Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:436

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
200.346.475/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 6:162 BWArt. 3:314 BWArt. 3:306 BWArt. 5:48 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep burenrecht: verjaring snoeivordering en toewijzing vordering tot plaatsing scheidsmuur

In deze burenrechtelijke zaak staat centraal of de appellant verplicht is om beplanting in zijn achtertuin te snoeien en of er een gemeenschappelijke scheidsmuur in de voortuin moet komen. De rechtbank had de vordering tot snoeien toegewezen en de vordering tot plaatsing van een scheidsmuur afgewezen.

Het hof oordeelt dat de vordering tot snoeien verjaard is, omdat de beplanting al sinds 1999 boven de erfgrens uitsteekt en de verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken. Diverse verklaringen en een deskundigenrapport bevestigen de leeftijd en hoogte van de beplanting. De vordering tot snoeien wordt daarom afgewezen. De vordering tot het plaatsen van een ondoorzichtige scheidsmuur van één meter hoog op de perceelsgrens in de voortuin wordt toegewezen, waarbij de kosten gelijkelijk door partijen worden gedragen.

De vordering tot vergoeding van de kosten van een boomdeskundigenrapport wordt afgewezen omdat er geen aansprakelijkheid is vastgesteld. De proceskosten worden grotendeels aan de geïntimeerden opgelegd, die tevens worden veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot snoeien wordt afgewezen wegens verjaring, de vordering tot plaatsing van een scheidsmuur wordt toegewezen met kostenverdeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.346.475/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/648038 / HA ZA 23-466
arrest van 24 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. J.W.G. van der Wallen te Rijswijk,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk te noemen in mannelijke meervoud: [geïntimeerde 1] c.s.,
advocaat: mr. L.I. Boes te Amsterdam.

1.Waar het in deze zaak over gaat

Burenrecht. Vraag of de ene buur gehouden is de beplanting in zijn achtertuin te snoeien tot een bepaalde hoogte en of er een gemeenschappelijke scheidsmuur in de voortuin moet komen. De rechtbank heeft de vordering tot snoeien toegewezen, het hof zal deze vordering alsnog afwijzen omdat deze is verjaard. De vordering tot het op gezamenlijke kosten oprichten van een scheidsmuur in de voortuin van partijen, is door de rechtbank afgewezen en zal door het hof alsnog worden toegewezen.

2.Het procesverloop

2.1.
Bij exploot van 18 juni 2024 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 20 maart 2024.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord;
- akte overlegging producties van [appellant] (met producties) en de antwoordakte van [geïntimeerde 1] c.s.
2.3.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

3.De feiten

3.1.
De door de rechtbank in het vonnis van 20 maart 2024 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan, aangevuld met enkele andere relevante feiten. Het gaat in deze zaak om het volgende:
3.2.
[geïntimeerde 1] c.s. wonen aan de [straatnaam en huisnummer] te [woonplaats] en [appellant] woont aan de
[straatnaam en huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn directe buren van elkaar. De voor- en achtertuinen
van partijen grenzen aan elkaar. De achtertuinen van partijen liggen op het oosten/zuidoosten.
3.3.
[appellant] woont sinds 1999 in zijn woning. Hij heeft sindsdien ook zijn (achter)tuin
aangelegd. [geïntimeerde 1] c.s. wonen sinds 2015 in hun woning.
3.4.
In 2017 hebben [geïntimeerde 1] c.s. de voortuin aangepast en, onder andere, een gaashek geplaatst.
3.5.
In 2019 hebben [geïntimeerde 1] c.s. de woning aan de achterkant twee en een halve meter uitgebouwd. Naar aanleiding van de bouw van de uitbouw is in 2019 het Kadaster door [appellant] ingeschakeld. Er is toen eveneens een grensreconstructie in de voortuinen gemaakt. Daaruit bleek dat het gaashek in de voortuin dertien centimeter op het perceel van [appellant] is geplaatst. De door het Kadaster geplaatste ijzeren buis is nog in de voortuinen aanwezig. De situatie met het gaashek is aanvankelijk tot 2023 niet aangepast. In de zomer van 2023 hebben [geïntimeerde 1] c.s. op verzoek van [appellant] het gaashek verwijderd. Eén deel van het gaashek is na overleg tussen partijen blijven staan.
3.6.
In oktober 2020 hebben [geïntimeerde 1] c.s. [appellant] verzocht om de beplanting tot aan schuttinghoogte te snoeien. Op 4 december 2020 is dit verzoek herhaald. [geïntimeerde 1] c.s. hebben geprobeerd met [appellant] afspraken te maken over snoei. [appellant] heeft door de jaren heen wel snoeiwerkzaamheden aan de beplanting verricht. Op verdere verzoeken van [geïntimeerde 1] c.s. omtrent snoei heeft [appellant] niet nader gereageerd.
3.7.
[appellant] heeft een onderzoek naar zijn beplanting laten verrichten door bomenexpert Steven Ibelings van Treetment B.V. In het rapport van 16 juni 2023 (overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord) staat, onder meer:
Bolocacia
(…)
De leeftijd van de bolacacia is 31 jaar(…)
Vijgenboom
(…)
De leeftijd van de vijgenboom is 39 jaar(…)
Blauwe regen
(…)
De leeftijd van de blauweregen is 26 jaar(…)
Ook is mij gevraagd om een leeftijdsbepaling te verrichten van de bamboe(…)
Dit is echter vrij lastig om met zekerheid te doen. Bamboe behoort tot de grassen en heeft continue verjonging.(…)
Aannemelijk is, gezien de inrichting van de tuin, dat het overgrote deel van de hoofdstructuur gelijktijdig in 1999 aangeplant is.”

