De rechtbank Rotterdam had de schuldsaneringsregeling (Wsnp) van appellant vastgesteld met ingang van 23 oktober 2025, omdat pas vanaf die datum controleerbaar was aangetoond dat appellant aan zijn sollicitatie-inspanningen had voldaan. Appellant stelde dat hij gedurende het gehele minnelijke traject had gezocht naar werk en overlegde aanvullende sollicitatiebewijzen vanaf 5 februari 2025.
Het hof overwoog dat de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing had verduidelijkt dat de eerste aflossing of de vaststelling van geen afloscapaciteit (nulaanbod) gelijkgesteld kan worden met het begin van de Wsnp-termijn, mits ook aan de inspanningsverplichting is voldaan. Het hof stelde vast dat appellant geen afloscapaciteit had en dat hij zich gedurende het minnelijke traject had ingezet, wat werd ondersteund door sollicitatiebewijzen en een brief van de schuldhulpverlener.
Hoewel appellant het nulaanbod op 11 april 2025 had gedaan, stelde het hof de ingangsdatum vast op 5 februari 2025, de datum waarop appellant aantoonbaar grote inzet toonde om werk te vinden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de ingangsdatum betrof en verwees de zaak terug voor verdere uitvoering van de Wsnp.