5.2.Belanghebbende heeft zich erover beklaagd dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de eigenaar van de onroerende zaken op te roepen. Ingevolge artikel 8:26, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting onder meer op verzoek van een partij belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Daargelaten het feit dat belanghebbende lagere waarden bepleit en dat niet op voorhand duidelijk is dat dit strijdt met de belangen van de eigenaar, heeft belanghebbende niet toegelicht hoe de Rechtbank het belang van de eigenaar heeft geschonden door deze niet in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Opmerking verdient dat een derde die als partij wordt toegelaten tot het geding, geen invloed heeft op de grenzen van het geschil. Ook overigens heeft belanghebbende niet duidelijk gemaakt welke gevolgen het Hof aan haar klacht, indien deze gegrond zou zijn, dient te verbinden. Het Hof gaat hieraan derhalve voorbij.
Algemeen ten aanzien van de waardebepaling
5.3.1.De waarde van de onroerende zaak wordt ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43-44).
5.3.2.De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaken niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De vraag of de Heffingsambtenaar in het leveren van het van hem verlangde bewijs is geslaagd, moet mede worden beoordeeld in het licht van hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht.
5.3.3.Tussen partijen is niet in geschil dat de huurwaardekapitalisatiemethode een geschikte methode is ter bepaling van de waarde van de onroerende zaken. Het Hof sluit zich aan bij dit, naar zijn oordeel juiste, gezamenlijke standpunt van partijen.
Objectafbakening van de onroerende zaak [adres 1]
5.4.1.Belanghebbende heeft gesteld dat de objectafbakening van de onroerende zaak [adres 1] onjuist is omdat ten onrechte zeven parkeerplaatsen bij het object zijn betrokken. De beoordeling van de objectafbakening spitst zich toe op de vraag of de parkeerplaatsen en de winkelruimte een samenstel vormen in de zin van artikel 16, lid 1, letter d, Wet WOZ. Hierbij is van belang of de eigendommen bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.
5.4.2.In het taxatierapport (zie 2.2) staat vermeld dat de onroerende zaak [adres 1] bestaat uit een winkelruimte op bouwlaag 1 en zeven parkeerplaatsen gelegen op bouwlaag 2. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat de zeven parkeerplaatsen zijn gelegen in de inpandige parkeergarage die bestemd is voor de winkeliers, dat alle huurders een aantal parkeerplaatsen huren en dat de zeven in aanmerking genomen parkeerplaatsen daadwerkelijk bij de onroerende zaak [adres 1] horen. Belanghebbende heeft dit ter zitting ongemotiveerd betwist en gesteld dat de zeven parkeerplaatsen voor het publiek toegankelijk zijn en niet specifiek bij de onroerende zaak behoren.
5.4.3.De Heffingsambtenaar heeft na heropening van het onderzoek, in reactie op de vragen van het Hof (zie 1.7), een kopie van de koopakte overgelegd, waaruit blijkt dat in 2013 aan de huidige eigenaars onder meer zijn verkocht de onderappartementsrechten met betrekking tot de commerciële ruimte gelegen op de eerste verdieping, alsmede het onderappartementsrecht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van negenenveertig parkeerplaatsen voor de commerciële ruimten, gelegen op de tweede verdieping van het woon-winkelcomplex aan de [straat] . Tevens heeft de Heffingsambtenaar een aan [naam 3] gerichte huurnota met datum 1 mei 2023 overgelegd. De huurnota heeft betrekking op [adres 1] en meer specifiek de “winkelunit” van 1.092 m2, alsmede “7 parkeerplaatsen in de mandelige winkeliers parkeergarage”.
5.4.4.Uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde stukken volgt dat de winkelruimte en de zeven parkeerplaatsen afzonderlijke eigendommen zijn die dezelfde eigenaar hebben en bij dezelfde belastingplichtige (belanghebbende) in gebruik zijn. Uit de stukken blijkt immers dat belanghebbende zowel de commerciële ruimte [adres 1] als de zeven parkeerplaatsen huurt, die zijn bestemd voor medewerkers van de commerciële ruimte. Dit laatste heeft de Heffingsambtenaar ter zitting van 17 juni 2025 ook geloofwaardig en inzichtelijk verklaard en de gemachtigde van belanghebbende heeft dit steeds uitsluitend bloot betwist, ondanks dat er ruimschoots – gezien het aantal mondelinge behandelingen van de zaak dat heeft plaatsgevonden waar dit specifiek aan de orde is gekomen – gelegenheid is geweest deze stellingname, tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting daarvan door de Heffingsambtenaar, nader met stukken te ondersteunen. Gelet op het functionele verband tussen de parkeerplaatsen en de winkelruimte, namelijk dat de parkeerplaatsen bestemd zijn voor en in gebruik zijn bij medewerkers van de commerciële unit, vormen de objecten naar het oordeel van het Hof een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, Wet WOZ. De objectafbakening is derhalve juist.
