ECLI:NL:GHDHA:2026:503

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.337.196/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 BWArt. 2:19 BWArt. 2:21 BWArt. 2:339 BWArt. 2:343 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omvang inbrengverplichting bij legaat en meerwaardebeding in agrarische bedrijfsoverdracht

In deze civiele zaak staat de omvang van de inbrengverplichting bij legaten en de toepassing van een meerwaardebeding centraal, voortvloeiend uit een bindend advies in het kader van een agrarische bedrijfsoverdracht.

De procedure betreft een geschil tussen moeder, haar twee zonen en de nalatenschappen van twee overleden familieleden. Het bindend advies uit 2015 bevat een meerwaardebeding dat partijen verplicht tot verrekening van waardeveranderingen van landbouwgrond. Het hof oordeelt dat alle betrokkenen, ook moeder en zoon 1, gebonden zijn aan dit beding, ondanks dat het kettingbeding niet in alle notariële aktes is opgenomen.

Verder behandelt het hof de financiële afwikkeling van de besloten vennootschap en de maatschap, waarbij het hof vaststelt dat de BV niet is ontbonden en dat de financiële ontvlechting niet volledig heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de legaten van erflater 2 wordt geoordeeld dat de inbrengverplichting van zoon 1 gelijk is aan zijn vordering op erflater 2, waardoor er geen verdere verrekening nodig is. Ook wordt een bedrag van €59.399,84 aan zoon 2 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente.

De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de verstoorde familieverhouding. Het hof vernietigt delen van het vonnis van de rechtbank en wijst de overige vorderingen af.

Uitkomst: Partijen zijn gebonden aan het meerwaardebeding; de inbrengverplichting van zoon 1 bij legaat B is gelijk aan zijn vordering op erflater 2; zoon 1 moet €59.399,84 aan zoon 2 betalen; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer : 200.337.196/01
Zaaknummer rechtbank: C/10/621769/ HA ZA 21-609
Arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen moeder,
en
[zoon 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, hierna te noemen [zoon 1] ,
advocaat van appellanten: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[zoon 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellant, mede in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschappen van de heren [erflater] en [erflater 2] , hierna te noemen [zoon 2] ,
advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg.

1.Procesverloop in hoger beroep

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- op 10 januari 2024 zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022 en van 11 oktober 2023;
- bij anticipatie-exploot van 17 januari 2024 heeft [zoon 2] appellanten opgeroepen voor de zitting van 30 januari 2024;
- bij memorie van grieven hebben appellanten 3 grieven geformuleerd,
- appellanten hebben op 30 april 2024 een akte vermeerdering en vermindering van eis genomen;
- bij memorie van antwoord heeft [zoon 2] de grieven weersproken, gereageerd op de akte vermeerdering en vermindering van eis en incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van 2 grieven;
- appellanten hebben bij memorie van antwoord in het incidentele appel de incidentele grieven weersproken;
- appellanten hebben op 15 oktober 2024 nog een schriftelijke toelichting gegeven;
- [zoon 2] heeft op 15 oktober 2024 ook een schriftelijke toelichting gegeven.

