Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:424

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/923 en BK-24/924
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 16 Wet WOZArt. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste WOZ-waardering en objectafbakening van twee onroerende zaken in hoger beroep

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag waarin de WOZ-waarden van twee onroerende zaken, gelegen aan een winkelcentrum en een industrieterrein, zijn vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarden bepaald met de huurwaardekapitalisatiemethode en onderbouwd met taxatierapporten en marktgegevens.

De rechtbank oordeelde dat de aanslagen en waarderingen niet te hoog waren vastgesteld en wees de beroepen ongegrond. Belanghebbende voerde onder meer aan dat de objectafbakening onjuist was, met name ten aanzien van de parkeerplaatsen, en dat de waardebepaling onvoldoende was onderbouwd.

Het Hof heeft het onderzoek deels heropend en uitgebreid bewijs en stukken van partijen bestudeerd. Het Hof concludeert dat de parkeerplaatsen functioneel en juridisch onderdeel uitmaken van de onroerende zaak en dat de taxatierapporten en marktgegevens voldoende aannemelijk maken dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. De stellingen van belanghebbende zijn onvoldoende onderbouwd en worden verworpen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarden van beide onroerende zaken worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/923 en BK-24/924

Uitspraak van 17 maart 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 oktober 2024, nummers SGR 23/4786 en SGR 23/4787.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet opgenomen beschikkingen op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] en [adres 2] te [woonplaats] (tezamen: de onroerende zaken) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op respectievelijk € 746.000 en € 275.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslagen in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelastingen en de rioolheffing van de gemeente Alphen aan den Rijn (de aanslagen).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 559. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 26 november 2024, 7 januari 2025, 13 mei 2025 en 11 juni 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 17 juni 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 19 juni 2025 een brief van belanghebbende ontvangen met het verzoek tot heropening van het onderzoek in beide zaken. Hetgeen belanghebbende aanvoert geeft het Hof echter geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek in de zaak BK-24/924 ( [adres 2] ) over te gaan. De brief wordt daarom in zoverre niet tot de gedingstukken gerekend en buiten beschouwing gelaten.
1.7.
Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek in de zaak BK-24/923 ( [adres 1] ) te heropenen. De heropening is beperkt tot een onderzoek naar deze onroerende zaak. Het Hof heeft de Heffingsambtenaar bij bericht van 24 juni 2025 vragen gesteld over deze onroerende zaak. De Heffingsambtenaar heeft in reactie hierop op 30 juni 2025 een stuk met bijlagen ingediend. Het Hof heeft dit stuk met bijlagen op 1 juli 2025 aan belanghebbende gezonden. Het Hof heeft van belanghebbende op 2 juli 2025 een brief ontvangen waaruit het Hof heeft afgeleid dat belanghebbende afziet van een schriftelijke inhoudelijke reactie op het bericht van de Heffingsambtenaar van 30 juni 2025 en dat hij een nieuwe mondelinge behandeling wenst. Het Hof heeft partijen hiervan bij bericht van 8 juli 2025 in kennis gesteld en partijen medegedeeld dat een nadere zitting zal worden ingepland.
1.8.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 16 juli 2025 (BK-24/923 en BK-24/924), 3 september 2025 (BK-24/923 en BK-24/924), 10 september 2025 (BK-24/923 en BK-24/924), 11 september 2025 (BK-24/923 en BK-24/924) en 12 september 2025 (BK-24/923 en BK-24/924). Voor zover deze stukken betrekking hebben op de zaak BK-24/924, worden deze (gelet op het onder 1.6 overwogene) niet tot de gedingstukken gerekend en buiten beschouwing gelaten.
1.9.
De tweede mondelinge behandeling van de zaak BK-24/923 heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 oktober 2025. Beide partijen hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid gesteld alsnog door hem ter zitting genoemde stukken in het geding te brengen.
1.10.
Belanghebbende heeft de in 1.9 bedoelde stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 31 oktober 2025. De Heffingsambtenaar heeft, daartoe uitgenodigd, in reactie hierop een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 6 november 2025. Belanghebbende heeft het Hof bij bericht van 14 november 2025 te kennen gegeven prijs te stellen op een nadere mondelinge behandeling. Het Hof heeft partijen bij bericht van 17 november 2025 medegedeeld dat een nadere zitting zal worden ingepland. Belanghebbende heeft vervolgens nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 13 januari 2026 (BK-24/923 en BK-24/924), 14 januari 2026 (BK-24/923 en BK-24/924), 16 januari 2026 (BK-24/923 en BK-24/924) en 19 januari 2026 (BK-24/923). Voor zover deze stukken betrekking hebben op de zaak BK-24/924, worden deze (gelet op het onder 1.6 overwogene) niet tot de gedingstukken gerekend en buiten beschouwing gelaten.
1.11.