4.De procedure bij de rechtbank

4.1.
In eerste aanleg vorderden [geïntimeerde 1] c.s. in conventie – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen:
a) om binnen twee weken na betekening van het vonnis de begroeiing die binnen een
halve meter van de erfgrens staat, waaronder de bamboestruik en blauwe regen te
snoeien tot maximaal de hoogte van de schutting, zijnde een hoogte van twee meter,
en deze begroeiing blijvend tot maximaal die hoogte gesnoeid te houden;
b) om binnen twee weken na betekening van het vonnis de vijgenboom en andere
boom te snoeien en blijvend gesnoeid te houden, zodanig dat die twee bomen niet
hoger zullen reiken dan tot maximaal aan de dakrand/het boeideel van de uitbouw
van [geïntimeerde 1] c.s.;
c) om binnen twee weken na betekening van het vonnis de in zijn achtertuin
bevindende boom te snoeien en gesnoeid te houden tot een maximale hoogte van
300 centimeter;
het voorgaande onder sub a), b) en c) alle op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [appellant] geen of slechts ten dele gehoor geeft aan een of meerdere veroordelingen, met een maximum van € 50.000,00 en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.2.
In reconventie heeft [appellant] – na wijziging eis – gevorderd – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a) [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen om een bedrag van € 1.179,75 te betalen aan [appellant]
ter zake van de kosten van de bomenexpert, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum conclusie van antwoord;
b) [geïntimeerde 1] c.s. te gelasten om binnen acht weken na vonnis medewerking te verlenen aan het oprichten van een scheidsmuur ter hoogte van een meter op de perceelsgrens in de voortuin aan de [adressen] , met bepaling dat de kosten door partijen bij
helfte worden gedragen, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag dat
[geïntimeerde 1] c.s. niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van € 7.000,00
c) [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen om een bedrag van € 19,50 ter zake van de zaalhuur aan [appellant] te betalen;
d) [geïntimeerde 1] c.s. te veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Bij eindvonnis van 20 maart 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. in conventie in die zin toegewezen dat [appellant] is veroordeeld om:
- ten minste ieder voorjaar en najaar de vijgenboom en leiboom naast de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s. in hoogte terug te snoeien, zodat deze niet hoger reiken dan de daktrim van de uitbouw;
- ieder voorjaar en najaar (de uitlopers van) de blauwe regen in hoogte en omvang terug te snoeien tot aan de dikkere takken c.q. stammen van de blauwe regen ter hoogte van de ‘takken’ van de ijzeren constructie;
- de bamboe ieder voorjaar, iedere zomer en ieder najaar in hoogte en omvang terug te snoeien, zodat deze niet hoger reikt dan tot één meter boven de schutting;
- (de uitlopers van) de bolacacia ieder voorjaar in hoogte en omvang terug te snoeien tot aan de knoesten c.q. verdikking van de takken.
Aan voorgaande veroordelingen heeft de rechtbank een dwangsom verbonden van € 50,00
per dag met een maximum van € 2.000,00 per jaar.
De vordering in reconventie is afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie.