2.Feitelijke achtergrond

2.1.
Voor de leesbaarheid en het begrip van dit arrest geeft het hof eerste enige feiten weer.
2.2.
Moeder was getrouwd in de wettelijke gemeenschap van goederen, zoals deze gold tot 1 januari 2018, met [erflater] . Uit het huwelijk [achternamen] zijn twee zonen geboren, te weten [zoon 1] en [zoon 2] . [erflater] - hierna erflater - is op [datum 1] 2018 overleden. Erflater en moeder leefden overigens al jaren feitelijk gescheiden.
2.3.
Erflater heeft op 21 maart 2018 over zijn nalatenschap beschikt. Uit het testament van erflater volgt dat hij zowel moeder als [zoon 1] als erfgenamen in zijn nalatenschap heeft uitgesloten. Erflater heeft [zoon 2] tot zijn enige erfgenaam benoemd. Voorts heeft erflater [zoon 2] tot executeur benoemd. [zoon 2] heeft deze benoeming tot executeur aanvaard.
2.4.
[zoon 1] en [zoon 2] zijn ieder voor 50% aandeelhouder in [BV] (hierna ook te noemen: BV). In voornoemde vennootschap werd een agrarische onderneming geëxploiteerd. Zij zijn beiden bestuurder van deze BV.
2.5.
[zoon 1] , [zoon 2] en erflater hebben in de maatschap [maatschap] een agrarische onderneming geëxploiteerd. Als gevolg van onenigheid tussen [zoon 1] en [zoon 2] zijn de bedrijfsactiviteiten in maatschapsverband per 31december 2013 beëindigd. [zoon 1] en [zoon 2] zijn na ontbinding van de maatschap per 1 januari 2014 ieder voor zich in de vorm van een eenmanszaak een agrarische onderneming gestart. Eveneens hebben [zoon 1] en [zoon 2] de agrarische bedrijfsactiviteiten in de vennootschap beëindigd.
2.6.
Voor de exploitatie van de agrarische onderneming in de BV en in de maatschap werd gebruik gemaakt van percelen cultuurgrond die in eigendom toebehoorden aan: erflater, [erflater 2] en [broer van erflaters] . Erflater, [erflater 2] en [broer van erflaters] waren elkaars broers.
2.7.
Op 28 november 2012 hebben: a) erflater, b) [erflater 2] , c) [broer van erflaters] , d) [maatschap] en e) [BV] aan [adviseur 1] en [adviseur 2] opdracht gegeven tot het uitbrengen van een bindend advies met betrekking tot de beëindiging van hun samenwerking(en).
Door de bindend adviseurs zijn diverse rapportages uitgebracht waaronder op: 1) 15 juli 2013, 2) 14 februari 2014 en c) 6 februari 2015.
2.8.
In de rapportage van 14 juli 2014 hebben de bindend adviseurs onder meer gesteld:
“De financiële ontvlechting is een wezenlijk onderdeel van de beëindiging van de samenwerking binnen de maatschap en de besloten vennootschap...............Een belangrijk vertrekpunt voor de financiële ontvlechting wordt gevormd door de jaarrekeningen van [BV] (2012/2013) en de maatschap [maatschap] 2012. Deze jaarrekeningen, die in concept zijn opgesteld door [maatschap] zijn voorgelegd aan de aandeelhouders respectievelijk maten...........Nadat de reacties op de jaarrekeningen zullen zijn verwerkt in de jaarrekeningen, zullen deze jaarrekeningen 2012/2013 van de vennootschap en 2012 van de maatschap de basis vormen voor de verdere financiële ontvlechting........ De financiële positie van ieder van de maten en aandeelhouders in hun verhouding tot de vennootschap en jegens elkaar per datum van scheiding, vooralsnog 1 november 2013, zal vervolgens met inachtneming van de volgende posten door ons in het bindend eindadvies moeten worden vastgesteld:
- Aandeel in vennootschap
- Aandeel in maatschap
- Saldo verdeling machines/inventaris/gereedschappen
- Saldo verdeling gebruiksrechten gronden
- Aandeel in kosten bindend advies
- Aandeel in eventuele fiscale afrekening
- Aandeel in overige kosten of uitgaven ontvlechting.”
2.9.
In de rapportage van 6 februari 2015 is onder meer het navolgende opgenomen:
“Gevolgen waardeverandering (warme grond). In verband met planologische aanpassingen of bestemmingswijzigingen zou een deel van de in dit advies betrokken percelen onderhevig kunnen zijn aan mogelijke waardeveranderingen. Deze percelen maakten in de periode voorafgaande aan de wens tot splitsing van het land- en tuinbouwbedrijf onderdeel uit van het door de familie [achternaam] gehouden en als eenheid geëxploiteerde complex van gronden. Door een aantal van u is verzocht de mogelijke waardeveranderingen te betrekken in het bindend advies. Het belang van een bindend advies op dit punt neemt toe door de hiervoor genoemde splitsing van de percelen in gemeenschappelijk bezit. Deze splitsing zou in voorkomende gevallen als ongewenst gevolg kunnen hebben dat waardeverschillen (slechts) toekomen aan een of enkele eigenaren of gebruikers, terwijl bij splitsing van deze percelen geen rekening gehouden kan worden met toekomstige waardeveranderingen. Immers, van deze mogelijke waardeveranderingen zijn ontstaan, aard en de omvang op de dit moment niet vast te stellen. Daarom adviseren wij bindend dat binnen 2 maanden na aanvaarding van dit bindend advies, alle bij dit bindend advies betrokken heren [achternaam] schriftelijk overeenkomen dat waardeveranderingen van de percelen waar onderhavig advies betrekking op heeft, en die uitsluitend en direct het gevolg zijn van planologische of bestemmingswijzigingen, evenredig, ieder voor een vijfde deel, zullen worden toegewezen aan en financieel afgerekend tussen de huidige pachters en eigenaren. Deze toewijzing en verrekening geldt gedurende een periode van twintig jaren na aanvaarding van dit bindend advies en dient middels een kettingbeding te worden opgelegd aan mogelijke rechtsopvolgers van betrokkenen.”
2.10.
Uit de mail van [adviseur 2] van 2 maart 2015 aan [X] volgt dat het bindend advies tijdens een vergadering op 17 februari 2015 door alle partijen is aanvaard. Voorts volgt uit het verslag van deze vergadering dat [maatschap] zal worden belast met het aanpassen van de jaarrekening 2013 van de maatschap en de tussentijdse cijfers per 31 december 2013 van BV.
2.11.
In eerste aanleg – zie productie 12 – bij de inleidende dagvaarding is de (slot)balans van de maatschap per 31 december 2013 in het geding gebracht. Uit deze balans volgt onder meer dat:
  • erflater een negatief vermogen had in de maatschap van € 392.814
  • [zoon 1] een vermogen had van € 105.498
  • [zoon 2] een vermogen had van € 43.497.
Uit de (slot)balans van de BV per 31 december 2013 volgt dat het eigen vermogen bedraagt € 381.274. Voorts volgt uit deze balans dat de BV een vordering heeft op [erflater 2] van
€ 537.314, de BV heeft overigens een lijfrenteverplichting jegens [erflater 2] . Op de balans is deze verplichting opgenomen voor een bedrag van € 129.914.
2.12.
[erflater 2] (hierna te noemen erflater [erflater 2] ) is op [datum 2] 2019 overleden. Erflater [erflater 2] heeft op 10 januari 2019 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Uit het testament van erflater [erflater 2] volgt dat [zoon 2] executeur is van zijn nalatenschap. Deze benoeming is door [zoon 2] aanvaard. Tevens is [zoon 2] tot enig erfgenaam benoemd. Voorts volgt uit het testament dat een tweetal legaten aan [zoon 1] is verstrekt:
“a. Ik legateer aan de heer [zoon 1] , geboren te [gemeente] op vierentwintig april negentienhonderdzesenzestig, hierna te noemen: legataris
1. mijn onverdeeld aandeel in de eigendom van het perceel grond met opstal, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 1] , groot zestien are en tien centiare (16 a en 10 ca) (appelloods met bijbehorende grond);
2. mijn onverdeeld aandeel in de eigendom van het perceel grond met poortpalen aan het [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 2] , groot zevenentachtigcentiare (87 ca);
3. het perceel grond, [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 3] , groot drie are en vijfenvijftig centiare’ (03 a en 55 ca);
4. het perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 4] , groot eenenzeventig are en drie centiare-(71 a en 03 ca);
5. het perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 5] , groot acht are en vijftien centiare (08 a en-15 ca); -
6. het perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 6] , groot acht hectare (08 ha).
Ik maak dit legaat (van de percelen onder 1 tot en met 6 genoemd) onder de verplichting voor de legataris een bedrag in geld aan mijn nalatenschap te vergoeden, welk bedrag gelijk is aan vijfenzestig procent (65%) van mijn aandeel in de waarde van de betreffende percelen zoals -vastgesteld door [vastgoedadviseur] verbonden aan [vastgoedadviseurskantoor] te [plaats] welke waardering onderdeel uitmaakt van het bindend advies van [adviseur 1] .
b. Ik legateer aan de heer [zoon 1] , voornoemd, het perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [sectienummer 7] , groot negen hectare, zevenentachtig are en zevenennegentigcentiare (09 ha, 87 a en 97 ca), zulks onder de verplichting voor de legataris een zodanig bedrag in geld aan mijn nalatenschap te vergoeden, welk bedrag gelijk is aan het bedrag van de vordering die hij ten tijde van mijn overlijden op mij heeft (uit hoofde van de verplichting welke voortvloeit uit het bindend advies opgesteld door [adviseur 1] .), te vermeerderen met de ten tijde van mijn overlijden nog verschuldigde rente. De legataris is bevoegd aan deze inbrengverplichting te voldoen door het verrekenen van zijn inbrengplicht met zijn hiervoor bedoelde vordering op mij.”
Hierna te noemen: ‘legaat A’ en ‘legaat B’.
2.13.
Uit de inleidende dagvaarding in eerste aanleg volgt dat de kantonrechter aan [zoon 1] een termijn heeft gesteld om de legaten al dan niet te aanvaarden. [zoon 1] heeft de termijn laten verstrijken met als (feitelijk) gevolg dat de legaten door hem zijn aanvaard.
2.14.
Alle partijen zijn niet voortvarend te werk gegaan bij de administratieve afwikkeling en uitvoering van het hiervoor genoemde bindend advies. Een gevolg hiervan is dat voor alle betrokkenen een complexe financiële afwikkeling is ontstaan. Het geschil tussen partijen kan in vier onderdelen worden omschreven:
a) Zijn alle partijen gebonden aan het meerwaarde beding zoals opgenomen in het bindend advies?
b) De financiële afwikkeling van de BV.
c) De afwikkeling van het legaat van erflater [erflater 2] .
d) De financiële afwikkeling van de maatschap.

