Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het hoger beroep
- Met de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bedoeld: de eerste aflossing
- Met een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw moet op één lijn worden gesteld de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nulaanbod’ aan de schuldeisers.
- Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de Wsnp, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan
3.De beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026, behoudens voor zover daarin is beslist dat de termijn van de Wsnp aanvangt op 23 oktober 2025, vernietigt het vonnis in zoverre en beslist daarover opnieuw rechtdoende als volgt;
- stelt de aanvangsdatum van de termijn van de Wsnp op 5 februari 2025;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter verdere uitvoering van de Wsnp.