De derde mondelinge behandeling van de zaak BK-24/923 heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 februari 2026. Beide partijen hebben deelgenomen aan de zitting via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaken. De onroerende zaak [adres 1] betreft een in het woonwinkelcentrum [naam 1] gelegen winkel/verkoopruimte met een oppervlakte van 1.092 m2. De onroerende zaak [adres 2] betreft een op het industrieterrein [naam 2] gelegen bedrijfsunit, bestaande uit een opslag/magazijn, een atelier/kantoor en een entresol, met een totale oppervlakte van 1.063 m2.
[adres 1]
2.2.1.
De Heffingsambtenaar heeft voor de onroerende zaak [adres 1] een taxatierapport overgelegd. Hierin is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. In het taxatieverslag is de waarde van de onroerende zaak voor het onderhavige belastingjaar getaxeerd op € 875.000. Het taxatierapport bevat onder meer een opbouw van de getaxeerde waarde, matrices met huur- en verkooptransacties die als referenties dienen, een ‘Rekenblad kapitalisatiefactor getaxeerd object (bottom-up)’ en ‘Rekenbladen analyse verkooptransacties’.
2.2.2.
In het taxatierapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
Objectonderdeel
Laag
VVO (m2)
stuks
per m²/stuk
Markthuurwaarde
BKF k.k.
Waarde
Winkelruimte
1
1.092
€ 85
€ 92.820
9,2
€ 853.944
Parkeerplaatsen
2
7
€ 340
€ 2.380
9,2
€ 21.896
Totalen
1.092
7
€ 95.200
€ 875.840
Marktwaarde (afgerond)
€ 875.000
(…)
1.1 -
MATRIX REFERENTIE HUURTRANSACTIES
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Markthuur-waarde
Markthuurwaarde/m2
Getaxeerd object
[adres 1] [woonplaats]
Winkel
2009
1.092
€ 95.200
€ 87/m2
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Bruto huurprijs
Datum Transactie
Gerealiseerde prijs/m2
Referentieobject 1
[adres 3]
[woonplaats]
(inclusief 6 parkeerplaatsen)
Winkel
2009
740 m²
€ 72.000
01-06-2022
(nieuwe huur)
€ 97/m2
Referentieobject 2
[adres 4]
[woonplaats]
Winkel
1993
587 m²
€ 58.711
01-10-2021
(herziene huur)
€ 100/m2
Referentieobject 3
[adres 5]
[woonplaats]
Winkel
1994
409 m²
€ 39.000
01-04-2023
(nieuwe huur)
€ 95/m2
(…)
1.2 -
MATRIX REFERENTIE VERKOOPTRANSACTIES
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
BKF k.k.
Getaxeerd object
[adres 1] [woonplaats]
Winkel
2009
1.092 m2
9,2
Object
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Gerealiseerde transactie
Datum transactie
BKF k.k.
Referentieobject 1
[adres 6]
[woonplaats]
Winkel
1963, 2000
1.215 m2
€ 1.200.000
16-03-2022
Verhuurd
11,8
(na correctie)
Referentieobject 2
[adres 7] [woonplaats]
Winkel
2009
443 m2
€ 689.000
17-08-2020
Leeg
11,4
Referentieobject 3
[adres 8]
[woonplaats]
Winkel
1961, 2004
1.378m2
€ 1.250.000
18-06-2020
Leeg
10,9
(…)
1.3 –
TOELICHTING
Toelichting getaxeerde huurwaarde
Bandbreedte:
Bandbreedte referentieobjecten € 95 – € 100/m2
Gehanteerd:
€ 87/m2
Toelichting:
Referentieobject 1 is het best vergelijkbaar, deze winkel is tevens gelegen binnen het overdekt winkelcentrum [naam 1] . Het referentieobject is echter kleiner, derhalve is de huurwaarde lager berekend. De getaxeerde huurwaarde ligt onder de werkelijk betaalde huurprijs.
Referentieobjecten 2 en 3 bevinden zich in directe nabijheid, maar zijn aanzienlijk kleiner van formaat en niet overdekt. Huurprijzen liggen hiermee in lijn.
Toelichting getaxeerde BKF k.k.
Bandbreedte:
Bandbreedte referentieobjecten BKF k.k. 10,9 – 11,8
Gehanteerd:
BKF k.k. 9,2
Toelichting:
Referentieobjecten 1 en 3 zijn het best vergelijkbaar, echter betreft dit vrijstaande winkelpanden/toonzalen. De alternatieve aanwendbaarheid is hier groter, de panden zijn echter wel veel ouder. Getaxeerd object bevindt zicht op de verdieping van een modern winkelcentrum. Gehanteerde BKF is voldoende te onderbouwen op basis van genoemde referentiepanden. NAR van getaxeerd object bedraagt 7,10% waar alle referentiepanden zich binnen een bandbreedte tussen de 6,08 % en 6,73 % bevinden.
2.2.3.
De Heffingsambtenaar heeft na heropening van het onderzoek (zie 1.7) op 30 juni 2025 in antwoord op vragen van het Hof de volgende stukken ten aanzien van de onroerende zaak [adres 1] ingebracht:
  • een kopie van de koopakte van 6 augustus 2013, waarbij onder meer het bedrijfspand met parkeerplaatsen [adres 1] is verkocht aan de huidige eigenaars;
  • een huurnota gericht aan [naam 3] , gedateerd 1 mei 2023, ten aanzien van [adres 1] .