3.Het vonnis van de rechtbank van 11 oktober 2023

De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt [zoon 1] en moeder mee te werken aan het passeren van de door [zoon 2] als bijlage 61 overgelegde conceptakten, met de aanpassingen zoals genoemd in de als bijlage 62 overgelegde e-mail van 26 oktober 2022, dus mét kettingbeding maar zonder grondruil;
3.2.
benoemt tot onzijdige persoon om zowel [zoon 1] als moeder te vertegenwoordigen, mochten zij weigeren mee te werken aan het passeren van genoemde aktes:
[vertegenwoordiger] ;
3.3.
bepaalt dat de kosten van de onzijdige persoon en de kosten van de notaris die verband houden met de weigering van [zoon 1] en moeder hun medewerking te verlenen aan het passeren van genoemde aktes, voor rekening van [zoon 1] en moeder komen, ieder bij helfte;
3.4.
veroordeelt moeder om € 666,64 aan [zoon 2] te betalen voor door [zoon 2] vóór haar betaalde gemeentelijke lasten voor de echtelijke woning, te vermeerderen met de gemeentelijke lasten die [zoon 2] tot de levering van de woning aan moeder nog voor de woning betaalt;
3.5.
veroordeelt [zoon 1] om binnen zes weken na de betekening van dit vonnis de onder legaat A en legaat B gelegateerde percelen grond af te nemen ten overstaan van [notaris 1] , tegen betaling aan de nalatenschap van [erflater 2] van € 184.897,28, te vermeerderen met de pachtnorm vanaf 1 juli 2023 en 50% van de kosten en lasten vanaf 1 juli 2023 tot aan de levering van de gelegateerde percelen grond en verminderd met de rente van 4% die de nalatenschap vanaf 1 juli 2023 verschuldigd is over de rekening-courantschuld aan [zoon 1] zoals deze blijkt uit overzicht 6 bij bijlage 11 van moeder en [zoon 1] en gecorrigeerd zoals hiervoor onder 2.4.14. en 2.4.15. vermeld, en te vermeerderen met de kosten die gemoeid zijn met de afgifte van de legaten en onder kwijtschelding van de in 2.4.10. genoemde vordering van [zoon 1] van € 159.039,43 op de nalatenschap van [erflater 2] , met een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [zoon 1] deze veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 50.000, -;
3.6.
veroordeelt [zoon 2] € 51.669,81 aan [zoon 1] te betalen uit hoofde van de afwikkeling van de besloten vennootschap [BV] en de maatschap [maatschap] ;
3.7.
veroordeelt [zoon 1] binnen zes weken na de betekening van dit vonnis de aangiften en aanslagen vennootschapsbelasting van [BV] over de jaren 2010 tot en met nu aan [zoon 2] te verstrekken, met een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [zoon 1] deze veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000, -;
3.8.
bepaalt dat de kosten die gemoeid zijn met de ontbinding van de besloten vennootschap [BV] en de maatschap [maatschap] voor rekening van [zoon 2] en [zoon 1] komen, ieder voor de helft;
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
3.10.
wijst de vordering af;
conventie en reconventie
3.11.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;
3.12.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.De vordering van appellanten

Zoals geformuleerd in de memorie van grieven:
het uw Hof moge behagen bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam d.d. 11 oktober 2023 en 9 maart 2022, tussen partijen gewezen onder zaak- en rolnummer C/10/621769 / HA ZA 21-609, (gedeeltelijk) te vernietigen, meer specifiek:
I te vernietigen de veroordelingen in het dictum van het vonnis van 11 oktober 2023 onder 3.1 t/m 3.2 en in plaats daarvan te oordelen dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan het passeren van de door [zoon 2] als bijlage 61 overgelegde conceptakten, met de aanpassingen zoals genoemd in de als bijlage 62 overgelegde e-mail van 26 oktober 2022, doch met uitzondering van het meerwaardekettingbeding; althans indien en voor zover ten tijde van de beoordeling door het Hof van de aan haar voorgelegde geschillen de conceptakten reeds zijn gepasseerd, voor recht te verklaren dat de in die akten opgenomen meerwaardekettingbedingen geheel (althans subsidiair gedeeltelijk) komen te vervallen en partijen op te dragen dit oordeel (voor zover nodig bij notariële akte) te doen inschrijven in het Kadaster;
II. te vernietigen de veroordeling in het dictum van het vonnis van 11 oktober 2023 onder 3.6 en plaats daarvan te oordelen dat [zoon 2] aan [zoon 1] dient te betalen een bedrag van € 342.285,47, zulks uit hoofde van de afwikkeling van de besloten vennootschap [BV] en de maatschap [maatschap] ;
zulks met veroordeling van [zoon 2] in de kosten van deze procedure, de eventuele nakosten daaronder begrepen.
Akte vermeerdering en vermindering van eis 30 april 2024:
het uw Hof moge behagen bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
III. voor recht te verklaren [zoon 1] niet gehouden was meerwaardeclausules/kettingbedingen in de notariële akten d.d. 12 december 2023 (die zijn overgelegd door [zoon 1] als producties 20 en 21) overeen te komen met [zoon 2] / te laten opnemen in voornoemde akten;
IV. [zoon 2] te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan het passeren van een notariële akte waarin wordt verklaard dat de meerwaardeclausule/kettingbedingen in voornoemde akten d.d. 12 december 2023 zijn komen te vervallen, zulks binnen vier weken na betekening van arrest waarin deze veroordeling wordt uitgesproken, en zulks op straffe van verbeurte aan [zoon 1] van een dwangsom van € 250,- per dag dat [zoon 2] daarmee in gebreke blijft; dit alles ter aanvulling op en met instandhouding van het petitum in de memorie van grieven.

5.De vordering van [zoon 2]

in incidenteel appel:
Het vonnis van 11 oktober 2023 van de rechtbank Rotterdam, te vernietigen, en, uitvoerbaar bij voorraad:
1. Moeder en [zoon 1] te veroordelen om binnen zes weken na betekening van het in dezen te wijzen arrest mee te werken aan het passeren van de door [zoon 2] als productie 61 overgelegde conceptakten, met de aanpassingen zoals genoemd in de als bijlage 62 overgelegde e-mail van 26 oktober 2022, dus met kettingbeding maar zonder grondruil, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500 per of gedeelte van een dag dat moeder en [zoon 1] in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 100.000.
2. [zoon 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 59.399,84, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

6.Meerwaarde beding (grief 1)

6.1.
Het hof overweegt als volgt. Uit grief 1 volgt dat moeder en [zoon 1] van mening zijn dat zij niet gebonden zijn aan het meerwaarde beding zoals opgenomen in het bindend advies van [adviseur 1] en [adviseur 2] van 6 februari 2015. Het hof verwijst expliciet naar nr. 8.5 van het bindend advies (gevolgen waardeveranderingen warme grond).
6.2.
Een bindend advies is gebaseerd op een vaststellingsovereenkomst, namelijk de bindend-adviesovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat zij een geschil met betrekking tot een bestaande rechtsverhouding voorleggen aan een bindend adviseur die het geschil bindend zal beslissen en aan wiens bindend advies partijen zich gebonden achten. Uit het bindend advies vloeit voor partijen dus de verplichting voort om die handelingen te verrichten om de met het bindend advies beoogde rechtstoestand te bewerkstelligen. Dat een partij niet eenzijdig terug kan komen op een afspraak tot bindend advies volgt uit het feit dat de bindend-adviesovereenkomst wordt beheerst door het overeenkomstenrecht, waar het beginsel
pacta sunt servandageldt. De bindend-adviesovereenkomst is een bijzondere verschijningsvorm van de vaststellingsovereenkomst, waardoor deze wordt beheerst door de algemene regels van het overeenkomstenrecht.
6.3.
In het rapport van de bindend adviseurs van 15 juli 2013 staat: “Wij hebben dan ook onze taak zo opgevat dat een bindend advies moet worden uitgebracht waaraan alle betrokkenen zich gebonden weten. Inmiddels heeft u allen schriftelijk ingestemd met deze wijziging in opdracht.” Partijen zijn aan het bindend advies gebonden en bij de uitvoering van het bindend advies dienen partijen zich te gedragen conform de beginselen van redelijkheid en billijkheid.
6.4.
Erflater was in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen, zoals deze gold tot 1 januari 2018, met moeder gehuwd. Erflater was bevoegd om de bindend adviesovereenkomst aan te gaan. Op grond van deze overeenkomst was ook erflater gebonden aan het op basis daarvan uitgebrachte bindend advies. De gemeenschap van goederen omvatte ten tijde van het overlijden van erflater al haar baten en lasten, mitsdien ook de rechten en verplichtingen zoals deze voortvloeien uit het bindend advies. Moeder is dan ook eveneens gebonden aan de nakoming van het bindend advies, ook al was zij niet degene die de overeenkomst (mede) is aangegaan. [zoon 1] en [zoon 2] zijn op eigen naam – naast de maatschap - de overeenkomst tot bindend advies aangegaan en zijn dus ook aan het bindend advies wat op 6 februari 2015 is uitgebracht, gebonden. Erflater [erflater 2] en de BV waren eveneens partij bij het bindend advies.
6.5.
Naar het oordeel van het hof zijn de bindend adviseurs op een zorgvuldige wijze tot hun bindend advies gekomen waarbij het beginsel van hoor en wederhoor goed is toegepast. Moeder en [zoon 1] werden bovendien bijgestaan door eigen adviseurs. Dat na het tot stand komen van het bindend advies niet in elke notariële akte het meerwaarde beding met betrekking tot de warme grond is opgenomen doet er niet aan af dat moeder, [zoon 1] en [zoon 2] evenals de overige partijen op basis van het bindend advies gedurende een periode van 20 jaar gebonden zijn aan het meerwaarde beding zoals opgenomen in het bindend advies. Van verjaring is dus ook geen sprake nu partijen een termijn van 20 jaar zijn overeengekomen. Moeder, [zoon 1] noch een van de andere partijen hebben ontbinding en/of vernietiging gevorderd van het bindend advies. De daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen gelden derhalve nog steeds. Partijen hebben de verplichting opgenomen om het meerwaarde beding als kettingbeding op te nemen. Het niet opnemen van het meerwaarde beding als kettingbeding dan wel het nog niet vastleggen daarvan brengt evenwel, naar het oordeel van het hof, niet mee dat partijen niet dan wel niet langer zijn gebonden aan de obligatoire rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het bindend advies waarin het meerwaarde beding een uitdrukkelijk onderdeel van vormt. De argumenten die moeder en [zoon 1] aandragen in de toelichting op hun grief waarom zij niet meer gebonden zijn aan het meerwaarde beding zoals opgenomen in het bindend advies acht het hof mede bezien het hof hiervoor heeft overwogen niet rechtens relevant.
6.6.
Het bewijsaanbod zoals geformuleerd onder randnummer 28 van de memorie van grieven is niet relevant gezien het hof hiervoor heeft overwogen.
6.7.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat moeder en [zoon 1] gebonden zijn aan het meerwaardebeding en dat zij de afspraken moeten nakomen zoals overeengekomen ter zitting van 30 maart 2023. De grief van moeder en [zoon 1] treft geen doel.

