ECLI:NL:GHDHA:2026:429

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
200.364.357/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling eerdere ingangsdatum schuldsaneringsregeling na nulaanbod en sollicitatie-inspanningen

De rechtbank Rotterdam had de schuldsaneringsregeling (Wsnp) van appellant vastgesteld met ingang van 23 oktober 2025, omdat pas vanaf die datum controleerbaar was aangetoond dat appellant aan zijn sollicitatie-inspanningen had voldaan. Appellant stelde dat hij gedurende het gehele minnelijke traject had gezocht naar werk en overlegde aanvullende sollicitatiebewijzen vanaf 5 februari 2025.

Het hof overwoog dat de Hoge Raad in een prejudiciële beslissing had verduidelijkt dat de eerste aflossing of de vaststelling van geen afloscapaciteit (nulaanbod) gelijkgesteld kan worden met het begin van de Wsnp-termijn, mits ook aan de inspanningsverplichting is voldaan. Het hof stelde vast dat appellant geen afloscapaciteit had en dat hij zich gedurende het minnelijke traject had ingezet, wat werd ondersteund door sollicitatiebewijzen en een brief van de schuldhulpverlener.

Hoewel appellant het nulaanbod op 11 april 2025 had gedaan, stelde het hof de ingangsdatum vast op 5 februari 2025, de datum waarop appellant aantoonbaar grote inzet toonde om werk te vinden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de ingangsdatum betrof en verwees de zaak terug voor verdere uitvoering van de Wsnp.

Uitkomst: Het hof stelde de ingangsdatum van de Wsnp vast op 5 februari 2025 en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de ingangsdatum betrof.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.364.357/01
Insolventienummer rechtbank : C/10/26/1008 R
Arrest van 3 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. G. Grijs, kantoorhoudend in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026 is ten aanzien van [appellant] de schuldsaneringsregeling (hierna: de Wsnp) van toepassing verklaard, met als ingangsdatum 23 oktober 2025. [appellant] is het niet eens met deze ingangsdatum. Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 29 januari 2026, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van door [appellant] nader overgelegde producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – kort samengevat –geoordeeld dat [appellant] gedurende het aan de Wsnp voorafgaande schuldhulpverleningstraject, gelet op zijn inkomen, geen afloscapaciteit heeft gehad en dat om die reden terecht aan de schuldeisers een zogenoemd nulaanbod is gedaan. De in het nulaanbod opgenomen vaststelling dat geen afloscapaciteit aanwezig was, kan in beginsel worden gelijkgesteld met een eerste aflossing als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. Voor het bepalen van een eerdere ingangsdatum is echter niet alleen het moment van vaststelling dat geen afloscapaciteit bestond van belang, maar ook dat aan de inspanningsverplichting is voldaan. De rechtbank stelt vast dat hiervan pas sprake is vanaf het moment dat [appellant] zijn sollicitatie-inspanningen controleerbaar inzichtelijk heeft gemaakt. Gelet hierop kan de ingangsdatum van de Wsnp niet worden gesteld op de datum waarop het nulaanbod is gedaan, te weten 11 april 2025. De rechtbank stelt de ingangsdatum daarom vast op 23 oktober 2025, zijnde de eerste maand waarin [appellant] aantoonbaar en controleerbaar heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting door voldoende sollicitaties te overleggen.
2.2
[appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte als ingangsdatum 23 oktober 2025 heeft gehanteerd. Volgens [appellant] heeft hij gedurende het gehele minnelijke traject naar werk gezocht en heeft hij daar ook bewijzen van. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat hij per abuis slechts een deel van de beschikbare sollicitatiebewijzen aan de rechtbank heeft overgelegd. In hoger beroep heeft hij ook bewijsstukken van de door hem verrichte sollicitaties sinds 5 februari 2025 aan het hof overgelegd.
2.3
[appellant] is van mening dat – nu hij gelet op zijn inkomen geen afloscapaciteit heeft en hij tijdens het minnelijke traject heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien – de looptijd van de Wsnp met toepassing van artikel 349a lid 1 Fw op een eerder tijdstip dient aan te vangen. [appellant] verzoekt het hof dan ook het bestreden vonnis te vernietigen voor zover het de ingangsdatum betreft en de ingangsdatum vast te stellen op 5 februari 2025, zijnde de datum met ingang waarvan [appellant] grote inzet heeft getoond om aan een baan te komen.
2.4
Gelet op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling en de aan het hof overgelegde stukken is het hof van oordeel dat er aanleiding bestaat tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum. Daartoe overweegt het hof als volgt.
2.5
De Hoge Raad heeft in de prejudiciële beslissing van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) richting gegeven ten aanzien van de vraag in welke gevallen aanleiding kan bestaan om een eerder aanvangsmoment van de termijn van de Wsnp te bepalen dan de datum waarop de Wsnp wordt uitgesproken. De Hoge Raad heeft op de hem gestelde vragen, voor zover hier van belang, de volgende antwoorden gegeven (onderstrepingen hof):
  • Met de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bedoeld: de eerste aflossing
  • Met een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw moet op één lijn worden gesteld de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nulaanbod’ aan de schuldeisers.
  • Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de Wsnp, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan
2.6
Met de rechtbank stelt het hof vast dat [appellant] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject vanwege zijn inkomen, geen afloscapaciteit heeft gehad en dat om die reden aan de schuldeisers terecht een zogenoemd nulaanbod is gedaan. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] zich gedurende het minnelijk voortraject heeft gehouden aan de uit dat traject voortvloeiende inspanningsverplichting. Ten bewijze daarvan heeft [appellant] een groot aantal sollicitatiebewijzen overgelegd en een brief van schuldhulpverlener Geldplein Rotterdam van 29 januari 2026. Uit dit laatste blijkt dat [appellant] het gehele traject bereikbaar is geweest, zich heeft ingezet voor de schuldregeling, zijn afspraken is nagekomen en heeft toegewerkt naar een stabiele situatie. Gedurende het gehele traject heeft [appellant] gezocht naar werk. Inmiddels wordt hij daarbij ook ondersteund door de afdeling Werk & Inkomen van de Gemeente Rotterdam.
2.7
Gezien het voorgaande, zal het hof de ingangsdatum van de termijn van de schuldsaneringsregeling vaststellen op de datum waarop het nulaanbod aan de schuldeisers is gedaan. Nu uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat het nulaanbod is gedaan op 11 april 2025, en niet 5 februari 2025 zoals [appellant] in zijn beroepschrift vermeldt, zal het hof de aanvangsdatum van de termijn van de Wsnp bepalen op 11 april 2025 .
2.8
Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

3.De beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2026, behoudens voor zover daarin is beslist dat de termijn van de Wsnp aanvangt op 23 oktober 2025, vernietigt het vonnis in zoverre en beslist daarover opnieuw rechtdoende als volgt;
  • stelt de aanvangsdatum van de termijn van de Wsnp op 5 februari 2025;
  • verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter verdere uitvoering van de Wsnp.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, I. Brand en A.J. Swelheim en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.