2.2.4.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van het tijdens de tweede mondelinge behandeling verhandelde op 31 oktober 2025, met toestemming van het Hof, de volgende stukken ten aanzien van de onroerende zaak [adres 1] ingebracht (zie 1.10):
  • de huurovereenkomst per 1 november 2014 met als expiratiedatum 30 juni 2023;
  • de Eerste Allonge behorend bij de huurovereenkomst per 1 november 2014 (de allonge);
  • een Meerjaren Onderhoudsplan van [naam 4] van de VvE [naam 1] , en
  • de huurovereenkomst per 1 april 2025 met als expiratiedatum 31 maart 2035.
[adres 2]
2.3.1.
De Heffingsambtenaar heeft ook voor de onroerende zaak [adres 2] een taxatierapport overgelegd. Hierin is de waarde van de onroerende zaak bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. In het taxatieverslag is de waarde van de onroerende zaak voor het onderhavige belastingjaar getaxeerd op € 409.000. Het taxatierapport bevat onder meer een opbouw van de getaxeerde waarde, matrices met huur- en verkooptransacties die als referenties dienen, een ‘Rekenblad kapitalisatiefactor getaxeerd object (bottom-up)’ en ‘Rekenbladen analyse verkooptransacties’.
2.3.2.
In het taxatierapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
Objectonderdeel
Bouw-laag
VVO (m2)
per m²/stuk
Markthuurwaarde
BKF k.k.
Waarde
Opslag/magazijn
516
€ 44
€ 22.704
13,8
€ 313.315
Atelier/kantoor
62
€ 44
€ 2.728
13,8
€ 37.646
Entresol
1
485
€ 8,80
€ 4.268
13,8
€ 58.898
Totalen
1.063
€ 29.700
€ 409.859
Marktwaarde (afgerond)
€ 409.000
(…)
1.1 -
MATRIX REFERENTIE HUURTRANSACTIES
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Markthuur-waarde
Markthuur-waarde/m2
Getaxeerd object
[adres 2]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1977
578/1.063 m2
€ 29.700
€ 51/m2/
€ 27/m2
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Bruto huurprijs
Datum Transactie
Gerealiseerde prijs/m2
Referentieobject 1
Eigen huurcijfer
Opslag/
Magazijn
1977
578/1.063 m2
€ 30.000
01-06-2020
(nieuwe huur)
€ 51/m2/
€ 28/m2
Referentieobject 2
[adres 9]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1975
788 m²
€ 53.600
01-02-2021
(nieuwe huur)
€ 68/m2
Referentieobject 3
[adres 10]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1977
450/550 m2
€ 32.500
14-06-2021
(nieuwe huur)
€ 72/m2/
€ 59/m2
(…)
1.2 -
MATRIX REFERENTIE VERKOOPTRANSACTIES
Object
Adres
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
BKF k.k.
Getaxeerd object
[adres 2]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1977
578/1.063 m2
13,8
Object
SOC
Bouw-jaar
VVO (m2)
Gereali-seerde transactie
Datum transactie
BKF k.k.
Referentieobject 1
[adres 11]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1977
565 m2
€ 490.000
11-11-2022
Verhuurd
14,7 (na correctie)
Referentieobject 2
[adres 12]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1977
750 m2
€ 650.000
2-6-2022
Leeg
15,4
Referentieobject 3
[adres 13]
[woonplaats]
Opslag/
magazijn
1961, 2004
1.301m2
€ 775.000
29-06-2021
Aan zittende huurder
11,4 (na correctie)
(…)
1.3 –
TOELICHTING
Toelichting getaxeerde huurwaarde
Bandbreedte:
Bandbreedte referentieobjecten € 51 – € 72/m2
Gehanteerd:
€ 51/m2
Toelichting:
Voor wat betreft de huurwaarde is aansluiting gezocht bij het eigen huurcijfer. Dit
betreft een nieuwe huur welke circa 1,5 jaar voor WPD overeengekomen is.
Daarnaast zijn de overige 2 referentieobjecten hoogwaardiger uitgevoerd. De
bijbehorende huurcijfers liggen daarmee in lijn.
Toelichting getaxeerde BKF k.k.
