Belanghebbende, eigenaar van een praktijkruimte die aan het begin van 2021 in delen aan derden was verhuurd, werd aangeslagen voor onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning en rioolheffing gebruiker. Hij maakte bezwaar tegen de aanslagen, voornamelijk gericht op de WOZ-waarde, welke onherroepelijk was vastgesteld. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat hij geen gebruiker was omdat hij de praktijkruimte verhuurde. Het Hof oordeelde dat op grond van artikel 220b, lid 1, onderdeel a, van de Gemeentewet en de gemeentelijke verordeningen het gebruik door de gebruikers van de verhuurde delen wordt aangemerkt als gebruik door belanghebbende zelf. De praktijkruimte was een afzonderlijk geheel, maar de verhuurde units deelden voorzieningen en interne verkeersruimten, waardoor zij niet als afzonderlijke onroerende zaken konden worden beschouwd.
Het standpunt van belanghebbende dat hij geen gebruiker was voor de rioolheffing faalde eveneens, omdat het gebruik door derden aan hem werd toegerekend. Het Hof vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.