ECLI:NL:GHDHA:2026:504

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.343.534/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executeur vordert afwijzing vordering ex-partner op nalatenschap erflater

De executeur-testamentair van de nalatenschap van erflater is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank dat haar veroordeelde tot betaling van een bedrag van €24.899,19 aan de ex-partner van erflater. De ex-partner was verstek verleend in hoger beroep, maar het hof handhaafde de procedure op tegenspraak.

De procedure betreft vorderingen uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en vermeende schulden die de ex-partner zou hebben voldaan namens erflater. De executeur betwistte meerdere posten van de vordering, waaronder vermeende schulden aan derden en onbetaalde gebruiksvergoeding en partneralimentatie.

Het hof oordeelde dat de ex-partner onvoldoende bewijs had geleverd voor diverse vorderingen, dat sommige vorderingen verjaard waren en dat bepaalde bedragen niet aan de orde waren gesteld bij eerdere verdelingen. Alleen een bedrag van €725,14 plus wettelijke rente werd als verschuldigd erkend.

Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de betaling van €24.899,19 en de proceskostenveroordeling betrof, en veroordeelde de executeur tot betaling van het lagere bedrag. Tevens werd de ex-partner veroordeeld in de proceskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep.

Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 17 maart 2026.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor het grootste deel en bepaalt dat de executeur slechts €725,14 plus rente aan de ex-partner verschuldigd is, met veroordeling van de ex-partner in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer : 200.343.534/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/634720 / HA ZA 22-741
Arrest van 17 maart 2026
in de zaak van
[de executeur] ,
in haar hoedanigheid van executeur-testamentair van de nalatenschap van [erflater] (hierna: erflater),
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te ’s-Hertogenbosch,
tegen
[ex-partner van erflater] ,
wonende op een geheim adres,
geïntimeerde.
Het hof zal partijen hierna de executeur en [ex-partner van erflater] noemen.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
De executeur is bij dagvaarding van 17 juli 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de rechtbank) van 31 mei 2023 (hierna: het bestreden vonnis).
1.2
Aan [ex-partner van erflater] is op 16 juli 2024 verstek verleend.
1.3
De executeur heeft op 24 september 2024 een memorie van grieven genomen.
1.4
De executeur heeft arrest gevraagd en haar procesdossier gefourneerd.

2.Procedure bij de rechtbank

2.1
De executeur heeft, kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat de erfgenamen van erflater niets meer aan [ex-partner van erflater] verschuldigd zijn, met veroordeling van [ex-partner van erflater] in de proceskosten.
2.2
[ex-partner van erflater] heeft in reconventie betaling van de executeur gevorderd van een bedrag van € 24.899,19 met rente en kosten, te voldoen uit de nalatenschap van erflater.
2.3
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis:
in conventie:
5.1
de vorderingen van de executeur afgewezen;
5.2
de executeur veroordeeld om [ex-partner van erflater] uit de nalatenschap van erflater de proceskosten in conventie van € 1.953,22 te betalen;
in reconventie:
5.3
de executeur veroordeeld om [ex-partner van erflater] uit de nalatenschap van erflater een hoofdsom van € 24.899,19 te betalen, met wettelijke rente over € 2.895,82 vanaf 5 april 2018, over nog eens € 11.592,79 vanaf 18 mei 2022 en over nog eens € 8.072,12 vanaf 23 augustus 2022, tot de dag dat volledig betaald is;
5.4
de executeur veroordeeld om [ex-partner van erflater] uit de nalatenschap van erflater de proceskosten in reconventie van € 383,- te betalen;
in conventie en reconventie:
5.5
de veroordelingen van 5.2 tot en met 5.4 uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
5.6
het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.Vorderingen in hoger beroep