5.De vordering en het verweer in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert het vonnis van 20 maart 2024 (hierna: het vonnis) te vernietigen en alsnog zijn vorderingen in reconventie toe te wijzen en de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. in conventie af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep en met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] reeds heeft voldaan op grond van het vonnis.
5.2.
[geïntimeerde 1] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis in conventie en in reconventie, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

6.De beoordeling in hoger beroep

6.1.
[appellant] heeft tien grieven aangevoerd die het geschil in volle omvang (zowel in conventie als in reconventie) aan het hof voorleggen. Het hof zal deze grieven per onderwerp bespreken.
De conventie
De bamboe, de blauwe regen en de vijgenboom en de bolocacia
6.2.
Als meest verstrekkend verweer heeft [appellant] aangevoerd dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. zijn verjaard. Dit geldt zowel voor de vordering op grond van artikel 5:42 BW Pro als die op grond van onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW Pro.
6.3.
Op grond van artikel 5:42 BW Pro is het niet geoorloofd om binnen de in lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van een anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven. Ingevolge lid 2 bedraagt de afstand voor bomen twee meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom en voor heesters en heggen een halve meter, tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. Ingevolge het derde lid kan de nabuur zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven.
6.4.
De verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand begint te lopen op de dag nadat opheffing daarvan kan worden gevorderd (artikel 3:314 BW Pro) en bedraagt twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro). [appellant] stelt direct na levering van zijn woning in 1999 de bamboe te hebben geplant in de hoek van zijn tuin. Deze was toen al meer dan twee meter hoog. Hetzelfde geldt voor de blauwe regen (die in 1999 in een frame van ijzeren staven van 2,40 hoog is geleid), de vijgenboom, en de bolacacia. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [appellant] diverse verklaringen overgelegd. Als productie 2 bij conclusie van antwoord is als eerste een verklaring overgelegd van [naam 1] en [naam 2] van 20 juni 2023, deze luidt, voor zover relevant:
(…)
Zoals je weet wonen wij al sinds 1981 in ons huis aan de [straatnaam en huisnummer 3](…)
We waren blij toen je weer in 1999 op dat adres ging wonen. We hadden in 1999 veel contact met je toen je ging verbouwen in je huis en je tuin aan het aanleggen was. Je hebt toen een mooie blauwe regen geplant die je in het stalen frame hebt geleid. We vonden het werkelijk prachtig. Deze was goed te zien vanuit onze tuin. Ook de bamboe in de hoek, de vijgenboom, de druif en de bolacacia konden we reeds in 1999 vanuit onze tuin bewonderen, omdat die boven de schutting uitstaken.(…)
De tweede verklaring is van [naam 3] en [naam 4] van 5 juni 2023, zij woonden vanaf 1995 tot 22 december 2015 aan de [straatnaam en huisnummer] , in deze verklaring staat, onder meer:
(…)
Wij hebben al vanaf 1999 mogen genieten van de bamboe, de blauwe regen, de druif, de vijgenboom en de bolacacia die vanaf het aanplanten in je achtertuin in 1999 al ruim boven de scheidingsmuur en de betonschutting op de erfgrens uit groeiden.”
Bij akte overlegging producties in hoger beroep heeft [appellant] nog meer verklaringen overgelegd, de eerste is van [naam 5] van 25 maart 2025 (productie IX), waarin onder meer is opgenomen:
