ECLI:NL:GHDHA:2026:373

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
200.341.923/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake eigendom en verkoop van inbeslaggenomen auto’s door de Staat

Appellanten, voormalig vennoten van een beëindigde vennootschap, stelden dat drie auto’s die het Openbaar Ministerie in beslag nam bij een autobedrijf en later verkocht, hun eigendom waren. Zij vorderden schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige verkoop.

De rechtbank wees de vordering af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat appellanten onvoldoende onderbouwden dat zij eigenaar waren op het moment van inbeslagname. De auto’s stonden geregistreerd op naam van het autobedrijf waar ze in beslag werden genomen, en niet op naam van appellanten of hun vennootschap.

Appellanten voerden aan dat de auto’s in consignatie bij het autobedrijf stonden, maar het hof vond de consignatieovereenkomsten en verklaringen onduidelijk en inconsistent. Ook de registratie bij de RDW en de administratieve stukken strookten niet met hun eigendomstelling.

Het hof concludeerde dat appellanten hun stelplicht en bewijslast niet hadden voldaan, waardoor de vordering werd afgewezen. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van appellanten af wegens onvoldoende bewijs van eigendom van de auto’s.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.923/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/647977 / HA ZA 23-460
Arrest van 10 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2. [appellant 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. P.W.M. Broekmans, kantoorhoudend in Roermond,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en de Staat.

1.De zaak in het kort

1.1
Het Openbaar Ministerie heeft bij autobedrijf [naam VOF 2] auto’s in beslag genomen en deze daarna verkocht. [appellanten] stellen dat drie van de inbeslaggenomen auto’s van hen waren en niet van [naam VOF 2] . Zij willen dat de Staat de schade vergoedt.
1.2
De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel omdat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat de auto’s van hen waren.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 mei 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2024;
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;
  • de akte uitlating van [appellanten]