7.Financiële afwikkeling van de besloten vennootschap?

7.1.
Het hof overweegt als volgt. Een rechtspersoon – lees BV – wordt onder meer ontbonden door een besluit van de algemene vergadering van de BV. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat er reeds een besluit door de aandeelhouders tot ontbinding van de vennootschap is genomen.
7.2.
Wat het hof op basis van de stellingen van partijen heeft kunnen vaststellen is dat de betrokkenen ook na 1 januari 2014 met de BV zijn blijven financieren en niet concreet met elkaar hebben afgewikkeld conform het bindend advies. Door dit niet te doen zijn onder andere de onderhavige geschillen ontstaan en is de financiële afwikkeling ernstig bemoeilijkt.
7.3.
De aandeelhouders van de BV zijn [zoon 1] en [zoon 2] en wel ieder houdt 50% van de aandelen in haar kapitaal. De BV is eigenaar van de activa en draagplichtig met betrekking tot haar schulden. Door [zoon 2] is bij dagvaarding in eerste aanleg een slotbalans per 31 december 2013 van de BV in het geding gebracht. Uit deze slotbalans volgt dat de BV op 31 december 2013 een vordering had op erflater [erflater 2] van € 537.314. Voorts had de BV een lijfrenteverplichting jegens erflater [erflater 2] . Uit de openingsbalans van de eenmanszaak na geruisloze terugkeer van [zoon 1] per 1 januari 2014 volgt dat hij een vordering had op erflater [erflater 2] van € 263.657. Uit de openingsbalans van [zoon 2] per 1 januari 2014 na geruisloze terugkeer volgt dat hij een vordering had op erflater [erflater 2] van € 263.657.
7.4.
De BV was ook partij bij het bindend advies. Uit het rapport van de bindend adviseurs van 14 juli 2014 volgt dat de financiële ontvlechting een wezenlijk onderdeel is van de beëindiging van de samenwerking binnen de maatschap en de BV. De jaarrekeningen van de maatschap en van de BV zijn opgesteld door [maatschap] en aan maten van de maatschap en de aandeelhouders voorgelegd. De betreffende jaarrekeningen heeft het hof niet aangetroffen in het overigens zeer omvangrijke procesdossier.
7.5.
Uit het bindend advies van 6 februari 2015 volgt dat de bindend adviseurs geadviseerd hebben om uiterlijk op 1 maart 2015 de jaarrekeningen vast te stellen. Ook is geadviseerd om de tussentijdse cijfers van de BV vast te stellen in de algemene vergadering van de BV. Uit de gegevens van de Kamer van koophandel van 6 mei 2021 volgt dat de jaarrekening van de BV over het jaar 2013 is gedeponeerd op 4 mei 2015. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de BV in liquidatie is en het vermogen van de vennootschap is vereffend. Ook uit het betoog van moeder en [zoon 1] volgt dat de BV nog niet is opgeheven en het vermogen niet is vereffend. Het hof wijst partijen erop dat de bepalingen van Boek 2 BW van dwingendrechtelijke aard zijn tenzij uit de wet anders volgt.
7.6.
In r.o. 2.5.5 tot en met 2.12 gaat de rechtbank in op de financiële afwikkeling van de BV. Uit rechtsoverweging 2.5.6 volgt dat de rechtbank het vermogen aan beide aandeelhouders toerekent en op die vermogens stortingen en opnames van de aandeelhouders gaat verrekenen. De rechtbank heeft het eigen vermogen van de BV per 31 december 2013 vastgesteld op een bedrag van € 416.011 en [zoon 1] en [zoon 2] hebben dan in beginsel recht op € 208.006.
7.7.
[zoon 1] had op 31 december 2013 een schuld aan de BV van € 78.823 (€ 78.823 is dus een vordering van de BV en behoort dus tot het eigen vermogen van de BV). [zoon 2] had een schuld aan de vennootschap van € 38.771; voor de vennootschap is het bedrag van € 38.771 een vordering en komt dus terug in het vermogen van de vennootschap.
7.8.
De rechtbank heeft als uitgangspunt genomen voor de verrekening van het vermogen van de vennootschap: bij [zoon 1] € 129.183 en bij [zoon 2] € 169.235. Tegen dit uitgangspunt is geen grief gericht.
7.9.
In grief 2a stellen moeder en [zoon 1] dat de BV na 1 januari 2014 nog een bedrag van € 168.106,23 aan en voor erflater [erflater 2] heeft betaald en dat de helft van voormeld bedrag - zijnde € 84.053,11 - toekomt aan [zoon 1] . In randnummer 46 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel betwist [zoon 2] gemotiveerd de vordering van de BV op erflater [erflater 2] van € 168.106,23 en de daarmee samenhangende vordering van [zoon 1] van € 84.053,11. [zoon 2] verwijst inzake zijn verweer ook naar hetgeen hij gesteld heeft in zijn tweede incidentele grief. Het verweer van [zoon 2] komt er in het kort op neer dat de financiële verwevenheid van alle betrokkenen ook na 1 januari 2014 is blijven bestaan en niet kan worden vastgesteld dat de BV na 1 januari 2014 nog een vordering heeft op erflater [erflater 2] .
7.10.
Het hof overweegt als volgt. Indien de BV een vordering heeft op erflater [erflater 2] , behoort deze vordering tot het vermogen van de BV en het is dan aan de BV om de vordering al dan niet te incasseren. De BV heeft tot op heden geen vordering tegen erflater [erflater 2] of zijn rechtsopvolger ingesteld. Voorts heeft het hof vastgesteld dat partijen geen dan wel geen volledige uitvoering hebben gegeven aan de uitvoering van het bindend advies hetgeen eveneens omvatte de financiële ontvlechting van alle betrokkenen bij het bindend advies. Als de BV mogelijk een vordering heeft gekregen op erflater [erflater 2] moet dit bezien worden in samenhang met alle overige rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het bindend advies waarbij ook de vorderingen van erflater [erflater 2] op de BV, [zoon 1] en [zoon 2] . Het hof zal hierna bij de bespreking van de inbrengverplichting van [zoon 1] met betrekking tot legaat B en legaat A hier nog nader op ingaan. Op basis van hetgeen moeder en [zoon 1] stellen kan niet de conclusie getrokken worden dat de BV op erflater [erflater 2] een vordering heeft van
€ 168.106,23.
7.11.
In grief 2 b stellen moeder en [zoon 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [zoon 1] aan [zoon 2] een bedrag is verschuldigd van € 41.500. In randnummer 36 van de memorie van grieven stellen moeder en [zoon 1] dat de percelen niet tussen [zoon 1] en [zoon 2] zijn verdeeld maar slechts het gebruiksrecht. De rechtbank gaat er in de visie van moeder en [zoon 1] aan voorbij dat de waarde van een gebruiksrecht niet gelijk te stellen is met de waarde van het perceel in verpachte staat.
7.12.