Bandbreedte:
Bandbreedte referentieobjecten BKF k.k. 11,4 – 15,4
Gehanteerd:
BKF k.k. 13,8
Toelichting:
Referentieobjecten 1 en 2 bevinden zich in hetzelfde complex, echter beschikken
beiden niet over een entresolvloer. De metrage zonder deze entresolvloer is
echter wel ongeveer gelijk aan beide referentieobjecten. Referentieobject 3 is
tevens nabij gelegen, echter aanzienlijk groter. Gekozen is voor het gemiddelde
van de 3, hiermee ligt de gehanteerde BKF in lijn.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Formele beroepsgronden
4. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt ter zitting dat verweerder ter zake van de aanslagen rioolheffing nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Eiseres heeft in het bezwaarschrift slechts volstaan met algemene bezwaargronden. Verweerder is in de onderhavige uitspraak op bezwaar volledig op deze gronden ingegaan. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze uitspraak ook op de aanslagen rioolheffing betrekking heeft. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de onderhavige uitspraak ook op de aanslagen rioolheffing ziet. Overigens heeft eiseres zowel in bezwaar als in beroep geen inhoudelijke gronden tegen de aanslagen rioolheffing aangevoerd.
5. Eiseres heeft in haar brieven van 22 juli 2024 en 29 augustus 2024 gevraagd of de rechtbank de (andere) eigenaar c.q. huurder(s) en/of gebruikers als derde-belanghebbende heeft opgeroepen voor de zitting. De rechtbank heeft deze niet in het geschil betrokken. De rechtbank heeft daartoe geen verzoek ontvangen en evenmin aanleiding gezien om hen ambtshalve in de procedure te betrekken.
6. Ook de stelling van eiseres dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, volgt de rechtbank niet. Aan de grief van eiseres dat de grondstaffels niet zijn overgelegd, gaat de rechtbank voorbij, omdat verweerder bij de waardering van de onroerende zaken geen grondstaffels heeft gebruikt. Ook aan de grief van eiseres ter zitting dat verweerder geen onderbouwing van de kapitalisatiefactoren heeft overgelegd, gaat de rechtbank voorbij. Verweerder heeft namelijk ter zitting verklaard dat hij de rekenbladen van de kapitalisatiefactoren voor de hoorzitting bij de tot de gedingstukken behorende e-mailbericht van 24 april 2023 aan eiseres heeft verstrekt. Daarnaast heeft verweerder ook de kapitalisatiefactoren in de uitspraak op bezwaar nader toegelicht. Uit de gedingstukken blijkt verder dat verweerder in de bezwaarfase de taxatieverslagen alsmede in de uitspraak op bezwaar een onderbouwing van de huurcijfers heeft verstrekt. Eiseres heeft in de bezwaarfase verder ook niet verzocht om de geanonimiseerde huurovereenkomsten alsmede de obligatoire verkoopovereenkomsten van de vergelijkingsobjecten te verstrekken. Pas in beroep heeft zij daar om verzocht. Nu artikel 40 van Pro de Wet WOZ er toe strekt een eventuele informatieachterstand van een belanghebbende weg te nemen opdat een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze kan worden benut en onnodige procedures kunnen worden voorkomen en eiseres in de bezwaarfase na ontvangst van voormelde stukken niet heeft aangevoerd dat zij nog steeds bepaalde gegevens mist, mag worden aangenomen dat zij andere gegevens niet (meer) nodig had om de vastgestelde WOZ-waarden te controleren.[1] De overige door eiseres genoemde stukken, waaronder een up-to-date leegstand- annex marktanalyse, gegevens uit het kadaster en gegevens over de waardering van de onroerende zaken in eerdere- en latere jaren - zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken.
WOZ-waarden
7. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarden van de onroerende zaken niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld. De beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt mede af van wat eiseres heeft aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de waarden van de onroerende zaken met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode dienen te worden bepaald. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden twee taxatierapporten met dagtekening 26 augustus 2024 overgelegd, waarin zijn taxateurs [naam 5] en [naam 6] [adres 1] op € 875.000 hebben gewaardeerd en [adres 2] op € 409.000.
8. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de taxatierapporten niet door een onafhankelijke taxateur zijn opgemaakt. Voor zover eiseres hiermee heeft bedoeld te stellen dat de taxatierapporten buiten beschouwing dienen te worden gelaten, faalt dit. Er bestaat immers geen rechtsregel die verweerder verplicht om bij het vaststellen van de WOZ-waarde van een onroerende zaak een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Het staat verweerder - net als eiseres - vrij om zijn standpunten ten aanzien van de waarde te onderbouwen met een rapport van een partij-deskundige naar zijn keuze. Daarnaast is ook niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van een taxatie die is uitgevoerd door iemand die daartoe niet de bevoegdheid bezit of die onvoldoende capabel is. De rechtbank heeft in dit geval dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat de taxaties op objectieve wijze door deskundige taxateurs zijn verricht.
[adres 1]
9. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat [adres 1] , anders dan in het taxatieverslag en het taxatierapport staat, niet over zeven parkeerplaatsen beschikt en dat sprake is van een onjuiste objectafbakening. Door deze nieuwe beroepsgrond pas eerst ter zitting aan te voeren, heeft verweerde zich niet op deze beroepsgrond kunnen voorbereiden en ter zitting niet adequaat op deze beroepsgrond kunnen reageren, zo hij ook ter zitting te kennen gaf. Eiseres heeft niet verduidelijkt waarom zij deze beroepsgrond niet eerder in het geding kon brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het algemeen belang van een doelmatige procesgang met zich brengt dat deze beroepsgrond van eiseres als tardief dient te worden gepasseerd. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van verweerder ter zitting dat sprake is van een juiste objectafbakening.