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[appellanten] zijn voormalig vennoten van de inmiddels geëindigde vennootschap [naam VOF 1] (hierna: [naam VOF 1] ), destijds gevestigd in [vestigingsplaats 1] . [naam VOF 1] is geëindigd op 31 december 2021 en is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 1 februari 2022.
3.2
Op 28 september 2021 heeft het Openbaar Ministerie in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek een inval gedaan bij een ander autobedrijf, [naam VOF 2] (hierna: [naam VOF 2] ) te [vestigingsplaats 2] . Dit hield verband met de verdenking dat [naam VOF 2] werd gebruikt om criminele (drugs)gelden wit te wassen. Bij de inval zijn in de showroom aanwezige auto’s in beslag genomen.
3.3
Onder de bij [naam VOF 2] in beslag genomen auto’s bevonden zich:
  • een Mercedes Benz, type CLA 200, kenteken [kentekennummer Mercedes] (hierna: de Mercedes);
  • een Seat, type Leon, kenteken [kentekennummer Seat] (hierna: de Seat)
  • een Volkswagen, type Golf 1.4 TSI, kenteken [kentekennummer Volkswagen] (hierna: de Volkswagen).
Deze drie auto’s (hierna ook: de auto’s) zijn weggevoerd en later verkocht door de Staat; de Mercedes voor € 15.350,-, de Seat voor € 10.001,- en de Volkswagen voor € 11.236,-.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellanten] hebben de Staat gedagvaard en gevorderd dat de Staat aan hen een bedrag van € 53.250,- betaalt, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met rente. Zij leggen hieraan ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de auto’s, die hun eigendom waren, zonder hun toestemming te verkopen. De Staat dient de schade die [appellanten] hierdoor hebben geleden te vergoeden, bestaande uit de betaalde aankoopprijs van de auto’s (€ 41.250,-), de voor die auto’s gemaakte kosten (€ 1.500,-) en de winstderving (€ 10.500,-).
4.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1
[appellanten] zijn in hoger beroep gekomen. Zij eisen dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en hun vordering alsnog toewijst.
De op [appellanten] rustende stelplicht en bewijslast
5.2
De vraag waar het ook in hoger beroep om draait is of de auto’s op het moment dat die op 28 september 2021 bij [naam VOF 2] in beslag werden genomen, eigendom waren van [appellanten] stellen dat dit zo is. De Staat heeft dat betwist, waarbij hij met name wijst op allerlei onduidelijkheden en ongerijmdheden, en heeft het vermoeden uitgesproken dat [naam VOF 2] door middel van een constructie wilde verhullen dat zij de werkelijke eigenaar was van de auto’s.
5.3
Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast op [appellanten] rusten. Dat betekent dat het aan [appellanten] is om voldoende onderbouwd te stellen dat de auto’s op het moment van inbeslagname hun eigendom waren. Pas als [appellanten] aan hun stelplicht hebben voldaan, kan eventueel worden toegekomen aan bewijslevering.
5.4
Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] dat in dit geval de stelplicht en bewijslast moeten worden omgekeerd. Het argument dat zij in een onredelijk zware bewijspositie worden gebracht omdat de Staat geen stukken uit de administratie van [naam VOF 2] heeft overgelegd waaruit blijkt dat [naam VOF 2] eigenaar zou zijn, gaat niet op. De centrale vraag in deze zaak is of [appellanten] eigenaar van de auto’s waren, zoals [appellanten] beweren. [appellanten] exploiteerden een professionele autohandel en moeten daarom in staat worden geacht om zelf adequaat te onderbouwen dat de auto’s op het moment van inbeslagname hun eigendom waren. Er is geen aanleiding om de stelplicht en bewijslast om te keren en bij de Staat te leggen.
5.5
Vast staat dat de auto’s zich op 28 september 2021 in de showroom van [naam VOF 2] bevonden. Uit artikel 3:109 en Pro 3:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de houder van een goed wordt vermoed bezitter te zijn en de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. Het feit dat de auto’s in de showroom van [naam VOF 2] stonden, levert dus het vermoeden op dat [naam VOF 2] eigenaar van de auto’s was, en niet [appellanten] dienen duidelijk en op een coherente wijze toe te lichten en voldoende concreet te onderbouwen dat zij op het moment van de inbeslagname eigenaar waren van de auto’s en op grond waarvan deze auto’s bij [naam VOF 2] in de showroom stonden.
5.6
Vast staat ook dat de auto’s bij de RDW niet geregistreerd waren op naam van [naam VOF 1] , niet ten tijde van de inbeslagname en ook niet op enig eerder moment, en dat [naam VOF 1] de auto’s ook nooit heeft verzekerd. Hoe dat zich verhoudt tot de stelling dat [appellanten] daadwerkelijk eigenaar waren van de auto’s, dienen [appellanten] duidelijk uit te leggen.
[appellanten] hebben niet voldaan aan hun stelplicht
5.7
Het hof zal hierna beoordelen of [appellanten] hebben voldaan aan hun stelplicht. De uitkomst zal zijn dat dat niet het geval is, omdat op essentiële punten waar het in deze zaak om gaat sprake is van teveel ongerijmdheden en onduidelijkheden. Het hof legt dat hieronder uit.
