Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:413

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/340 tot en met BK-25/351
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:109 AwbArt. 22 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet volledig betalen griffierecht in belastingzaak WOZ

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van meerdere onroerende zaken vast en legde aanslagen onroerendezaakbelasting op voor het jaar 2023. Belanghebbende stelde bezwaar en vervolgens beroep in bij de Rechtbank, die de beroepen ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag en werd een griffierecht van €579 opgelegd.

Belanghebbende betaalde slechts €385 van het griffierecht binnen de gestelde termijn, ondanks een herinneringsbrief waarin werd gewezen op de volledige betaling en de gevolgen van niet-betaling. Het Hof oordeelde dat het niet volledig betalen van het griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, tenzij sprake is van verschoonbaar verzuim, wat hier niet aannemelijk was.

De gemachtigde van belanghebbende voerde aan dat sprake was van een evidente vergissing en vroeg om herstelmogelijkheid, maar het Hof volgde dit niet. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het gedeeltelijk betaalde griffierecht werd teruggegeven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet volledige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/340 tot en met BK-25/351

Uitspraak van 17 maart 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 april 2025, nummers SGR 23/5988, SGR 23/5991, SGR 23/5992, SGR 23/5993, SGR 23/5994, SGR 23/6004, SGR 23/6006, SGR 23/6007, SGR 23/6009, SGR 23/6010, SGR 23/6011 en SGR 23/6012.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet genomen beschikkingen op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van – onder meer – de onroerende zaken plaatselijk bekend als [adressen] , alle te [woonplaats] (tezamen: de onroerende zaken) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld (de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de [gemeente] (de aanslagen).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van eenmaal € 365 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld:
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 579 geheven.
1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 20 mei 2025 (met bijlage), 13 januari 2026, 14 januari 2026, 16 januari 2026 (met bijlagen) en 19 januari 2026 (met bijlagen). De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 2 september 2025.
1.6.
Bij bericht van 28 januari 2026 heeft het Hof partijen laten weten dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn volledig is voldaan en dat tijdens de mondelinge behandeling van de zaken daarom in de eerste plaats zal worden ingegaan op de vraag of het hoger beroep ontvankelijk is.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 februari 2026. De gemachtigde van belanghebbende en de Heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting via een digitale videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op 23 april 2025 is aan belanghebbende een nota inzake griffierecht gezonden aan het bij het Hof bekende adres van de gemachtigde. In de nota zijn de partijen in de procedure vermeld, alsmede het zaaknummer waaronder het onderhavige cluster in behandeling is genomen, en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag (€ 579) uiterlijk op 21 mei 2025 (binnen vier weken na dagtekening van de brief) moet zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening, alsmede dat als het bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2.2.
Bij aangetekende brief van 22 mei 2025, gericht aan het vorenbedoelde adres van de gemachtigde, heeft de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 579 met het verzoek het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de herinnering te voldoen (de herinneringsbrief). Ook in de herinneringsbrief is erop gewezen dat als het griffierecht niet of niet tijdig is overgemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2.3.
De herinneringsbrief is niet door het Hof retour ontvangen. Uit Track&Trace-gegevens van PostNL is gebleken dat de herinneringsbrief op 24 mei 2025 om 10:18 uur is afgehaald bij een locatie van PostNL en dat voor ontvangst is getekend.
2.4.
Uit de administratie van het Hof blijkt dat op 19 juni 2025 een bedrag van € 385 is bijgeschreven op de bankrekening die is vermeld in de herinneringsbrief. Het restantbedrag van € 194 is niet betaald.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1.
Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 8:108 en 8:109 Awb wordt van de indiener van een hogerberoepschrift griffierecht geheven. De termijn voor de betaling van het griffierecht bedraagt vier weken, welke aanvangt met ingang van de dag na die van verzending van de mededeling van de griffier (de nota of de herinnering). Indien het griffierecht niet (tijdig) is betaald, is het hoger beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof aangevoerd dat hij per abuis een bedrag van € 385 in plaats van € 579 heeft voldaan. Hij meent dat voor het restantbedrag (€ 194) een herstelmogelijkheid dient te worden geboden, nu geen sprake is van ‘bad will’ maar van een evidente vergissing. Het Hof volgt de gemachtigde daarin niet. De griffier van een gerecht is niet gehouden om in het geval waarin binnen de gestelde termijn een deel van het verschuldigde griffierecht is voldaan, voor de betaling van het restant een nieuwe termijn te stellen (vgl. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:879). De griffier van dit Hof heeft in dit geval dienovereenkomstig gehandeld en naar aanleiding van de deelbetaling geen nieuwe betaaltermijn voor het restantbedrag gesteld.
3.3.
Binnen de termijn die in de herinneringsbrief is genoemd, is het verschuldigde griffierecht niet (volledig) betaald. Op de mogelijke gevolgen hiervan is belanghebbende in de herinneringsbrief gewezen. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbaar verzuim.
Slotsom
3.4.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het Hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaken. Het als griffierecht betaalde bedrag van € 385 wordt teruggegeven.

Proceskosten

4. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; en
- gelast dat door de griffier het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 385 aan belanghebbende wordt teruggegeven.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik R.A. Bosman

De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.