“(…) In 1999 heb ik je woning verbouwd. (…) Tijdens deze werkzaamheden heb jij je tuin aangelegd en een houten schutting met poort geplaatst. We hebben toen veel contact met elkaar gehad. Ik herinner mij dat jij in de hoek van je achtertuin een bamboe hebt geplaatst die al erg hoog was en ver boven de schutting uitstak tegen de inkijk in je achtertuin door de achterburen. Ook is er toen in je achtertuin een ijzeren frame geplaatst waarin jij toen een blauwe regen tot aan de top van het frame hebt geleid. Verder was je bezig met aanplanten van een vijgenboom, druivenstruiken en 2 bolacacia’s. Deze waren ook aanzienlijk, ik denk ca 3 meter hoog. Dat weet ik omdat ik je toen heb geholpen met het versjouwen van voor naar achter van de bomen die je gekocht had. In ieder geval staken deze bomen ver boven de schutting uit.”
De tweede verklaring is van [naam 6] van 25 maart 2025 (productie X), die voor zover relevant luidt:
(…)
In 1999 heb ik je woning verbouwd.(…)
Tijdens deze werkzaamheden heb jij soms met hulp van een kennis je tuin aangelegd en een houten schutting met poort geplaatst. We hebben toen veel contact met elkaar gehad. In de hoek van je achtertuin heb je in 1999 bamboe geplaatst die al erg hoog was en ver boven de
schutting uitstak tegen de inkijk in je achtertuin door de achterburen, je wou privacy hebben in je achtertuin en je woonkamer. Ook is er toen in je achtertuin een ijzeren frame geplaatst waarin je blauwe regen tot aan de top van het frame hebt geleid.
Verder was je bezig met aanplanten van een vijgenboom, druivenstruiken, een tuinhuisje en 2 bolacacia s. Deze waren ook aanzienlijk, ik denk ca 3 meter hoog. Dat weet ik omdat ik je toen heb geholpen met het aanplanten van de bomen, in ieder geval staken deze bomen ver boven de schutting uit. Je wilde meteen een mooi resultaat op hoogte zien in je achtertuin vertelde je mij”.
De derde verklaring is van [naam 7] van 27 maart 2025 (productie XI), waarin onder meer staat:
“Mijn naam is [naam 7] , ik ben een kennis/vriendin van [appellant] sinds 1992. Toen [appellant] zijn tuin op [straatnaam en huisnummer 2] te [adres] [woonplaats] aan het aanleggen was in 1999, zag ik dat [appellant] de navolgende planten en bomen in zijn achtertuin heeft geplant: een vijgenboom, druivenstruiken, een blauwe regen waarvan hij de takken/uitlopers geleid heeft naar de top van een ijzeren frame in vorm van een boom en tegen de inkijk van de achterburen en voor z'n privacy een bamboestruik en 2 bolacacia's. Deze bomen en planten waren toen zodanig hoog dat ze allemaal aan de zij- en achterkant van zijn achtertuin1 meter boven de scheidingsmuur op de erfgrens en de schutting uitstaken. Ik begrijp dat hierover een discussie is. Ik kan naar waarheid verklaren dat vanaf 1999 al deze bomen
en planten ver boven de schutting uitstaken.(…)
Ik heb gezien dat [appellant] jaarlijks de bomen en planten snoeide maar deze behielden na de snoei steeds tenminste een hoogte van 3 tot 4 meter. Ik weet dat [appellant] voorzichtig is met snoeien omdat
hij de bomen niet kapot wil snoeien zoals hij dat met de rechtse bolacacia is gebeurd in het verleden en omdat hij van de natuur en vogels houdt die graag huizen/nestelen in de bomen.”
6.5.
Daarnaast heeft [appellant] een rapport van een bomendeskundige in het geding gebracht (zie hiervoor onder 3.8). Uit dat rapport volgt dat de bolacacia 31 jaar oud is, de vijgenboom 39 jaar en de blauwe regen 26 jaar. De deskundige acht het aannemelijk dat ook de bamboe in 1999 is geplant. Dat de beplantingen een dergelijke leeftijd hebben strookt met de stelling van [appellant] dat deze bij het planten in 1999 al boven de scheidsmuur uitstaken (en dus hoger waren dan twee meter).
6.6.
In het licht van deze onderbouwde stellingen van [appellant] gaat het hof aan de enkele betwisting door [geïntimeerde 1] c.s., die bij gebrek aan wetenschap de ouderdom van de beplanting van [appellant] betwisten (zie onder meer randnummer 6 memorie van antwoord), voorbij. Ook aan de opmerkingen van [geïntimeerde 1] c.s. ten aanzien van de in hoger beroep bij akte overlegging producties in het geding gebrachte verklaringen gaat het hof voorbij. [geïntimeerde 1] c.s. betwijfelen (mede gelet op de soms identieke bewoordingen) of deze verklaringen werkelijk eigen verklaringen zijn van de betrokkenen en of er geen woorden in de mond zijn gelegd. Ook vragen [geïntimeerde 1] c.s. zich