Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:482

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
22-001482-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid na poging tot moord in Pauluskerk

De verdachte werd beschuldigd van poging tot moord op twee personen in de Pauluskerk te Rotterdam door met een mes te steken. Ondanks het bestaan van een psychische stoornis bij de verdachte, oordeelde het hof dat dit niet in de weg stond aan het bewijs van opzet en voorbedachte raad. De verdachte had doelgericht gehandeld en had voldoende tijd om zich te beraden.

De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het vonnis van de rechtbank en bevestiging van het bewezenverklaren van het tenlastegelegde, met ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het hof volgde dit standpunt en verwierp het verweer van de raadsman dat ontbrak aan opzet en voorbedachte raad.

Daarnaast wees het hof een subsidiair verzoek tot aanhouding van de zaak en nader onderzoek naar een zorgmachtiging af, omdat een zorgmachtiging onvoldoende geschikt werd geacht om het herhalingsgevaar te beperken. Het vonnis van de rechtbank werd bevestigd met verbetering en aanvulling, waarbij de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging en terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001482-25
Parketnummer: 10-351526-24
Datum uitspraak: 30 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1987,
thans gedetineerd in de [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij is terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast, en is de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 november 2024 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermaals) (met kracht) met een mes (een) stekende beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het impliciet primair tenlastegelegde zal worden bewezenverklaard en dat de verdachte te dien aanzien zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dat de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden gelast, en dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling en verbetering aanbrengt.
Het hof zal onderstaande bewijsoverweging in de plaats stellen van de onder 4.1.2 in het vonnis van beroep opgenomen overweging. Voorts zal het hof beslissen op een voorwaardelijk verzoek van de raadsman, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep.
Het vonnis waarvan beroep zal derhalve onder aanvulling en verbetering van gronden worden bevestigd.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft bepleit – kort gezegd – dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu het opzet bij de verdachte ontbrak en evenmin sprake was van voorbedachte raad, gelet op de geestestoestand van de verdachte zoals die blijkt uit de pro-Justitiarapportages.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Opzet
Het hof stelt voorop dat het bestaan van een geestelijke stoornis bij de verdachte slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken (Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775). Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een vleesmes heeft gekocht, daarmee naar de Pauluskerk is gelopen en daar met het mes stekende bewegingen in de richting van het hoofd en/of lichaam van de twee slachtoffers heeft gemaakt. De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij mensen in de Pauluskerk wilde doodmaken. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij twee mensen wilde neersteken en dat hij het ‘jammer’ vond dat het ‘niet was gelukt’. Naar het oordeel van het hof geven de verklaringen van de verdachte en zijn handelen blijk van doelgerichtheid: hij wilde personen doden en gebruikte daarvoor een geëigend middel, namelijk een vleesmes, waarmee hij in de richting van de slachtoffers heeft gestoken. Dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken, acht het hof niet aannemelijk, mede in het licht van de hiervoor aangehaalde verklaringen. Die verklaringen heeft de verdachte afgelegd kort na het steekincident, toen hij nog steeds – evenals ten tijde van het steken – een floride psychotisch toestandsbeeld vertoonde. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte het opzet had op de dood van de slachtoffers.
Voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342).
Voorts stelt het hof voorop dat naar vaste jurisprudentie (recent bevestigd in Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295) de aanwezigheid van een psychische stoornis bij de verdachte niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van voorbedachte raad. Zelfs wanneer de keuzevrijheid van een verdachte zodanig is aangetast dat het bewezenverklaarde niet kan worden toegerekend, sluit dit niet uit dat sprake is van voorbedachte raad. Ook iemand die lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan planmatig te werk gaan, zij het dat dit plan bijvoorbeeld kan zijn gebaseerd op een bij de verdachte levende stoornis van zaken die geheel of ten dele tot stand is gekomen onder invloed van die stoornis of gebrekkige ontwikkeling.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad acht het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, ontleend aan de bewijsmiddelen, redengevend.
De verdachte kreeg in de Pauluskerk te Rotterdam ruzie met iemand die volgens de verdachte behoorde tot een geheime organisatie. Dit betrof het latere slachtoffer [slachtoffer 2] . De verdachte is weggegaan uit de Pauluskerk en heeft op enig moment besloten om de mensen die onderdeel uitmaakten van de geheime organisatie, onder wie dus [slachtoffer 2] , te doden met een mes. Daartoe heeft hij vervolgens in een winkel in de Zwart Janstraat een mes gekocht. Met het mes in zijn mouw is de verdachte te voet teruggekeerd naar de Pauluskerk. Eenmaal in de Pauluskerk is de verdachte gelijk afgestapt op het slachtoffer [slachtoffer 1] , die volgens de verdachte ook bij de geheime organisatie hoorde, en heeft hij geprobeerd om hem met het mes te steken in zijn hoofd. Vervolgens is de verdachte op [slachtoffer 2] afgelopen en heeft hij deze ook geprobeerd te steken met het mes.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte zich had voorgenomen om de slachtoffers van het leven te beroven. De verdachte had vervolgens voldoende tijd om zich op zijn voorgenomen daad te beraden. Hij heeft immers eerst een mes gekocht en is daarmee van de Zwart Janstraat naar de Pauluskerk gelopen, waar hij aan zijn voornemen uitvoering heeft gegeven. De verdachte handelde onder invloed van een psychische stoornis, maar het hof acht niet aannemelijk dat de verdachte als gevolg van die stoornis niet heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. De verdachte heeft kort na het gebeurde ten overstaan van de politie verklaard dat hij de intentie had om meerdere mensen te doden, dat hij een mes had gekocht en dat hij specifiek naar de Pauluskerk terug is gegaan om daar de persoon te doden die volgens hem bij de geheime organisatie hoorde. Deze verklaring, alsmede het planmatige handelen van de verdachte, geven naar het oordeel van het hof geen blijk van het onvermogen tot vorenbedoeld nadenken en rekenschap geven. Het hof acht de aanwezigheid van een psychische stoornis bij de verdachte dan ook geen contra-indicatie die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staat. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven en aldus heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft – subsidiair – bepleit om de zaak aan te houden en de pro-Justitiarapporteurs nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheid van een zorgmachtiging met het oog op repatriëring van de verdachte naar zijn land van herkomst.
Het hof zal dit standpunt opvatten als een voorwaardelijk verzoek, dat geldt in het geval het hof het tenlastegelegde bewezen zal verklaren, de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging en de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege zal gelasten. Aan de voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan is voldaan. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
De pro-Justitiarapporteurs zijn reeds ingegaan op de mogelijkheid van een zorgmachtiging, waarbij een zorgmachtiging door de rapporteurs als een onvoldoende geschikt alternatief voor terbeschikkingstelling wordt beschouwd, omdat een zorgmachtiging doorgaans van te korte duur is en onvoldoende forensische focus biedt om het herhalingsgevaar structureel te verlagen. In het licht daarvan is het hof is– evenals ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2026 – van oordeel dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigthet vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 maart 2026.