Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 879
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag onroerende zaakbelasting en rioolheffing ongegrond verklaard

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 aanslagen onroerende zaakbelasting gebruiker en rioolheffing gebruiker opgelegd met betrekking tot een praktijkruimte. Eiser maakte bezwaar tegen de aanslagen, gericht op de hoogte van de WOZ-waarde, welke onherroepelijk was vastgesteld na eerdere procedures.

In het beroepsproces heeft eiser geen nieuwe inhoudelijke gronden tegen de aanslagen aangevoerd, behalve een tardieve stelling dat eiser in 2021 geen gebruiker was van de praktijkruimte, welke buiten beschouwing is gelaten. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

Daarnaast is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting afgewezen, omdat de termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep niet was overschreden.

De uitspraak is gedaan door rechter M.J. Pelinck en griffier B. van Eeuwijk op 29 april 2025. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslagen onroerende zaakbelasting en rioolheffing wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/879

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker en rioolheffing gebruiker opgelegd (de aanslagen).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 december 2023 de aanslagen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is drs. [naam] verschenen.

Overwegingen

Feiten
1. Met dagtekening 30 september 2023 is aan eiser een aanslag onroerende zaakbelasting gebruiker voor het belastingjaar 2021 opgelegd ten bedrage van € 473,46. Op hetzelfde aanslagbiljet is een aanslag rioolheffing gebruiker opgenomen, eveneens met betrekking tot het belastingjaar 2021, ten bedrage van € 165,51. De aanslagen hebben betrekking op de praktijkruimte, gelegen aan de [adres] te [plaats] (de praktijkruimte).
2. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de onder 1 vermelde aanslagen. De daarin opgenomen gronden zijn allen gericht tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de praktijkruimte.
3. De WOZ-waarde van de praktijkruimte, van € 92.000, is per waardepeildatum 1 januari 2020 voor het jaar 2021 vastgesteld bij beschikking van 25 februari 2021. Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt, dat door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep van eiser tegen deze uitspraak op bezwaar is door de rechtbank bij uitspraak van 4 april 2022 [1] ongegrond verklaard.

Geschil4. In geschil zijn de aanslagen.

Beoordeling van het geschil
5. Eiser heeft in bezwaar noch in de schriftelijk fase van de beroepsprocedure enig inhoudelijke grond tegen de onderhavige aanslagen aangevoerd, anders dan bezwaren tegen de WOZ-waarde die met de onder 3 genoemde uitspraak onherroepelijk was komen vast te staan.
6. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde namens eiser gesteld dat deze in 2021 geen gebruiker was van de praktijkruimte. De rechtbank laat deze stelling als tardief buiten beschouwing.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
9. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. In deze zaak is het bezwaarschrift ontvangen op 4 oktober 2023 en op de dag waarop deze uitspraak wordt gedaan is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep van twee jaar niet overschreden. Eiser heeft dus geen recht op vergoeding van immateriële schade.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 4 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2724