5.8
[appellanten] hebben de gang van zaken met betrekking tot de auto’s in grote lijnen als volgt toegelicht. De Seat is door hen in 2020 gekocht van Handelsonderneming [naam B.V. 1] B.V. (hierna: [naam B.V. 1] ). De Mercedes hebben zij in het eerste kwartaal van 2021 gekocht van [naam B.V. 2] B.V., ook wel [naam B.V. 2] genoemd, (hierna: [naam B.V. 2] ). Enige tijd later hebben zij de Mercedes verkocht aan [naam B.V. 3] B.V. (hierna: [naam B.V. 3] ) en vervolgens weer teruggekocht van [naam B.V. 3] . De Volkswagen hebben zij in het eerste kwartaal van 2021 ook van [naam B.V. 2] gekocht. Zij hebben de auto’s vervolgens aan [naam VOF 2] in consignatie gegeven om die voor hen te verkopen. Het feit dat de auto’s ten tijde van de inbeslagname bij [naam VOF 2] in de showroom stonden, betekent dus niet dat zij geen eigenaar waren: de auto’s stonden daar op basis van consignatie-overeenkomsten, aldus [appellanten]
5.9
hebben in de memorie van grieven aangevoerd dat de bedrijven [naam B.V. 2] , [naam B.V. 1] en [naam B.V. 3] onomwonden aangeven dat de auto’s ten tijde van inbeslagname, dus op 28 september 2021, eigendom van [appellanten] waren en van niemand anders. Naar het oordeel van het hof kunnen die autobedrijven echter hoogstens verklaren over de door [appellanten] gestelde aankoop van de auto’s bij hen - [appellanten] hebben schriftelijke verklaringen van [naam B.V. 2] en [naam B.V. 3] overgelegd die daarop zien - maar niet over de situatie ten tijde van de inbeslagname. Dat deze autobedrijven kennis hadden van de relatie tussen [appellanten] en [naam VOF 2] en de precieze juridische situatie met betrekking tot de auto’s ten tijde van de inbeslagname hebben [appellanten] niet (voldoende gemotiveerd) gesteld en blijkt ook nergens uit. Met betrekking tot dat essentiële punt zijn de overgelegde schriftelijke verklaringen en de bewijsaanbiedingen tot het horen van personen die werkzaam zijn bij [naam B.V. 2] , [naam B.V. 1] en [naam B.V. 3] dus niet relevant.
5.1
Zowel de Staat als de rechtbank heeft er in de procedure in eerste aanleg al op gewezen dat onduidelijk is hoe de stelling dat [appellanten] daadwerkelijk eigenaar waren van de auto’s zich verhoudt tot het feit dat de auto’s bij de RWD nooit op naam hebben gestaan van [naam VOF 1] . Als daarvoor een plausibele verklaring is, dan is het aan [appellanten] is om die adequaat toe te lichten. De enige mogelijke algemene uitleg die het hof heeft kunnen ontdekken in de stukken van [appellanten] komt erop neer dat als een auto al in de bedrijfsvoorraad van een autobedrijf is opgenomen (dus: een ander autobedrijf dan [naam VOF 1] ), die auto alleen uit die bedrijfsvoorraad kan gaan als die op naam wordt gesteld van een particulier of van een bedrijf niet zijnde een autobedrijf (memorie van grieven nr. 29). Voor zover [appellanten] die uitleg bedoelen te hanteren voldoet die niet, omdat die niet strookt met de informatie van de RDW ten aanzien van de Mercedes. Daaruit blijkt dat die auto bij de RDW is overgeschreven van [naam B.V. 2] naar [naam B.V. 3] en vervolgens naar [naam VOF 2] . Voor zover [appellanten] suggereren dat het voor [naam VOF 1] als opvolgend autobedrijf onmogelijk zou zijn om de auto’s op haar naam te zetten, gaat dat dus niet op.
5.11
Om te onderbouwen dat de auto’s op het moment van inbeslagname op grond van consignatie bij [naam VOF 2] in de showroom stonden, hebben [appellanten] een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 1] , een van de eigenaren van [naam VOF 2] . Hij heeft de gang van zaken omtrent de consignatie van de auto’s als volgt beschreven:
“Ik heb van de mij bekende [appellant 1] uit [plaats] een vijftal auto’s in consignatie genomen in het jaar 2021 met de bedoeling die vanuit mijn bedrijf, de firma [naam VOF 2] , voor de heer [appellant 1] te verkopen.
Het betrof onder meer:
- Mercedes Benz, type CLA 200, gekentekend [kentekennummer Mercedes]
- Seat, type Leon, gekentekend [kentekennummer Seat]
- Volkswagen, type Golf 1.4 TSI, gekentekend [kentekennummer Volkswagen]
[appellant 1] had mij meegedeeld met zijn bedrijf te willen stoppen en zijn laatste auto’s via het bedrijf [naam VOF 2] te willen verkopen. Ik sprak met [appellant 1] een totaalprijs af voor de vijf in het geding zijnde auto’s, hetwelk betekent dat [appellant 1] vorenbedoelde totaalprijs van het bedrijf [naam VOF 2] zou ontvangen. Wat het bedrijf [naam VOF 2] zelve als opbrengst zou kunnen verkrijgen voor de auto’s was voor [appellant 1] verder niet meer van belang. Wij maakten van onze afspraken per auto een consignatie-overeenkomst op. (…) Daarna hebben wij de auto’s gepoetst en in de showroom van [naam VOF 2] geplaatst. (…) Van de vijf door [appellant 1] bij ons in consignatie gegeven auto’s hebben wij er twee verkocht voordat er door de politie een inval bij ons bedrijf werd gedaan. De drie resterende auto’s zijn door justitie meegenomen.”