5.4.5.De door belanghebbende overgelegde stukken (zie 1.9 en 1.10) leiden niet tot een ander oordeel. De huurovereenkomst met looptijd van 1 november 2014 tot en met 30 juni 2023, door middel van de allonge verlengd tot en met 31 maart 2025, omschrijft het verhuurde als “de winkelruimte van circa 1.092 m2 B.V.O. alsmede 7 parkeerplaatsen”. In de allonge is hierop geen wijziging aangebracht. Ook het overgelegde onderhoudsplan werpt geen ander licht op deze kwestie. De huurovereenkomst met ingangsdatum 1 april 2025 (die verwijst naar de huur van zes parkeerplaatsen) is voor het onderhavige geschil niet van belang, nu dit geschil waardepeildatum 1 januari 2022 betreft. Dat de aanslag niet specificeert welke specifieke parkeerplaatsen in de heffing worden betrokken is gelet op het feit dat alle parkeerplaatsen in dezelfde parkeergarage zijn gelegen en sprake is van opvolgende appartementsindices niet van belang.
Waarde van de onroerende zaak [adres 1]
5.5.1.De Heffingsambtenaar heeft de door hem verdedigde waarde van de onroerende zaak [adres 1] in het taxatierapport onderbouwd met door hem overgelegde marktgegevens (verhuur- en verkooptransacties). De vergelijkingsobjecten zijn alle in [woonplaats] gelegen, hebben een met de onroerende zaak vergelijkbare ligging en zijn ook overigens goed vergelijkbaar met de onroerende zaak.
5.5.2.Voor de bepaling van de huurwaarde heeft de Heffingsambtenaar drie verhuurtransacties tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft de Heffingsambtenaar de huurwaarde (per m² dan wel per stuk) bepaald voor de afzonderlijke onderdelen van de onroerende zaak (de winkelruimte en de parkeerplaatsen). De getaxeerde huurwaarde per m² van [adres 1] is lager dan de huurwaardes per m² van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.5.3.Voor de bepaling van de kapitalisatiefactor heeft de Heffingsambtenaar drie verkooptransacties tot uitgangspunt genomen. De gehanteerde kapitalisatiefactor (9,2) is lager dan de kapitalisatiefactoren die voortvloeien uit de verkoopprijzen van de drie in het taxatierapport opgenomen vergelijkingsobjecten.
5.5.4.Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak [adres 1] per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld.
5.5.5.Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. Belanghebbende heeft gesteld dat een adequate en inzichtelijke (alsmede te verifiëren) onderbouwing van de vastgestelde waarde van de onroerende zaak [adres 1] , alsmede de door hem verzochte bottom-up berekening en rekenblad kapitalisatiefactor ontbreken. Deze stelling mist feitelijke grondslag gelet op het overgelegde taxatierapport en het Rekenblad kapitalisatiefactor getaxeerd object (bottom-up).
5.5.6.Belanghebbende heeft gesteld dat de ligging van de onroerende zaak gekwalificeerd dient te worden als een zogenoemde C1-locatie. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar ter zitting toegelicht dat de locatie bij objecten als het onderhavige niet als factor bij de waardering wordt gebruikt, maar dat wordt en is uitgegaan van vergelijkingsobjecten die in de directe nabijheid zijn gelegen, en dat de locatie dus geen invloed heeft op de waardering. Belanghebbendes stelling faalt derhalve.
5.5.7.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Heffingsambtenaar de huurovereenkomst en de HIF-formulieren ter zake van de onroerende zaak [adres 1] had moeten overleggen. Belanghebbende heeft echter niet toegelicht in hoeverre deze gegevens van belang zijn voor de waardebepaling. Daarbij komt dat de HIF-formulieren van de vergelijkingsobjecten zijn opgenomen in het taxatierapport en de Heffingsambtenaar belanghebbende voor de onroerende zaak [adres 1] heeft verzocht om overlegging van de huurovereenkomst, hetgeen belanghebbende, tot de zitting van 30 oktober 2025, heeft geweigerd.
5.5.8.De klachten van belanghebbende over de onderbouwing van de primaire grondprijs en de gebruikte trendwaarde in verband met het indexeringspercentage treffen geen doel, reeds omdat deze factoren bij de waardering geen rol hebben gespeeld.
5.5.9.Ten aanzien van de klacht dat geen recent en onafhankelijk taxatierapport is opgemaakt, dan wel overgelegd, geldt dat het de Heffingsambtenaar vrij staat de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken op de door hem gekozen wijze en dat ten aanzien daarvan geen vormvoorschriften gelden. De Heffingsambtenaar heeft met de door hem overgelegde taxatierapporten en de daarop gegeven toelichting de waarde van de onroerende zaak aannemelijk gemaakt.
Objectafbakening van de onroerende zaak [adres 2]