Door [zoon 2] is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 53 van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel stelt [zoon 2] dat de percelen grond die [zoon 1] toegedeeld kreeg een hogere waarde hadden dan de percelen grond die aan [zoon 2] zijn toegedeeld. De waarde van de percelen die [zoon 1] heeft verkregen vertegenwoordigen een waarde van € 1.875.000 en de percelen die [zoon 2] heeft verkregen betreffen een waarde van € 1.792.000, een verschil van € 83.000. Derhalve moet [zoon 1] aan [zoon 2] voldoen aan bedrag van € 41.500.
7.13.
Het hof overweegt als volgt. Door beide partijen is verwezen naar het bindend advies dat door [adviseur 1] en [adviseur 2] is gegeven. In eerste aanleg is in het geding gebracht een bindend advies verdeling gronden – familie [achternaam] ( [gemeenten] ). Een redelijke uitleg van het bindend advies brengt naar het oordeel van het hof met zich mede dat uit dit bindend advies volgt dat [zoon 1] aan [zoon 2] ter zake de verkregen gronden een bedrag moet betalen van € 41.500. Het hof verwijst eveneens naar de rapportage van de bindend adviseurs van 15 juli 2013 en wel naar de passage ‘uitspraak verdeling gronden’ waarbij het bedrag van € 3.671.000 wordt vermeld en wordt verwezen naar de bijlage inzake overzicht verdeling gronden. [zoon 2] heeft dus een gedegen vordering van € 41.500 op [zoon 1] .
7.14.
In grief 2c stelt [zoon 1] aan de orde dat de rechtbank de rekening-courantverhoudingen van [zoon 1] en [zoon 2] onjuist heeft berekend. Voor de berekening van de rente dient per 1 januari 2014 uit te worden gegaan van € 78.823 (schuld [zoon 1] aan BV) en € 38.771 (schuld [zoon 2] aan BV). Door [zoon 1] wordt verwezen naar productie 16 (Rekening courant saldo per 31 december 2023 + mutaties) en producties 15 mutaties op de rekening Rabobank [BV] . Productie 15 bestaat uit 12 bladzijden met vermelding van een zeer groot aantal mutaties. In randnummer 44 van de memorie van grieven stellen moeder en [zoon 1] dat [zoon 1] na 1 januari 2014 per saldo € 283.734,60 heeft gestort terwijl [zoon 2] een bedrag van € 12.969,40 heeft onttrokken.
7.15.
Door [zoon 2] wordt gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 58 van zijn memorie van antwoord stelt hij dat hij op 31 december 2013 recht had op een bedrag van € 231.317 en [zoon 1] recht had op een bedrag van € 67.101. [zoon 1] laat het aandeel in het eigen vermogen en de verrekeningen ten gunste van [zoon 2] buiten beschouwing. In plaats daarvan gaat [zoon 1] bewust uit van de schulden die zij per 31 december 2013 hadden en de stortingen/ onttrekking die nadien hebben plaatsgevonden. Dit levert [zoon 1] een aanzienlijk rentevoordeel op. Voorts is het ondoenlijk om de wijzigingen te beoordelen. De berekening van [zoon 1] dient buiten beschouwing te worden gelaten.
7.16.
Het hof overweegt als volgt. Als een aandeelhouder geld van zijn BV leent is daarover in beginsel rente verschuldigd. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of er tussen de BV en de aandeelhouders een overeenkomst is gesloten met betrekking tot mogelijk verschuldigde rente. Door [zoon 1] is zelf op 4 juli 2023 productie 11 in het geding gebracht. Bij beide aandeelhouders - dus [zoon 1] en [zoon 2] - is met betrekking tot hun financiële positie jegens de vennootschap uitgegaan van een saldo nul per 1 januari 2014. Gezien de complexe financiële verhouding en de daaruit voortvloeiende geschillen is het begrijpelijk en efficiënt dat partijen kiezen voor een nuloptie per 1 januari 2014. Thans stelt [zoon 1] dat de door hem in het geding gebrachte overzichten onjuist zijn en beroept zich op de herstel functie van het hoger beroep. Ook in zijn nadere schriftelijke toelichting gaat [zoon 1] nog uitvoerig in op de herstel functie van het hoger beroep. Rechtens is het juist dat ook in hoger beroep fouten kunnen worden hersteld.
Uit rechtsoverweging 2.5.11 van het bestreden vonnis volgt dat partijen het erover eens waren dat het in bijlage 11 gegeven overzicht als uitgangspunt kan dienen voor de financiële afwikkeling. Dat [zoon 1] op 31 december 2013 een schuld had aan de vennootschap van € 78.823 en [zoon 2] een schuld had aan de vennootschap van € 38.771 was op 4 juli 2023 bekend. Naar het oordeel van het hof hebben partijen op 4 juli 2023 een bewuste keuze gemaakt om voor de rekening-courant verhouding per 1 januari 2014 uit te gaan van een nul optie. Daar komt ook nog bij dat de mutaties zoals vermeld in productie 15 en 16 bij de memorie van grieven door de wederpartij en het hof niet te controleren zijn nu een gedegen toelichting ontbreekt. Het cijfermatige mutatie overzicht (productie 15) telt 12 blz. en wat er aan omschrijving staat is zeer beperkt bijv.: KK naar BV of belastingdienst [nummer] of belasting teruggaaf 14 enz. Naar het oordeel van het hof blijven beide partijen gebonden aan bijlage 11 zoals de rechtbank in r.o. 2.5.11 heeft overwogen.
7.17.
In grief 2d stelt [zoon 1] de ruilverkavelingsrente en waterschapslasten aan de orde. In randnummer 47 van de memorie van grieven stellen moeder en [zoon 1] dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld dat de finale kwijting zoals verwoord in de het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 mei 2022 niet betrekking heeft op de waterschapslasten en de ruilverkavelingsrente met betrekking tot een totaalbedrag van € 21.916.
7.18.
Door [zoon 2] is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 62 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel stelt [zoon 2] dat het bedrag van € 21.916 door [zoon 2] is betaald na het overlijden van erflater en dat de betaling betrekking heeft op gronden die in gebruik zijn bij [zoon 1] . Voor deze post hebben partijen geen finale kwijting verleend. Het bedrag van € 21.916 had betrekking op de financiële afwikkeling tussen [zoon 1] en [zoon 2] .
7.19.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de betaling door [zoon 2] met betrekking tot de ruilverkavelingsrente en de waterschapslasten ten bedrage van € 21.916 niet onder de finale kwijting valt zoals verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 12 mei 2022. Het hof maakt de gronden van de rechtbank – na een eigen afweging – tot de zijnen. Moeder en [zoon 1] hebben in hun summiere toelichting geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