af of betrokkenen de situatie van zo lang geleden nog wel helder voor de geest kunnen halen. Tot slot merken [geïntimeerde 1] c.s. op dat het hier gaat om vrienden, bekenden en opdrachtnemers van [appellant] waarvan [geïntimeerde 1] c.s. de objectiviteit en onafhankelijkheid in twijfel trekt. Deze stellingen van [geïntimeerde 1] c.s. zijn verder niet (genoegzaam) onderbouwd, zodat het hof hier als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd aan voorbij gaat. [geïntimeerde 1] c.s. wijzen er verder op dat niet alle verklaringen duidelijk zijn over hoe hoog de beplanting dan boven de schutting uitstak. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen maakt die specifieke hoogte echter niet uit. Het gaat er om dat de begroeiing al sinds 1999 boven de schutting uitsteekt.
6.7.
Het voorgaande betekent dat de verjaring van de vordering tot het opheffen van een onrechtmatige toestand (artikel 5:42 BW Pro of van artikel 6:162 BW Pro) ten aanzien van de bamboe, de blauwe regen en de vijgenboom – die is gaan lopen op het moment dat deze boven de scheidsmuur uitgroeiden en (de vorige eigenaren van de woning van) [geïntimeerde 1] c.s. zich daartegen (mede gelet op artikel 5:48 lid 3 BW Pro) konden verzetten, zijnde in dit geval direct bij de planting in 1999 – nu ruimschoots is voltooid. Dat de hoogte van de begroeiing door de jaren heeft gevarieerd is daarbij niet relevant omdat is gesteld noch gebleken dat de hoogte ooit lager is geweest dan de erfafscheiding van twee meter hoog. Dit wordt als zodanig door [geïntimeerde 1] c.s. in de memorie van antwoord onder randnummer 6 ook erkend:
“Het zou kunnen dat de vijgenboom, blauwe regen, bamboe en bolacacia zich sinds 1999 in de tuin van [appellant] bevinden maar [geïntimeerde 1] betwist dat bij gebrek aan wetenschap. Feit is dat deze beplanting doorgaans niet hoger dan één tot anderhalve meter boven de schutting uit kwam. De beplanting werd met enige regelmaat door [appellant] gesnoeid tot die hoogte. De bolacacia is nog in 2020 zelfs tot aan de stam geknot, waardoor hij zo’n anderhalve beter boven de schutting uit stak.”Dit betekent echter geen vrijbrief voor [appellant] om deze beplanting onbeperkt te laten groeien maar hij dient het tot nu toe gehanteerde snoeibeleid te blijven volgen. Een veroordeling hiertoe is echter niet aan de orde daar er geen aanwijzingen zijn dat [appellant] dat niet zou doen, Zo als aangegeven is de vordering om niet hoger dan de schutting te laten groeien verjaard.
6.8.
Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. hebben willen stellen dat [appellant] de beplantingen pas recent (sinds 2015 dan wel 2020) hoger laat opschieten, zo hoog dat het onrechtmatige hinder oplevert, hebben zij dat onvoldoende onderbouwd. Een zekere mate van schaduwwerping als gevolg van hun beplantingen dienen buren van elkaar te tolereren. Uit de stellingen en de overgelegde foto’s blijkt niet dat deze grens door [appellant] , door onvoldoende te snoeien wordt overschreden. Op deze grondslag – onrechtmatige hinder – zijn de vorderingen dus hoe dan ook niet toewijsbaar. Dat geldt in het bijzonder voor de bolacacia die, zoals vaststaat, niet binnen de verboden afstand van twee meter is aangeplant en waarvoor onrechtmatige hinder als enige grondslag is gesteld.
6.9.
Of, zoals [appellant] op meerdere gronden betwist, de blauwe regen en de bamboe door het verbod van artikel 5:48 BW Pro worden getroffen, behoeft gelet op het bovenstaande niet meer te worden beoordeeld.
6.10.
De conclusie is dat een juridische verplichting om deze beplantingen op de door [geïntimeerde 1] c.s. gewenste hoogtes te houden ontbreekt of niet langer kan worden afgedwongen. Dit laat uiteraard onverlet dat het omwille van de goede verhoudingen raadzaam is dat [appellant] bij het snoeien ook zoveel mogelijk rekening houdt met het belang van zijn “nieuwe” buren. Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] ook zelf te kennen heeft gegeven geen ongebreidelde groei te beogen.
De leiboom
6.11.
