
Het hof moet beoordelen of de hiervoor besproken verwijten een dringende reden voor ontslag op staande voet vormen. Beoordeeld moet worden of de gedragingen van [verzoeker] van dien aard zijn dat van Enraf-Nonius niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. Het hof is van oordeel dat dat het geval is. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze grote risico’s genomen voor Enraf-Nonius. Zo bestond er het risico op fiscale naheffingen, boetes en reputatieschade. Anders dan [verzoeker] aanvoert, is daarbij niet van belang dat er – naar hij stelt – inmiddels geen risico meer is op naheffingen bij Enraf-Nonius, omdat dit niet wegneemt dat dat risico wel degelijk heeft bestaan.
4.16
De hiervoor genoemde risico’s hebben zich inmiddels (deels) gematerialiseerd. Enraf-Nonius wordt namelijk strafrechtelijk vervolgd en wordt in de pers met naam en toenaam in verband gebracht met corruptie en omkoping. Die risico’s had [verzoeker] in 2015 moeten voorzien omdat hem duidelijk moet zijn geweest dat de Belastingdienst vragen stelde over de fiscale aftrekbaarheid van een aanzienlijk bedrag aan de commissies in verband met de mogelijkheid dat deze commissies al dan niet ten dele bestemd waren voor omkoping. Als financieel eindverantwoordelijke van Enraf-Nonius had van [verzoeker] een hoog niveau van integriteit mogen worden verwacht. Door over zo’n belangrijk onderwerp in 2024 – na de inval van de FIOD – geen openheid van zaken te geven, kan Enraf-Nonius ook niet langer vertrouwen op de uitlatingen van [verzoeker] . Zijn handelwijze maakt dat het voor Enraf-Nonius onhoudbaar is om hem in dienst te houden. Daaraan doet niet af dat [verzoeker] zich bijna dertig jaar voor de onderneming heeft ingezet en altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en dat het strafrechtelijke onderzoek, dat nog steeds aan de gang is, (ook) voor hem aanzienlijke negatieve gevolgen heeft. Van Enraf-Nonius kon niet worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst nog langer liet voortduren, ongeacht de uiteindelijke uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek.
Is het ontslag onverwijld gegeven?
4.17
[verzoeker] heeft aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Hij voert aan dat uit het onderzoeksrapport van Ebben blijkt dat Ebben al geruime tijd betrokken was bij Enraf-Nonius en in december 2024 en januari 2025 de informatie waarop het ontslag is gebaseerd, heeft verzameld en geanalyseerd. [verzoeker] vindt het niet aannemelijk dat Enraf-Nonius pas in februari 2025 van Ebben zou hebben gehoord dat er belastingissues waren en dat zij pas op 14 februari 2025 zelf zou hebben ontdekt wat dit precies inhield. Naar het hof begrijpt, houdt de stelling van [verzoeker] dus in dat Enraf-Nonius al in december 2024 of januari 2025 op de hoogte was van de feiten en omstandigheden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd.
4.18
Enraf-Nonius heeft over de onverwijldheid in haar verweerschrift in hoger beroep het volgende aangevoerd. Enraf-Nonius heeft tot het eerste concept rapport van Ebben in april 2025, van Ebben geen toegang gekregen tot het concept rapport of tot documenten. Dit hangt samen met de aard van het onderzoek van Ebben. Het gaat om een (artikel 37) BTA onderzoek, dat werd geëist door de toenmalig accountant van Enraf-Nonius, naar aanleiding van de inval van de FIOD. Ebben was er richting Enraf steeds duidelijk over dat geen tussentijds rapport of documenten zouden worden verstrekt totdat de “rebuttal fase” afgerond was. Wel heeft Ebben Enraf-Nonius begin februari 2025 medegedeeld dat er mogelijk belasting gerelateerde issues waren. Enraf-Nonius is toen zelf aan de hand van zoektermen de mailboxen gaan doorspitten en is zo op 14 februari 2025 bekend geworden met de stukken rondom het Delmege contract. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de heer Klein (aanwezig namens Enraf-Nonius) deze gang van zaken bevestigd, met dien verstande dat hij heeft toegelicht dat hij eind januari 2025 al iets over de belastingissues had gehoord en vervolgens op enig moment ook heeft gehoord dat het ging om het Sri Lanka project en om het jaar 2015.
4.19
Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] de door Enraf-Nonius geschetste gang van zaken onvoldoende gemotiveerd betwist. [verzoeker] voert slechts aan dat het “hoogstwaarschijnlijk” is dat Ebben Enraf-Nonius heeft geïnformeerd over de uitkomsten van de analyse die zij in december 2024 en januari 2025 heeft gemaakt, te meer omdat Ebben [verzoeker] in een interview op 11 februari 2025 heeft geconfronteerd met stukken die Enraf-Nonius later aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd. Een andere “sterke aanwijzing” is volgens [verzoeker] dat Ebben in haar rapport geen verantwoording heeft afgelegd over de mate van betrokkenheid van Enraf-Nonius, wat aanleiding geeft om te veronderstellen dat Enraf-Nonius nauw betrokken is geweest bij het onderzoek. Deze stellingen zijn in hoge mate speculatief, waarbij het hof nog opmerkt dat uit het verslag van het op 11 februari 2025 gehouden interview niet blijkt dat vertegenwoordigers van Enraf-Nonius aanwezig waren.
4.2
Kortom, de stelling van [verzoeker] dat Enraf-Nonius (in ieder geval) al in januari 2015 op de hoogte was van de feiten en omstandigheden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, gaat niet op. De grief dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven is dus ongegrond.