10. De rechtbank acht, anders dan eiseres ter zitting heeft gesteld, de in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met [adres 1] . De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten qua aard, bestemming en gebruiksmogelijkheden voldoende met [adres 1] vergelijkbaar om de gerealiseerde huur- en verkoopprijzen te kunnen hanteren bij de waardebepaling van [adres 1] . Dat een aantal van de vergelijkingsobjecten kleiner zijn en een ouder bouwjaar hebben, maakt dit niet anders.
11. Met het taxatierapport en hetgeen verweerder verder heeft aangevoerd, heeft hij aannemelijk gemaakt dat de waarde van [adres 1] niet te hoog is vastgesteld. In het taxatierapport staat vermeld dat per 1 januari 2023 de huur van [adres 1] € 97.880 bedraagt en dat is uitgegaan van een totale huurwaarde van € 95.200 (€ 87 per m²), uitgaande van huurwaarden van € 85 per m² voor de winkelruimte van 1.092 m² en € 340 voor zeven inpandige parkeerplaatsen. Deze getaxeerde huurwaarde per m² van [adres 1] ligt onder de huurwaardes per m² van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten. Bovendien ligt de totale huurwaarde waarmee de WOZ-waarde daadwerkelijk is berekend nog lager, namelijk € 81.144 (€ 74 per m²). Verweerder heeft dan ook voldoende onderbouwd dat de huurwaarde waarvan verweerder is uitgegaan niet te hoog is. Met betrekking tot de gehanteerde kapitalisatiefactor (9,2) geldt dat deze lager ligt dan de kapitalisatiefactoren die voortvloeien uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft verder met de in het taxatierapport opgenomen bottom-up berekening en zijn toelichting ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat met 8,1% voldoende rekening is gehouden met het leegstandsrisico van [adres 1] . Gelet op het voorgaande is de waarde van [adres 1] niet te hoog vastgesteld.
12. Wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft met haar enkele verwijzing ter zitting naar een verklaring van de eigenaar dat [adres 1] een doorstroomlocatie van meubelen betreft en dat sprake is van beperkt gebruik, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de huurwaarde van [adres 1] te hoog is vastgesteld. Het is bovendien niet zozeer relevant hoe de onroerende zaak wordt gebruikt of wat het huidige verkoopconcept is van eiseres, maar welke gebruiksmogelijkheden een onroerende zaak voor een potentiële koper en/of huurder heeft. Dat [adres 1] niet kan worden gebruikt als winkel of showroom is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook met de enkele stelling van eiseres ter zitting dat het interieur en exterieur van het pand sinds 1978 niet is gewijzigd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de huurwaarde van [adres 1] te hoog heeft vastgesteld. De stelling van eiseres ter zitting dat in 2015 de waarde van het pand € 195.000 bedroeg, faalt eveneens. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum hebben voorgedaan, met voorbijgaan aan de waarde die bij een eerdere waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. Dit betekent dat de waarde zoals vastgesteld voor een eerder belastingjaar niet maatgevend is voor de waardevaststelling ten behoeve van het onderhavige belastingjaar. Verder heeft eiseres in haar stukken slechts volstaan met algemene stellingen waarvan niet duidelijk is of ze op de zaak betrekking hebben en het enkel stellen dat recht bestaat op een coronakorting en een hoger leegstandsrisico en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de Derde Wereldoorlog in Europa, acht de rechtbank eveneens onvoldoende om te kunnen concluderen dat verweerder de woz-waarde te hoog heeft vastgesteld.
[adres 2]
13. Met het taxatierapport en hetgeen verweerder verder heeft aangevoerd, heeft hij ook aannemelijk gemaakt dat de waarde van [adres 2] niet te hoog is vastgesteld. In het taxatierapport staat vermeld dat per 1 juni 2022 de huur van [adres 2] € 31.690 bedraagt en dat is uitgegaan van een totale huurwaarde van € 29.700, uitgaande van huurwaarden van € 44 per m² voor opslag/magazijn van 578 m² en € 8,80 voor een entresol van 485 m². Deze getaxeerde huurwaarde per m² van [adres 2] (578 m²: € 51 per m² en 1.063 m²: € 28 per m²), ligt ruim onder de huurwaardes per m² van de twee in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten. Bovendien ligt de totale huurwaarde waarmee de WOZ-waarde daadwerkelijk is berekend nog lager, namelijk € 27.000 (578 m²: € 47 per m² en 1.063 m²: € 25 per m²). Verweerder heeft dan ook voldoende onderbouwd dat de huurwaarde waarvan verweerder is uitgegaan niet te hoog is. Met betrekking tot de gehanteerde kapitalisatiefactor (13,8) geldt dat deze binnen de bandbreedte ligt van de kapitalisatiefactoren die voortvloeien uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten (11,4, 14,7 en 15,4). Verweerder heeft verder met de in het taxatierapport opgenomen bottom-up berekening en zijn toelichting ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat met 7,1% voldoende rekening is gehouden met het leegstandsrisico van [adres 2] . Gelet op het voorgaande is de waarde van [adres 2] niet te hoog vastgesteld.
14. Wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van eiseres ter zitting dat in het taxatierapport ten onrechte staat vermeld dat het pand over drie tot vier eigen parkeerplaatsen beschikt, faalt. Uit de foto’s in het taxatierapport valt op te maken dat voor het pand kan worden geparkeerd. Uit de gedingstukken blijkt verder dat verweerder bij de waardering van het pand geen waarde aan de voor het pand gelegen parkeerplaatsen heeft toegekend. Verder heeft eiseres in haar stukken slechts volstaan met algemene stellingen waarvan niet duidelijk is of ze op de zaak betrekking hebben en het enkel stellen dat recht bestaat op een coronakorting en een hoger leegstandsrisico en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de Derde Wereldoorlog in Europa, acht de rechtbank eveneens onvoldoende om te kunnen concluderen dat verweerder de woz-waarde te hoog heeft vastgesteld.
Conclusie
15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
Immateriële schade
16. De verzoeken van eiseres om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wijst de rechtbank af. Het bezwaar is op 16 maart 2023 door verweerder ontvangen, zodat de redelijke termijn van twee jaar ten tijde van deze uitspraak niet is overschreden.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] vgl. Hoge Raad 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:290

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de onroerende zaken te hoog is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens ten aanzien van de beslissing omtrent de afwijzing van de verzoeken om vergoeding van immateriële schade, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, primair tot vernietiging van de beschikkingen en de aanslagen en subsidiair tot vermindering van de waarde van elk van de onroerende zaken met (minimaal) 25%, en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Vooraf
5.1.
Bij de beoordeling van het geschil dient te worden vooropgesteld dat (de gemachtigde van) belanghebbende op 11 juni 2025 een nader stuk heeft ingediend waarin de concrete gronden tegen de uitspraak van de Rechtbank zijn vermeld (de tienpuntenbrief). Ter zitting van 17 juni 2025 is komen vast te staan dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de in de tienpuntenbrief vermelde gronden. Aan (de gemachtigde van) belanghebbende is medegedeeld dat hetgeen voor het overige in de gedingstukken is aangevoerd niet in de beoordeling wordt betrokken.
5.2.
Belanghebbende heeft zich erover beklaagd dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de eigenaar van de onroerende zaken op te roepen. Ingevolge artikel 8:26, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting onder meer op verzoek van een partij belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Daargelaten het feit dat belanghebbende lagere waarden bepleit en dat niet op voorhand duidelijk is dat dit strijdt met de belangen van de eigenaar, heeft belanghebbende niet toegelicht hoe de Rechtbank het belang van de eigenaar heeft geschonden door deze niet in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Opmerking verdient dat een derde die als partij wordt toegelaten tot het geding, geen invloed heeft op de grenzen van het geschil. Ook overigens heeft belanghebbende niet duidelijk gemaakt welke gevolgen het Hof aan haar klacht, indien deze gegrond zou zijn, dient te verbinden. Het Hof gaat hieraan derhalve voorbij.
Algemeen ten aanzien van de waardebepaling
5.3.1.
De waarde van de onroerende zaak wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
5.3.2.
De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaken niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De vraag of de Heffingsambtenaar in het leveren van het van hem verlangde bewijs is geslaagd, moet mede worden beoordeeld in het licht van hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht.
5.3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huurwaardekapitalisatiemethode een geschikte methode is ter bepaling van de waarde van de onroerende zaken. Het Hof sluit zich aan bij dit, naar zijn oordeel juiste, gezamenlijke standpunt van partijen.
Objectafbakening van de onroerende zaak [adres 1]
5.4.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat de objectafbakening van de onroerende zaak [adres 1] onjuist is omdat ten onrechte zeven parkeerplaatsen bij het object zijn betrokken. De beoordeling van de objectafbakening spitst zich toe op de vraag of de parkeerplaatsen en de winkelruimte een samenstel vormen in de zin van artikel 16, lid 1, letter d, Wet WOZ. Hierbij is van belang of de eigendommen bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.
5.4.2.
In het taxatierapport (zie 2.2) staat vermeld dat de onroerende zaak [adres 1] bestaat uit een winkelruimte op bouwlaag 1 en zeven parkeerplaatsen gelegen op bouwlaag 2. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat de zeven parkeerplaatsen zijn gelegen in de inpandige parkeergarage die bestemd is voor de winkeliers, dat alle huurders een aantal parkeerplaatsen huren en dat de zeven in aanmerking genomen parkeerplaatsen daadwerkelijk bij de onroerende zaak [adres 1] horen. Belanghebbende heeft dit ter zitting ongemotiveerd betwist en gesteld dat de zeven parkeerplaatsen voor het publiek toegankelijk zijn en niet specifiek bij de onroerende zaak behoren.