Ten aanzien van de leiboom geldt het volgende. [appellant] stelt deze in 2020 te hebben geplant, zodat van verjaring ten aanzien van de leiboom geen sprake is. [appellant] stelt deze te hebben geplant om de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s. te camoufleren. [appellant] heeft onbetwist gesteld deze boom te snoeien tot de dakrand van de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s. omdat hij rekening houdt met de zonnepanelen van [geïntimeerde 1] c.s. die op die uitbouw liggen.
6.12.
Of in dit geval een gemeentelijke verordening van toepassing is waardoor op grond van het tweede lid van artikel 5:42 BW Pro een andere afstand geldt dan een halve meter, kan het hof in het midden laten vanwege het volgende. Op grond van het derde lid van artikel 5:42 BW Pro kunnen [geïntimeerde 1] c.s. zich in dit geval niet verzetten tegen de leiboom. Immers hebben beide partijen betoogd dat de leiboom niet hoger reikt dan de dakrand van de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s., welke uitbouw ten aanzien van de leiboom als scheidsmuur tussen de erven heeft te gelden. [appellant] heeft betoogd deze leiboom te snoeien tot de hoogte van die dakrand omdat hij ook rekening houdt met de op de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s. geplaatste zonnepanelen. [geïntimeerde 1] c.s. hebben dit niet betwist. Het hof ziet daarom in dit geval geen aanleiding om [appellant] te veroordelen dit te blijven doen en daaraan een dwangsom te verbinden. Zo lang [appellant] de leiboom niet hoger laat groeien dan de dakrand van de uitbouw van [geïntimeerde 1] c.s. is er feitelijk geen grondslag om [appellant] tot enige snoeiverplichting te veroordelen.
Conclusie ten aanzien van de conventie
6.13.
Het hoger beroep treft doel en het vonnis in conventie kan niet in stand blijven. Hetgeen verder door partijen is aangevoerd ten aanzien van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. in conventie behoeft geen verdere bespreking. De vorderingen in conventie van [geïntimeerde 1] c.s. zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.
De reconventie
De kosten van de boomdeskundige (vordering a)
6.14.
De rechtbank heeft deze vordering afgewezen (zie rechtsoverweging 4.14) omdat dit geen kosten zijn als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder Pro a BW. Het hof onderschrijft deze overweging. Een vergoeding voor een deskundigenrapport op grond van artikel 6:96 BW Pro is mogelijk als er sprake is of kan zijn van aansprakelijkheid, waarbij de kosten voor het rapport als vermogensschade kunnen worden gevorderd. Artikel 6:96 BW Pro biedt dus geen zelfstandige basis voor een vordering, maar veronderstelt een aansprakelijkheid. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de kosten van de boomdeskundige niet voor vergoeding door [geïntimeerde 1] c.s. in aanmerking komen.
De scheidsmuur in de voortuin (vordering b)
6.15.
In de wet is ten aanzien van de afsluiting van naburige erven het navolgende bepaald:
  • artikel 5:43 BW Pro: Onder muur wordt in deze en de volgende titel verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting;
  • artikel 5:48 BW Pro: De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten;
- artikel 5:49 lid 1 BW Pro: Ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente kan te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De eigenaars dragen in de kosten van de afscheiding voor gelijke delen bij.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2019 (ECLI:HR:2019:1907) volgt dat de omstandigheid dat er een andere mandelige erfafscheiding aanwezig is (bijvoorbeeld een haag) er niet aan in de weg staat dat de ene buurman zijn bevoegdheid kan en mag uitoefenen medewerking van de andere buurman te verlangen aan het oprichten van een scheidsmuur. Voor een belangenafweging is geen plaats.
6.16.