8.Legaat A en legaat B (appel en incidenteel appel)

8.1.
[zoon 2] is executeur in de nalatenschap van erflater [erflater 2] . De taak omvat het betalen van schulden van de nalatenschap, waaronder het afgeven van de legaten. Bij de afgifte van de legaten dient [zoon 2] erop toe te zien dat de legaten op de voorwaarden worden afgegeven conform hetgeen erflater [erflater 2] in zijn testament heeft gesteld.
Zoals het hof onder 6.5 heeft overwogen zijn alle betrokkenen bij het bindend advies gebonden aan het meerwaarde beding. In het bindend advies is de verplichting opgenomen om het meerwaarde beding middels een kettingbeding op te leggen aan mogelijke rechtsopvolgers van betrokkenen. Deze verplichting rust op alle betrokkenen, ook op erflater [erflater 2] en [zoon 1] .
In zijn testament bepaalde erflater [erflater 2] vervolgens woordelijk onder punt 4 Bepalingen van de legaten a en b als volgt:
“De percelen gaat/gaan over met alle daarop rustende erfdienstbaarheden, kettingbedingen, kwalitatieve verplichtingen en publiekrechtelijke beperkingen al dan niet uit de openbare registers kenbaar”.
Voor zover [zoon 1] beoogt te stellen in randnummer 18 akte vermeerdering en vermindering van eis dat het meerwaarde beding niet was vastgelegd in de vorm van een kettingbeding ten tijde van het overlijden van erflater [erflater 2] zodat deze bepaling ter zake van het gelegateerde niet of niet langer geldt, overweegt het hof dat de obligatoire verplichting tot het vestigen van het kettingbeding rustte op erflater [erflater 2] voor de percelen die hij legateerde ten behoeve van de overige betrokkenen zoals opgenomen in het bindend advies. Dat de vastlegging daarvan niet of nog niet had plaatsgevonden in een notariële akte doet aan deze verplichting niet af. Nu de percelen bij de afgifte van het legaat worden overgedragen aan [zoon 1] die te dezen aan te merken is als legataris, zijnde een rechtsopvolger onder bijzondere titel van erflater [erflater 2] , is [zoon 1] ter zake aan het meerwaarde beding gebonden en dient medewerking te verlenen aan het vastleggen hiervan als kettingbeding in de akte van afgifte van het legaat.
Legaat B
8.2.
[zoon 2] stelt in zijn incidentele grief 2 expliciet aan de orde de inbrengverplichting zijdens [zoon 1] met betrekking tot het legaat B. In de visie van [zoon 2] heeft de rechtbank een verkeerde uitleg gegeven aan de inbrengverplichting – legaat B - van [zoon 1] zoals erflater [erflater 2] dat in zijn testament heeft geformuleerd.
8.3.
Uit het betoog van [zoon 2] zoals verwoord in randnummer 82 van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel volgt, dat het de bedoeling was van erflater [erflater 2] dat het legaat B slechts aan [zoon 1] kan worden afgegeven tegen inbreng van al hetgeen erflater [erflater 2] verschuldigd is aan de BV en wegens mogelijke geldleningen die [zoon 1] aan erflater [erflater 2] heeft verstrekt.
8.4.
Erflater [erflater 2] heeft volgens [zoon 2] alleen aan het bindend advies meegedaan omdat hij gronden in gebruik had gegeven aan de maatschap en aan de BV. In feite was erflater [erflater 2] bij twee beslissingen betrokken:
a. a) De bindend adviseurs hebben bepaald welke percelen grond [zoon 1] en [zoon 2] mochten exploiteren voor hun nieuwe ondernemingen en derhalve wie de percelen die in mede-eigendom toebehoorden aan erflater [erflater 2] zou gaan gebruiken.
b) De bindend adviseurs hebben bepaald dat tussen de diverse betrokkenen moet worden afgerekend, hetgeen inhoudt dat alle onderlinge vorderingen en schulden via een rekening-courantstelsel worden verrekend.
8.5.
In randnummer 81 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel stelt [zoon 2] dat erflater [erflater 2] recht had op een lijfrente, een pachtvergoeding en een vergoeding van vaste lasten. Partijen waren altijd gewoon geweest om alle verplichtingen over en weer te verrekenen in rekening-courant. De bindend adviseurs hebben bij bindend advies van 6 februari 2015 ook bepaald dat alle onderlinge vorderingen en schulden via een rekening-courant stelsel worden verrekend.
8.6.
In randnummer 83 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel concludeert [zoon 2] vervolgens dat legaat B slechts aan [zoon 1] kan worden afgegeven tegen inbreng van een bedrag van € 233.091,55. [zoon 2] verwijst naar productie 87 bij zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel.
8.7.
[zoon 2] biedt nadrukkelijk bewijs aan om middels getuigen te bewijzen dat erflater [erflater 2] alle vorderingen en schulden ten tijde van zijn overlijden wenste te verrekenen met [zoon 1] middels legaat B. Als getuigen wenst hij te horen [notaris 2] en de heer [X] .
8.8.
Het legaat B dat [zoon 1] verkrijgt – zijnde een perceel grond – vertegenwoordigt een waarde van € 345.639,22. Deze waarde is hoger dan de inbrengverplichting van [zoon 1] .
8.9.
Door [zoon 1] wordt bij memorie van antwoord in het incidentele appel verweer gevoerd. [zoon 1] betwist de uitleg die [zoon 2] aan het testament van erflater geeft met betrekking tot de inbrengverplichting ter zake legaat B. [zoon 1] verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531. [zoon 1] stelt dat partijen uitsluitend beschikken over de tekst van het testament en de tekst van het bindend advies. Er zijn namelijk geen andere stukken/verklaringen overgelegd waaruit de bedoelingen van erflater [erflater 2] blijken. Het speculeren van [zoon 2] over de vermeende wil van erflater [erflater 2] en diens bedoelingen mist feitelijke grondslag. Als gevolg van het bindend advies van 15 juli 2013 zijn de gebruiksrechten ter zake de percelen (waarvan erflater [erflater 2] deels eigenaar was), verdeeld tussen [zoon 1] en [zoon 2] . Deze verdeling bracht voor [zoon 1] de verplichting mee om aan erflater [erflater 2] pacht te betalen. Evenzo geldt dat de verrekening van de aan de percelen verbonden vaste lasten sinds 1 januari 2014 een