Tussenconclusie
4.21
De tussenconclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven alsook dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld Hieruit volgt dat er geen grond is voor het toewijzen van een billijke vergoeding of een gefixeerde schadevergoeding, als door [verzoeker] bepleit in grief IV. De vordering van Enraf-Nonius tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding door [verzoeker] aan haar, is door de kantonrechter terecht toegewezen nu de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag ligt te wijten is aan schuld van [verzoeker] het hof begrijpt heeft Enraf-Nonius deze aan haar toekomende schadevergoeding verrekend met vorderingen van [verzoeker] uit hoofde van salaris, vakantiedagen en vakantietoeslag. Grief IV faalt ook voor zover deze betrekking heeft op de verrekening van deze vorderingen.
Heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding?
4.22
[verzoeker] heeft in grief IV ook aangevoerd dat de kantonrechter hem ten onrechte geen transitievergoeding heeft toegekend. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het hem weliswaar dwars zit dat hij de datum onderaan het Delmege contract niet heeft gezien, maar dat er geen kwaad in de zin is geweest, enkel naïviteit en onoplettendheid. Dat is volgens [verzoeker] iets anders dan bewust handelen met als doel om omkoping te verbloemen. Bovendien is de FIOD nog steeds bezig met het onderzoek naar de vraag of er omkoping heeft plaatsgevonden en kan op de uitkomst van dat onderzoek niet vooruit worden gelopen.
4.23
Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat het verwijt dat aan het adres van [verzoeker] wordt gemaakt, niet uitsluitend erin bestaat dat hij de datum onderaan het contract niet heeft gezien. [verzoeker] heeft verwijtbaar gehandeld doordat hij het contract zo heeft aangepast dat het net leek alsof het contract in 2011 was opgesteld. Daarmee heeft hij zowel tegenover Deloitte/de Belastingdienst als tegenover Zimmer de suggestie gewekt dat het Delmege contract dateert uit 2011. Gezien zijn positie als CFO en register accountant kan hem hiervan een ernstig verwijt worden gemaakt.
4.24
Of er ter zake van het Sri Lanka project omkoping heeft plaatsgevonden en of [verzoeker] daarvan op de hoogte was en/of bij betrokken was, valt buiten de reikwijdte van dit geschil. Enraf-Nonius heeft deze stellingen immers niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.
4.25
Tot slot heeft [verzoeker] nog aangevoerd dat als er sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen, het niet-toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook in dit verband wijst [verzoeker] erop dat er slechts sprake is van onoplettendheid ten aanzien van de datum onder het contract. Zoals hiervoor al is overwogen, is dat niet de kern van het verwijt dat [verzoeker] wordt gemaakt. De omstandigheid dat hij een lang en vlekkeloos dienstverband bij Enraf-Nonius heeft gehad, rechtvaardigt evenmin de toekenning van een (gedeeltelijke) transitievergoeding.
Heeft [verzoeker] recht op een onkostenvergoeding van € 378,51?
4.26
[verzoeker] heeft in grief V aangevoerd dat hij recht heeft op een bedrag van € 378,51 ter vergoeding van door hem gemaakte internet-, telefoon- en brandstofkosten. Hij stelt dat Enraf-Nonius deze kosten altijd pleegde te vergoeden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [verzoeker] eerdere onkostendeclaraties overgelegd, die Enraf-Nonius wél heeft betaald.
4.27
Enraf-Nonius heeft niet betwist dat zij eerdere declaraties heeft vergoed, maar voert aan dat deze betalingen niet berustten op een overeenkomst tussen haar en [verzoeker] . Volgens Enraf-Nonius heeft [verzoeker] als CFO van Enraf-Nonius deze kosten kennelijk aan zichzelf laten vergoeden en bevatten de overgelegde declaratieformulieren geen paraaf voor autorisatie.
4.28
Het hof overweegt als volgt. Enraf-Nonius heeft de stelling van [verzoeker] dat Enraf-Nonius de desbetreffende onkosten altijd pleegde te vergoeden, niet betwist. Enraf-Nonius heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld dat [verzoeker] geen recht zou hebben gehad op deze eerdere betalingen. Het feit dat de declaratieformulieren die [verzoeker] heeft overgelegd, geen paraaf voor autorisatie bevatten, leidt in ieder geval niet zonder meer tot die conclusie.
4.29
De gebruikelijke gang van zaken met betrekking tot de onkostenvergoedingen veronderstelt dat partijen hierover op enig moment (al dan niet stilzwijgend) afspraken hebben gemaakt. Dat er geen concrete (schriftelijke) overeenkomst is aan te wijzen waaruit volgt dat [verzoeker] recht op vergoeding van deze onkosten heeft, is – gezien de aard en omvang van de bedragen – niet van doorslaggevende betekenis. Grief V slaagt dus.
4.3
Het hof zal het bedrag van € 378,51 dus toewijzen.
Conclusie en proceskosten
4.31
De conclusie is dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover de kantonrechter daarin het door [verzoeker] verzochte bedrag van € 378,51 heeft afgewezen. Dit bedrag zal alsnog worden toegewezen. Voor het overige zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. [verzoeker] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Enraf-Nonius. Deze kosten worden begroot op € 827,- aan griffierechten, € 2.580, -aan salaris advocaat (2 punten, tarief II) en € 189,- aan nakosten.

5.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 29 augustus 2025, voor zover de kantonrechter daarin het door [verzoeker] verzochte bedrag van € 378,51 heeft afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
o veroordeelt Enraf-Nonius tot betaling van € 378,51 aan [verzoeker] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2025 tot aan de dag van algehele betaling;
  • bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
  • veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Enraf-Nonius begroot op € 3.596,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover deze kosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [geivknaam1] niet veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend [verzoeker] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [geivknaam1]deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, M.D. Ruizeveld en O.F. Blom en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.