5.4.3.
De Heffingsambtenaar heeft na heropening van het onderzoek, in reactie op de vragen van het Hof (zie 1.7), een kopie van de koopakte overgelegd, waaruit blijkt dat in 2013 aan de huidige eigenaars onder meer zijn verkocht de onderappartementsrechten met betrekking tot de commerciële ruimte gelegen op de eerste verdieping, alsmede het onderappartementsrecht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van negenenveertig parkeerplaatsen voor de commerciële ruimten, gelegen op de tweede verdieping van het woon-winkelcomplex aan de [straat] . Tevens heeft de Heffingsambtenaar een aan [naam 3] gerichte huurnota met datum 1 mei 2023 overgelegd. De huurnota heeft betrekking op [adres 1] en meer specifiek de “winkelunit” van 1.092 m2, alsmede “7 parkeerplaatsen in de mandelige winkeliers parkeergarage”.
5.4.4.
Uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde stukken volgt dat de winkelruimte en de zeven parkeerplaatsen afzonderlijke eigendommen zijn die dezelfde eigenaar hebben en bij dezelfde belastingplichtige (belanghebbende) in gebruik zijn. Uit de stukken blijkt immers dat belanghebbende zowel de commerciële ruimte [adres 1] als de zeven parkeerplaatsen huurt, die zijn bestemd voor medewerkers van de commerciële ruimte. Dit laatste heeft de Heffingsambtenaar ter zitting van 17 juni 2025 ook geloofwaardig en inzichtelijk verklaard en de gemachtigde van belanghebbende heeft dit steeds uitsluitend bloot betwist, ondanks dat er ruimschoots – gezien het aantal mondelinge behandelingen van de zaak dat heeft plaatsgevonden waar dit specifiek aan de orde is gekomen – gelegenheid is geweest deze stellingname, tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting daarvan door de Heffingsambtenaar, nader met stukken te ondersteunen. Gelet op het functionele verband tussen de parkeerplaatsen en de winkelruimte, namelijk dat de parkeerplaatsen bestemd zijn voor en in gebruik zijn bij medewerkers van de commerciële unit, vormen de objecten naar het oordeel van het Hof een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, Wet WOZ. De objectafbakening is derhalve juist.
5.4.5.
De door belanghebbende overgelegde stukken (zie 1.9 en 1.10) leiden niet tot een ander oordeel. De huurovereenkomst met looptijd van 1 november 2014 tot en met 30 juni 2023, door middel van de allonge verlengd tot en met 31 maart 2025, omschrijft het verhuurde als “de winkelruimte van circa 1.092 m2 B.V.O. alsmede 7 parkeerplaatsen”. In de allonge is hierop geen wijziging aangebracht. Ook het overgelegde onderhoudsplan werpt geen ander licht op deze kwestie. De huurovereenkomst met ingangsdatum 1 april 2025 (die verwijst naar de huur van zes parkeerplaatsen) is voor het onderhavige geschil niet van belang, nu dit geschil waardepeildatum 1 januari 2022 betreft. Dat de aanslag niet specificeert welke specifieke parkeerplaatsen in de heffing worden betrokken is gelet op het feit dat alle parkeerplaatsen in dezelfde parkeergarage zijn gelegen en sprake is van opvolgende appartementsindices niet van belang.
Waarde van de onroerende zaak [adres 1]
5.5.1.
De Heffingsambtenaar heeft de door hem verdedigde waarde van de onroerende zaak [adres 1] in het taxatierapport onderbouwd met door hem overgelegde marktgegevens (verhuur- en verkooptransacties). De vergelijkingsobjecten zijn alle in [woonplaats] gelegen, hebben een met de onroerende zaak vergelijkbare ligging en zijn ook overigens goed vergelijkbaar met de onroerende zaak.
5.5.2.
Voor de bepaling van de huurwaarde heeft de Heffingsambtenaar drie verhuurtransacties tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft de Heffingsambtenaar de huurwaarde (per m² dan wel per stuk) bepaald voor de afzonderlijke onderdelen van de onroerende zaak (de winkelruimte en de parkeerplaatsen). De getaxeerde huurwaarde per m² van [adres 1] is lager dan de huurwaardes per m² van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.5.3.
Voor de bepaling van de kapitalisatiefactor heeft de Heffingsambtenaar drie verkooptransacties tot uitgangspunt genomen. De gehanteerde kapitalisatiefactor (9,2) is lager dan de kapitalisatiefactoren die voortvloeien uit de verkoopprijzen van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.5.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak [adres 1] per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld.
5.5.5.
Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. Belanghebbende heeft gesteld dat een adequate en inzichtelijke (alsmede te verifiëren) onderbouwing van de vastgestelde waarde van de onroerende zaak [adres 1] , alsmede de door hem verzochte bottom-up berekening en rekenblad kapitalisatiefactor ontbreken. Deze stelling mist feitelijke grondslag gelet op het overgelegde taxatierapport en het Rekenblad kapitalisatiefactor getaxeerd object (bottom-up).