kwestie is geworden tussen erflater [erflater 2] en [zoon 1] (en niet meer de BV). De lijfrenteverplichting jegens erflater [erflater 2] is evenzo per 1 januari 2014 verdeeld. Deze verdeling bracht dus met zich mede dat [zoon 1] uit zijn eenmanszaak de helft van de lijfrente diende te betalen. In randnummer 26 stelt [zoon 1] dat partijen niet tot een algehele verdeling en afwikkeling zijn overgegaan. Uit het bindend advies vloeien geen verplichtingen voort ter zake voornoemde betalingen van de BV aan erflater [erflater 2] na 1 januari 2014. Als in het bindend advies wordt gesproken over een afrekening via rekening-courantstelsel, dan wordt daarmee bedoeld een afrekening per 1 januari 2014 waarbij de alstoen bestaande verplichtingen over en weer verrekend zouden worden en waarbij er nieuwe rekening-courant verhoudingen zouden ontstaan tussen de eenmanszaken van [zoon 1] en [zoon 2] . Dat partijen zijn blijven bankieren met de bankrekening van de BV doet aan dit alles niet af. In randnummer 28 stelt [zoon 1] letterlijk: “Als in legaat B wordt gesproken over de verplichting welke voortvloeit uit het bindend advies, kan dit dus niet zien op eventuele vorderingen van de vennootschap op [erflater 2] wegens betalingen van de vennootschap aan/ten behoeve van [erflater 2] na 1 januari 2014”. In randnummer 29 stelt [zoon 1] dat met de woorden “vordering die hij ten tijde van mijn overlijden op mij heeft” met ‘hij’ [zoon 1] bedoeld wordt en niet de vennootschap.
8.10.
Het hof is van oordeel dat het betoog van [zoon 1] slaagt. Erflater [erflater 2] heeft in zijn uiterste wil de inbrengverplichting bij het legaat tegen inbreng aan [zoon 1] als volgt geformuleerd: “(…) de verplichting voor de legataris een zodanig bedrag in geld aan mijn nalatenschap te vergoeden, welk bedrag gelijk is aan het bedrag van de vordering die hij ten tijde van mijn overlijden op mij heeft (uit hoofde van de verplichting welke voortvloeit uit het bindend advies opgesteld door [adviseur 1] .), te vermeerderen met de ten tijde van mijn overlijden nog verschuldigde rente. De legataris is bevoegd aan deze inbrengverplichting te voldoen door het verrekenen van zijn inbrengplicht met zijn hiervoor bedoelde vordering op mij.” Naar het oordeel van het hof is de situatie na uitvoering van het legaat – waarbij de legataris dus bevoegd is zijn inbrengplicht te verrekenen met zijn vordering op erflater – dat legataris [zoon 1] geen vordering uit welke hoofde dan ook meer heeft op erflater [erflater 2] en daarmee dus geen vordering meer heeft op de nalatenschap van erflater [erflater 2] . Aangezien [zoon 2] en [zoon 1] volgens hun eigen stelling per 1 januari 2014 geruisloos uit de BV zijn teruggekeerd naar een eenmanszaak, heeft dit tot gevolg dat alle vorderingen van de BV op erflater [erflater 2] per die datum tussen [zoon 1] en [zoon 2] gesplitst zijn en tot het privévermogen van [zoon 1] en [zoon 2] zijn gaan behoren. Aan een vaststelling van de precieze omvang van de inbrengverplichting van legataris [zoon 1] – voor zover dat al mogelijk zou zijn – komt het hof niet meer toe. De inbrengverplichting van [zoon 1] is immers gelijk aan de vordering van [zoon 1] op erflater. Per saldo behoeft (al dan niet na verrekening) bij uitvoering van het legaat tegen inbreng geen euro meer ingebracht te worden door [zoon 1] in de nalatenschap van erflater [erflater 2] en hiertegenover staat dat de nalatenschap bevrijd is van een schuld die erflater [erflater 2] had aan [zoon 1] .
Legaat A
8.11.
In de incidentele grief 2 stelt [zoon 2] in randnummer 85 van de memorie van grieven tevens incidenteel appel dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 28.849,42 in mindering heeft gebracht met betrekking tot de inbreng verplichting van [zoon 1] met betrekking tot legaat A. Ten eerste stelt [zoon 2] dat [zoon 1] niet heeft aangetoond dat hij aan erflater [erflater 2] een geldlening heeft verstrekt van € 15.000 en ten tweede stelt hij dat de UB rechten door [agrarische coöperatie] aan erflater [erflater 2] zijn betaald. Het bedrag ter zake [rechten] kwam toe aan de BV maar is aan erflater [erflater 2] uitgekeerd omdat hij geen liquiditeiten had. Het bedrag valt onder de verrekening van legaat B. Erflater [erflater 2] is in de visie van [zoon 2] niets verschuldigd aan [zoon 1] .
8.12.
Door [zoon 1] is verweer gevoerd. Klaas stelt onder meer dat hij bedragen aan erflater [erflater 2] heeft overgemaakt met de omschrijving “volgens uw verzoek”. [zoon 1] heeft ervoor gekozen om geld aan erflater [erflater 2] te lenen. Zowel erflater, erflater [erflater 2] , Jaap, [zoon 1] en [zoon 2] bezaten zogenaamde BBU-aandelen en hadden ieder jegens [agrarische coöperatie] agrarische dienst recht op zogenaamde [rechten] . Partijen waren het met elkaar eens dat de [rechten] feitelijk toekwamen aan [zoon 1] en [zoon 2] (als aandeelhouders van de vennootschap). Erflater en erflater [erflater 2] dienden de aan hen rechtstreeks uitgekeerde [rechten] aan [zoon 1] en [zoon 2] te betalen.
8.13.
Het hof overweegt als volgt. Gezien de gemotiveerde betwisting door [zoon 2] rust op [zoon 1] de stelplicht en de bewijslast dat hij een bedrag van € 15.000 heeft geleend. Naar het oordeel van het hof kan uit de overboekingsomschrijving “op uw verzoek” niet worden vastgesteld dat sprake was van een lening. Daar komt ook nog bij dat er ook betalingsverplichtingen waren van [zoon 1] jegens erflater [erflater 2] . Uit het betoog van zowel [zoon 1] als van [zoon 2] volgt dat de BV gerechtigd was tot de [rechten] en niet de aandeelhouders van de vennootschap. Naar het oordeel van het hof treft deze grief van [zoon 2] doel en heeft de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 28.849,42 in mindering gebracht op € 201.774, -. [zoon 2] vordert dan ook terecht betaling van [zoon 1] aan de nalatenschap van erflater [erflater 2] van een bedrag van € 28.849,24.