3.1
De executeur vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, zowel in conventie als in reconventie, en opnieuw rechtdoende:
- de vorderingen van de executeur in conventie alsnog toewijst en de vorderingen in reconventie van [ex-partner van erflater] alsnog afwijst;
- [ex-partner van erflater] veroordeelt in de kosten van het geding in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, en in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof enige feiten weer. Erflater (overleden op [datum] 2021) is op [huwelijksdatum] 2011 in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [ex-partner van erflater] . Op 11 oktober 2013 is een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend hetgeen tot gevolg heeft dat de huwelijksgemeenschap van erflater en geïntimeerde op die datum is ontbonden. Bij beschikking van 5 november 2014 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen erflater en [ex-partner van erflater] uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank op de bladzijden 7 en 8 de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap beschreven. De rechtbank heeft in voormelde beschikking onder meer overwogen dat erflater en [ex-partner van erflater] ieder voor de helft draagplichtig zijn met betrekking tot de gemeenschapsschulden.
4.2
Uit het betreden vonnis van 31 mei 2023 volgt dat [ex-partner van erflater] een aantal gemeenschapsschulden integraal heeft voldaan en uit dien hoofde een vordering op erflater heeft gekregen voor de helft van de door haar betaalde schulden. De totale vordering van [ex-partner van erflater] op erflater en thans op de erfgenamen van erflater bedraagt € 24.899,19 (exclusief wettelijke rente). De rechtbank heeft de vordering van [ex-partner van erflater] jegens de erfgenamen toegewezen.
4.3
De executeur heeft zeven grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. Het hof zal deze grieven afzonderlijk bespreken. [ex-partner van erflater] is niet in het hoger beroep verschenen. Desondanks blijft het een procedure op tegenspraak.
4.4
Uit de eerste grief volgt dat de executeur gemotiveerd betwist dat [ex-partner van erflater] een schuld had aan haar dochter van € 16.144,23. Door de executeur wordt gesteld dat de rechtbank in haar beschikking van 5 november 2014 niet heeft vastgesteld dat [ex-partner van erflater] een schuld had aan haar dochter van € 16.144,23. In randnummer 14 stelt de executeur dat uit de mutaties op de bankafschriften niet volgt dat [ex-partner van erflater] geld had geleend van haar dochter. Bij de mutaties was onder meer vermeld 11 keer “uit privé”, 18 keer “geld” enzovoort. De executeur is van mening dat [ex-partner van erflater] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. In randnummer 19 van de memorie van grieven stelt de executeur dat [ex-partner van erflater] – bij de verdeling van de voormalige echtelijke woning te [plaats] op 17 april 2020 – de vordering van € 16.144,23 niet aan de orde heeft gesteld. In de visie van de executeur moeten er niet meer oude koeien uit de sloot worden gehaald als het kalf is verdronken. Het hof is van oordeel dat de executeur thans de vordering van [ex-partner van erflater] gemotiveerd bestrijdt. Op basis van slechts de omschrijvingen op de bankafschriften kan niet worden vastgesteld of [ex-partner van erflater] geld van haar dochter heeft geleend en onder welke voorwaarden. Opmerkelijk is dat [ex-partner van erflater] voormelde vordering niet aan de orde heeft gesteld op het moment dat zij met erflater overging tot verdeling van de voormalige echtelijke woning. Uit de notariële akte tot verdeling van het woonhuis van notaris [notaris] d.d. 17 april 2020 volgt dat er door erflater aan [ex-partner van erflater] (na verrekening) een bedrag is betaald van € 137.643,85. Als [ex-partner van erflater] uit hoofde van de verdeling nog andere bedragen had te vorderen, had het voor de hand gelegen dat op het moment van de notariële levering aan de orde te stellen. Het hof verwijst hier ook naar de notariële afrekening van 17 april 2020 die gericht is aan [ex-partner van erflater] en die in eerste aanleg in het geding is gebracht. De grief van de executeur treft dus doel.
4.5
In de tweede grief bestrijdt de executeur ook gemotiveerd dat er een schuld is aan [naam] van € 4.185,58. In de visie van de executeur is de schuld aan [naam] in nevelen gehuld. Het zou een voorhuwelijkse schuld van [ex-partner van erflater] betreffen. Ook wordt door de executeur betwist dat het bedrag door [ex-partner van erflater] is betaald. Het hof heeft in de beschikking van 5 november 2014 gelezen dat [ex-partner van erflater] een schuld had aan [naam] , maar de rechtbank heeft in de beschikking niet de aard en de hoogte van de schuld vastgesteld. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van [ex-partner van erflater] gelegen om de vermeende schuld aan [naam] nader te onderbouwen, bewijs te leveren van de integrale betaling van de schuld en een verklaring te geven waarom zij de schuld niet aan de orde heeft gesteld bij de verdeling van de opbrengst van het huis in 2020. Grief 2 treft dus ook doel.