[appellant] wenst duidelijkheid omtrent de erfgrens, het kadastrale paaltje in de voortuin volstaat daartoe niet. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte zijn vordering wegens gebrek aan belang afgewezen. Dit betoog van [appellant] slaagt. Op grond van de wet heeft hij het recht om te verlangen dat [geïntimeerde 1] c.s. meewerken aan het oprichten van een scheidsmuur op de erfgrens waarvoor de kosten door partijen gezamenlijk worden gedeeld. Dit dient wel een ondoorzichtige scheidsmuur te zijn, dus niet een van zes palen met een gaasconstructie (zie onder meer randnummer 86 memorie van grieven), tenzij [geïntimeerde 1] c.s. met die constructie zouden instemmen. Aan de wettelijke hoogte van twee meter (die mogelijk op basis van gemeentelijke regelingen lager is) heeft geen van beide partijen, zo begrijpt het hof, behoefte: voor beiden is één meter voldoende. Gelet op het voornoemde arrest van de Hoge Raad is er geen plaats voor een belangenafweging. Van verwerking of misbruik van recht is geen sprake. Het hof zal de vordering van [appellant] tot het oprichten van een scheidsmuur van één meter hoog in de voortuin van partijen, op de perceelsgrens, alsnog toewijzen, waarbij de kosten door partijen bij helfte dienen te worden gedragen.
6.17.
Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Het hof gaat ervan uit dat beide partijen aan de oprichting van de scheidsmuur hun medewerking zullen verlenen.
De zaalhuur (vordering c)
6.18.
Deze vordering is in eerste aanleg al vervallen omdat [appellant] heeft toegelicht dat [geïntimeerde 1] c.s. deze huur al voor hun rekening hebben genomen (zie overweging 3.5. van het vonnis). Deze vordering behoeft dan ook geen verdere bespreking.
De proceskosten in reconventie (vordering d)
6.19.
In de omstandigheid dat beide partijen over en weer op hoofdpunten (deels) als in het ongelijk gesteld zijn te beschouwen, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het bewijsaanbod
6.20.
Het bewijsaanbod van [geïntimeerde 1] c.s. wordt gepasseerd omdat zij hun verweer onvoldoende hebben gemotiveerd dan wel omdat dit aanbod niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Terugbetaling
6.21.
Gelet op de uitkomst van deze procedure zullen [geïntimeerde 1] c.s. worden veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] op grond van het vonnis waarvan beroep aan [geïntimeerde 1] c.s. heeft voldaan.
De proceskosten
6.22.
Het hof zal [geïntimeerde 1] c.s. als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de conventie in eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in conventie in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
  • Griffierecht € 314,00
  • Salaris advocaat € 2.612,00 (4 punten x tarief II € 653,00)
  • Nakosten €
Totaal € 3.115,00
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
  • Explootkosten € 137,46
  • Griffierechten € 349,00
  • Salaris advocaat € 1.935,00 (1,5 punt(en) x tarief II €1.290,00)
  • Nakosten
Totaal € 2.610,46

7.De beslissing

Het hof:
in conventie en in reconventie:
7.1.
vernietigt het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2024 en
opnieuw rechtdoende:
in conventie:
7.2.
wijst de vorderingen af;
in reconventie:
7.3.
veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. om binnen acht weken na het wijzen van dit arrest en op eerste verlangen van [appellant] medewerking te verlenen aan het oprichten van een ondoorzichtige scheidsmuur op de perceelsgrens in de voortuin van partijen van één meter hoog;
7.4.
bepaalt dat de kosten van de scheidsmuur (zie 7.2) bij helfte door partijen dienen te worden gedragen;
in conventie en in reconventie:
7.5.
veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van de eerste aanleg van € 3.115,00 en van het hoger beroep van € 2.610,46, te betalen na heden. Als [geïntimeerde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten [geïntimeerde 1] c.s. € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
7.6.
veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] op grond van het vonnis van 20 maart 2024 aan hen heeft voldaan;
7.7.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
7.8.
wijst af het door partijen over en weer meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt, en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.