9.Afwikkeling van de maatschap

9.1.
De rechtbank heeft overwogen dat het aandeel van [zoon 1] in het eigen vermogen van de maatschap € 232.834 was en dat van [zoon 2] € 82.694. Voorts volgt uit de overwegingen van de rechtbank dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van verrekeningen in verband met de verdeling van de activa van de maatschap, die tot gevolg hebben dat het aandeel van [zoon 1] € 259.014 bedraagt en het aandeel van [zoon 2] € 56.514. De aandelen in de maatschap moeten volgens de rechtbank vervolgens nog gecorrigeerd worden op basis van stortingen en opnames die na 31 december 2013 hebben plaatsgevonden. Door de rechtbank wordt verwezen naar overzicht 2 bij bijlage 11 van de akte van 4 juli 2023 van de zijde van [zoon 1] . Uit het betreden vonnis volgt dat [zoon 2] zich met die opstelling kon verenigen met uitzondering van drie kleine punten die de rechtbank vervolgens heeft beslist. In de periode na 2013 heeft [zoon 1] een bedrag van € 117.558 onttrokken en [zoon 2] heeft een bedrag van € 27.688 gestort. Het uiteindelijke aandeel van [zoon 1] in de maatschap komt dan uit op € 141.456 en dat van [zoon 2] op € 84.202. Ter zake de maatschap moet [zoon 2] aan [zoon 1] voldoen de somma van € 28.627.
9.2.
In de derde grief stelt [zoon 1] dat het overzicht onjuist is omdat de aandelen in de maatschap op 1 januari 2014 op nihil zijn gesteld en op 1 januari 2014 [zoon 1] nog een vermogen in de maatschap had van € 259.014 en [zoon 2] een vermogen had van € 56.514. Door de bedragen niet te vermelden is de renteberekening onjuist. In de visie van [zoon 1] waren partijen gewoon om rente te rekenen over het kapitaal in de maatschap. In randnummer 50 van de memorie van grieven stelt [zoon 1] dat hij een aandeel heeft in de maatschap van € 383.403,99 en [zoon 2] een aandeel heeft van € 83.479,27. [zoon 1] is van mening dat [zoon 2] hem nog een bedrag van € 149.9623 moet betalen.
9.3.
Door [zoon 2] wordt gemotiveerd verweer gevoerd. De berekening die [zoon 1] bij memorie van grieven in het geding heeft gebracht, heeft [zoon 1] bij akte van 30 april 2024 weer gewijzigd. [zoon 2] is van mening dat [zoon 1] compleet nieuwe overzichten heeft gemaakt. Door [zoon 2] wordt onder meer aangevoerd:
  • Er wordt met vele mutatie geschoven, welke niet te controleren zijn;
  • De totale mutaties komen niet overeen met het totaal van de afzonderlijke mutaties;
  • De mutaties komen niet overeen met de banksaldi;
  • Privé stortingen door [zoon 2] worden niet meegenomen in de renteberekeningen (terwijl [zoon 1] zijn privé-stortingen in de besloten vennootschap wel meeneemt in de renteberekeningen);
  • Het valt meteen op dat [zoon 1] rente en aflossingen ter zake van een geldlening opeens ten onrechte voor rekening van [zoon 2] en erflater laat komen. Ook brengt hij geheel ten onrechte de resterende aflossing ten laste van [zoon 2] . Dit levert [zoon 1] een aanzienlijk voordeel op.
[zoon 2] betwist nadrukkelijk de juistheid van de nieuwe berekeningen. Voorts stelt [zoon 2] dat van [zoon 1] had mogen worden verwacht dat hij een minimale toelichting had gegeven op de eenzijdig aangebrachte wijzigingen. Uit het subsidiaire verweer van [zoon 2] volgt dat [zoon 1] maximaal recht heeft op een bedrag van € 71.497.
9.4.
In de nadere toelichting van 15 oktober 2024 stelt [zoon 1] dat de kern van grief 3 is dat in de oorspronkelijke berekeningen ten onrechte geen beginstanden zijn opgenomen, zulks zodat de gemaakte renteberekeningen onjuist zijn.
9.5.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de maatschap tussen erflater, [zoon 1] en [zoon 2] op 31 december 2013 is ontbonden. Dat partijen gewoon waren om tijdens de maatschap rente te berekenen over het kapitaal in de maatschap van de individuele vennoot, brengt nog niet met zich mede dat die bepaling ook geldt na ontbinding van de maatschap. Na ontbinding van de maatschap dienen de vennoten over te gaan tot het verdelen van het maatschapsvermogen en dienen zij over en weer financieel af te wikkelen.
In randnummer 17 van de akte van 4 juli 2023 van [zoon 2] staat: “evenals bij de BV dient over de stortingen en onttrekkingen rente berekend te worden”. Uit de slotbalans van de maatschap volgt dat het ondernemingsvermogen van [zoon 1] op 31 december 2013 € 232.834 bedraagt en dat van [zoon 2] € 82.694 (zie randnummer 14 van de antwoord akte). Uit bijlage 1 (productie 73 bij de antwoord akte) volgt dat na verrekening van opnames en stortingen het vermogen van [zoon 1] € 141.456 bedraagt en dat van [zoon 2] € 98.044. Uit bijlage 2 (productie 73 bij de antwoord akte) volgt dat er wel met rente gerekend is vanaf 1 januari 2014. Een rentevergoeding over de opnames en onttrekking is iets anders dan een rentevergoeding over het kapitaal in de maatschap die er niet meer is. In het bindend advies tussen alle partijen is wel een passage opgenomen met betrekking tot de administratieve afwikkeling maar is niet vermeld dat rente verschuldigd is over het ontbonden maatschapsvermogen. Door [zoon 2] wordt de juistheid van het mutatieoverzicht rekening-courant [zoon 1] en [zoon 2] van de maatschap gemotiveerd bestreden. Het hof verwijst expliciet naar randnummer 67 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel. Productie 17 behorende bij de memorie van grieven aan de zijde van [zoon 1] geeft weliswaar een cijfermatige opsomming echter elke verdere toelichting ontbreekt. Ook de toelichting van [zoon 1] op grief 3a is zeer summier. Gezien het gemotiveerde verweer aan de zijde van [zoon 2] is het hof van oordeel dat [zoon 1] de grondslag van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd met betrekking tot de door hem gevorderde rente. Het had op de weg van [zoon 1] gelegen om zijn vordering met betrekking tot de door hem gevorderde rente deugdelijk te onderbouwen, nu hij dit niet heeft gedaan komt dit voor zijn rekening en risico.

10.Samenvatting

10.1.
[zoon 1] en moeder zijn gebonden aan meerwaarde beding.
10.2.
De grieven van [zoon 2] hebben wat betreft legaat A doel getroffen. Met betrekking tot legaat A heeft de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 28.849,42 in mindering gebracht op legaat A (zie randnummer 86 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel).
10.3.
Ter zake legaat B dient [zoon 1] aan de nalatenschap van erflater [erflater 2] te vergoeden hetgeen erflater [erflater 2] aan [zoon 1] verschuldigd is. Per saldo valt er dus niets meer te verrekenen tussen [zoon 1] en erflater [erflater 2] met betrekking tot de inbrengverplichting ter zake legaat B. Zulks betekent ook dat er over en weer met betrekking tot legaat B geen rente verschuldigd is. [zoon 1] heeft derhalve ook geen vordering op erflater [erflater 2] van € 159.039,43. Het bestreden vonnis dient derhalve op dit punt te worden vernietigd.
10.4.
Op 12 december 2023 heeft de afwikkeling van de nalatenschap van erflater [erflater 2] plaatsgevonden ten overstaan van [notariskantoor] . Uit de nota van afrekening volgt dat de rentevorderingen tot 1 juli 2023 (€ 27.970,90 en € 2.579,52) in mindering zijn gebracht op de inbrengvergoeding met betrekking tot legaat A. Ook volgt uit de notariële eindafrekening dat op legaat A het hiervoor genoemde bedrag € 28.849,42 in mindering is gebracht.
10.5.
Met betrekking tot legaat B volgt uit de nota van afrekening dat de inbrengvergoeding is gesteld op een bedrag van € 159.039,42 en de vordering van [zoon 1] op erflater [erflater 2] ook op een bedrag van € 159.039,42. Boekhoudkundig valt de vordering tegen de schuld weg en heeft op de afrekening geen effect. Ook op basis van hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot legaat B – vordering en schuld vallen tegen elkaar weg – heeft dit geen effect op de eindafrekening.
10.6.
Per saldo dient [zoon 1] aan de nalatenschap van erflater [erflater 2] terug te betalen de somma van € 28.849, 42 + rente € 27.970,90 + € 2.579,42 = € 59.399,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024. Nu [zoon 2] enig erfgenaam is, komt dit er materieel op neer dat dit bedrag betaald moet worden aan [zoon 2] .

11.Dwangsom

11.1.
Door [zoon 2] is bij de incidentele grief onder 1 nog gevorderd om een dwangsom op te leggen. Daartegen is verweer gevoerd. Het hof gaat ervan uit dat alle betrokkenen thans op een correcte wijze uitvoering zullen geven aan dit arrest en acht het opleggen van een dwangsom nog niet noodzakelijk.

12.Proceskosten

12.1.
Gezien het feit dat er sprake is van een familieverhouding die al ernstig is verstoord, acht het hof het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk om de proceskosten te compenseren.

13.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin is bepaald dat [zoon 1] op erflater [erflater 2] een vordering heeft van € 159.039,43 te vermeerderen met 4% rente die de nalatenschap verschuldigd is over de rekening-courantschuld aan [zoon 1] en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de inbrengverplichting van [zoon 1] ter zake legaat B gelijk is aan hetgeen hij te vorderen heeft op erflater [erflater 2] ;
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin is bepaald dat [zoon 1] een bedrag van
€ 28.849,42 in mindering mag brengen op legaat A en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [zoon 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [zoon 2] te betalen de somma van € 59.399,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en A.S. Mertens-de Jong en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.