4.6
In de derde grief stelt de executeur aan de orde de voorhuwelijkse schuld van [ex-partner van erflater] aan de ABN-AMRO van € 19.000,-. Voor deze schuld geldt dus ook de bepaling van artikel 1:100 BW Pro dat erflater voor de helft van die schuld draagplichtig is. Door de executeur is gesteld dat die schuld aan [ex-partner van erflater] is toegedeeld. Naar het oordeel van het hof volgt uit de beschikking van 5 november 2014 dat partijen destijds met elkaar ter terechtzitting zijn overeengekomen dat de betreffende bankrekening bij de ABN-AMRO aan [ex-partner van erflater] is toegedeeld met dien verstande dat beide partijen ieder bij helfte draagplichtig zijn met betrekking tot het negatieve saldo. Een redelijke uitleg van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen brengt naar het oordeel van het hof met zich mede dat [ex-partner van erflater] verantwoordelijk is voor het verloop en de aflossing van deze schuld en had het op de weg van [ex-partner van erflater] gelegen om erflater binnen vijf jaar na datum van de overeenkomst van partijen met betrekking tot dit onderdeel van de verdeling aan te spreken met betrekking tot de betaling van de helft van het saldo van € 19.000, -. Nu zij dit niet heeft gedaan en eveneens geen stuitingshandeling heeft verricht is de vordering van [ex-partner van erflater] verjaard. En voor zover de vordering nog niet was verjaard had zij - mede bezien de rechtsverhouding tussen erflater en [ex-partner van erflater] - de aflossing van de schuld uiterlijk aan de orde dienen te stellen bij de verkoop van de voormalige echtelijke woning en de verdeling van de overwaarde. Grief 3 treft doel.
4.7
In de vierde grief stelt de executeur aan de orde de onbetaalde gebruiksvergoeding (gebruik voormalige echtelijke woning) en partneralimentatie die erflater aan [ex-partner van erflater] verschuldigd was. In randnummer 43 van de memorie van grieven stelt de executeur dat de berekening van [ex-partner van erflater] niet klopt en geeft daarbij een toelichting over het bedrag dat erflater nog aan [ex-partner van erflater] verschuldigd is, zijnde een bedrag van € 725,14. Naar het oordeel van het hof heeft de executeur de vordering van [ex-partner van erflater] nu wel gemotiveerd bestreden tot een bedrag van € 725,14. Grief 4 treft dus gedeeltelijk doel.
4.8
In de vijfde grief stelt de executeur een aantal onbetaalde bedragen aan de orde die erflater in het kader van de verdeling aan [ex-partner van erflater] had dienen te betalen. Uit randnummer 49 van de memorie van grieven volgt dat de executeur van mening is dat de vordering van [ex-partner van erflater] op erflater verjaard is nu deze voortvloeit uit de overeenkomst van verdeling. In randnummer 3.4 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie in eerste aanleg heeft [ex-partner van erflater] een onderbouwing gegeven voor haar vordering op erflater met betrekking tot het bedrag van € 2.338,46. Naar het oordeel van het hof is dit een vordering van [ex-partner van erflater] op erflater uit hoofde van de financiële afwikkeling van het huwelijk. De verjaringstermijn van deze vordering is gaan lopen op 5 november 2014, zijnde de datum van de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. Grief 5 treft doel.
4.9
Het hof leest in de zesde grief dat de executeur een verklaring voor recht vordert dat de erfgenamen van erflater - behoudens het bedrag van € 725,14 – niets meer aan [ex-partner van erflater] verschuldigd zijn. Zulks impliceert dus dat de executeur nog een bedrag van € 725,14 te vermeerderen met de wettelijke rente aan [ex-partner van erflater] moet voldoen.
4.1
De zevende grief ziet op de proceskostenveroordeling. Gezien het feit dat [ex-partner van erflater] voor het grootste gedeelte in het ongelijk wordt gesteld acht het hof het redelijk en billijk om [ex-partner van erflater] te veroordelen in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

5.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor wat betreft hetgeen is bepaald in het dictum onder 5.3. en de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de executeur aan [ex-partner van erflater] slechts een bedrag verschuldigd is van € 725,14 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeelt derhalve de executeur om voormeld bedrag aan [ex-partner van erflater] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen vermeerderd met de wettelijke rente;
veroordeelt [ex-partner van erflater] in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep voor een totaalbedrag van € 6.103,-, als volgt begroot:
- eerste aanleg: griffierecht € 314,- en kosten advocaat € 2.298,- (tarief III, 3 punten),
- hoger beroep: griffierecht € 349,- en kosten advocaat € 3.142,- (tarief III, 2 punten);
verklaart het arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, M.L.C.C. Lückers en G.G.B. Boelens, is ondertekend en uitgesproken, ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door
de oudste raadsheer