5.5.6.
Belanghebbende heeft gesteld dat de ligging van de onroerende zaak gekwalificeerd dient te worden als een zogenoemde C1-locatie. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar ter zitting toegelicht dat de locatie bij objecten als het onderhavige niet als factor bij de waardering wordt gebruikt, maar dat wordt en is uitgegaan van vergelijkingsobjecten die in de directe nabijheid zijn gelegen, en dat de locatie dus geen invloed heeft op de waardering. Belanghebbendes stelling faalt derhalve.
5.5.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar de huurovereenkomst en de HIF-formulieren ter zake van de onroerende zaak [adres 1] had moeten overleggen. Belanghebbende heeft echter niet toegelicht in hoeverre deze gegevens van belang zijn voor de waardebepaling. Daarbij komt dat de HIF-formulieren van de vergelijkingsobjecten zijn opgenomen in het taxatierapport en de Heffingsambtenaar belanghebbende voor de onroerende zaak [adres 1] heeft verzocht om overlegging van de huurovereenkomst, hetgeen belanghebbende, tot de zitting van 30 oktober 2025, heeft geweigerd.
5.5.8.
De klachten van belanghebbende over de onderbouwing van de primaire grondprijs en de gebruikte trendwaarde in verband met het indexeringspercentage treffen geen doel, reeds omdat deze factoren bij de waardering geen rol hebben gespeeld.
5.5.9.
Ten aanzien van de klacht dat geen recent en onafhankelijk taxatierapport is opgemaakt, dan wel overgelegd, geldt dat het de Heffingsambtenaar vrij staat de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken op de door hem gekozen wijze en dat ten aanzien daarvan geen vormvoorschriften gelden. De Heffingsambtenaar heeft met de door hem overgelegde taxatierapporten en de daarop gegeven toelichting de waarde van de onroerende zaak aannemelijk gemaakt.
Objectafbakening van de onroerende zaak [adres 2]
5.6.
Belanghebbende heeft voor het eerst ter zitting van het Hof van 17 juni 2025 gesteld dat de objectafbakening van de onroerende zaak [adres 2] onjuist is omdat ten onrechte diverse parkeerplaatsen bij het object zijn betrokken. In het taxatierapport staat vermeld dat zich voor de deur van het object circa drie à vier eigen parkeerplaatsen bevinden. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting aan de hand van luchtfoto’s en een kadastrale kaart, opgenomen in het taxatierapport, inzichtelijk gemaakt dat op het (kadastrale) perceel van de onroerende zaak, vóór het pand, enkele eigen parkeerplaatsen zijn gelegen. Naar het oordeel van het Hof is sprake van één gebouwd eigendom met aanhorigheden en is de objectafbakening derhalve juist. Overigens is slechts de (oppervlakte van de) bedrijfsruimte in de waardering van het object betrokken en komen de parkeerplaatsen hierin niet (afzonderlijk) tot uitdrukking.
Waarde van de onroerende zaak [adres 2]
5.7.1.
De Heffingsambtenaar heeft de door hem verdedigde waarde van de onroerende zaak [adres 2] in het taxatierapport onderbouwd met door hem overgelegde marktgegevens (verhuur- en verkooptransacties). De vergelijkingsobjecten zijn alle in [woonplaats] gelegen, hebben een met de onroerende zaak vergelijkbare ligging en zijn ook overigens goed vergelijkbaar met de onroerende zaak.
5.7.2.
Voor de bepaling van de huurwaarde heeft de Heffingsambtenaar twee verhuurtransacties tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft de Heffingsambtenaar de huurwaarde (per m²) bepaald voor de afzonderlijke onderdelen van de onroerende zaak (opslag/magazijn, aterlier/kantoor en entresol). Hierbij is voor de waardering van de entresol uitgegaan van een waarde van 20% van die van het hoofdobject. De getaxeerde huurwaarde per m² van [adres 2] is lager dan de huurwaardes per m² van de twee in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.7.3.
Voor de bepaling van de kapitalisatiefactor heeft de Heffingsambtenaar drie verkooptransacties tot uitgangspunt genomen. De gehanteerde kapitalisatiefactor (13,8) ligt binnen de bandbreedte van de kapitalisatiefactoren die voortvloeien uit de verkoopprijzen van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.7.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak [adres 2] per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld.
5.7.5.
Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. Verwezen wordt naar 5.5.5 en 5.5.7 tot en met 5.5.9. Hetgeen hierin is overwogen, geldt mutatis mutandis eveneens voor de onroerende zaak [adres 2] . De stelling van belanghebbende dat de ligging van onroerende zaak gekwalificeerd dient te worden als een zogenoemde C1-locatie is niet onderbouwd. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar ter zitting onweersproken gesteld dat dit een opslag/bedrijfsunit betreft, waarvoor een dergelijke indeling niet geldt. Het Hof gaat daarom aan deze stelling voorbij.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
Griffier, Voorzitter,
E.J. Nederveen R.A. Bosman
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.