Uit deze verklaring van [naam 1] volgt dat [appellanten] en [naam VOF 2] in 2021 in één keer een deal zouden hebben gesloten voor de consignatie van vijf auto’s, waaronder de drie auto’s waar deze zaak over gaat, en daarvoor een totaalprijs hebben afgesproken. Opvallend is dat voor de drie auto’s niet op één datum consignatie-overeenkomsten zijn opgemaakt, maar dat de door [appellanten] overgelegde (uiterst summiere) consignatie-overeenkomsten data hebben die aanzienlijk uiteen lopen (waarbij voor de Seat bovendien ook nog geldt dat die datum ruim vóór 2021 ligt). De consignatie-overeenkomst voor de Seat vermeldt namelijk als datum 28 augustus 2020, de Volkswagen 25 maart 2021 en de Mercedes 8 september 2021. Hoe dat te rijmen valt met de verklaring van [naam 1] dat hij (in 2021) met [naam VOF 1] één consignatiedeal heeft gesloten met één totaalprijs voor vijf auto’s, waaronder de auto’s waar het in deze zaak over gaat, hebben [appellanten] niet uitgelegd. Dit maakt dat al vraagtekens geplaatst moeten worden bij de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1] over de consignatie van de auto’s en de in het geding gebrachte consignatie-overeenkomsten.
5.12
Vaststaat dat op 7 september 2021 een Whatsapp-gesprek heeft plaatsgevonden tussen [naam 1] van [naam VOF 2] en [appellant 2] , met name over de Volkswagen. Daarbij schrijft [naam 1] :
“Ik maak nu 5 auto’s een consignatie briefje van dat die auto van jullie zijn”. Het hof overweegt dat als dit bericht zou zien op dezelfde vijf auto’s waarover [naam 1] heeft verklaard dat deze aan [naam VOF 2] in consignatie zijn gegeven (onduidelijk is over welke andere vijf auto’s het zou kunnen gaan), dan de indruk kan ontstaan dat de hiervoor genoemde consignatie-overeenkomsten geantedateerd zijn. [appellanten] hebben over dit Whatsapp-bericht opgemerkt dat “ [appellant 1] zeer regelmatig auto’s via [naam VOF 2] verkocht en het niet op ieder moment voor iedereen meteen duidelijk was hoeveel auto’s er nog stonden” (memorie van grieven nr. 62-63), maar het blijft - ook met de door [appellanten] gegeven uitleg - een opmerkelijk bericht.
5.13
Op het moment van inbeslagname waren de Seat en de Mercedes in de registers van het RDW ingeschreven in de importeurs-/bedrijfsvoorraad van [naam VOF 2] . De Volkswagen was in die registers op dat moment ingeschreven in de importeursvoorraad van [naam B.V. 2] , maar [appellanten] hebben toegelicht dat het de bedoeling was dat ook die auto zou worden ingeschreven in de bedrijfsvoorraad van [naam VOF 2] (maar dat dat alleen nog niet kon omdat de Volkswagen nog niet in Nederland was geregistreerd). [naam 1] van [naam VOF 2] gaat daar in zijn schriftelijke verklaring als volgt op in:
“Evenzeer werden de auto’s bij ons in de bedrijfsvoorraad van de RDW opgenomen vanwege het feit dat anders met de auto’s niet kon worden proefgereden. Onze groene platen verzekeren namelijk alleen auto’s die ons eigendom zijn en geen auto’s die door ons in consignatie worden verkocht. Laatstgenoemde auto’s kunnen alleen verzekerd worden door de consignatiegever zijnde in deze [appellant 1] . In de praktijk zou dit betekenen dat wij voor iedere proefrit van een auto, eigendom van [appellant 1] , diens groene platen in Venlo moesten gaan ophalen, op de betreffende auto moesten zetten waarna er mee kon worden proefgereden. (…) Ook konden wij op deze wijze de auto vrijwaren en tenaamstellen, zowel ’s avonds als in het weekend zodat een koper de auto meteen kon meenemen.”
Het hof maakt uit deze verklaring van [naam 1] van [naam VOF 2] op dat als [appellanten] eigenaar van een auto waren en zij deze in consignatie hadden gegeven aan [naam VOF 2] , de auto bij de RDW eigenlijk ingeschreven had moeten worden in de bedrijfsvoorraad van [naam VOF 1] en dat [naam VOF 1] als consignatiegever de auto ook had moeten verzekeren, maar dat zij dat om praktische redenen niet hebben gedaan. Ook volgens [naam 1] is het gegeven dat een auto bij de RDW in de bedrijfsvoorraad van [naam VOF 2] staat ingeschreven kennelijk dus niet in lijn met de stelling dat [appellanten] eigenaar daarvan waren en [naam VOF 2] op grond van een consignatie-overeenkomst slechts bemiddelde bij de verkoop.
5.14
Naast de hiervoor genoemde algemene kanttekeningen, merkt het hof nog het volgende op met betrekking tot de door [appellanten] specifiek geschetste gang van zaken rond de afzonderlijke auto’s.
5.15
Met betrekking tot de Seat hebben [appellanten] in hoger beroep het volgende aangevoerd. De Seat was eerst eigendom van autobedrijf [naam B.V. 1] . [naam B.V. 1] had de auto in consignatie gegeven aan [naam VOF 2] om die te verkopen. [appellant 1] zag de Seat bij [naam VOF 2] staan en vroeg aan [naam 1] of hij de auto kon kopen. [naam 1] verwees [appellant 1] naar [naam B.V. 1] , en [naam B.V. 1] heeft daarop de auto aan [appellanten] verkocht voor een bedrag van € 12.250,-. [naam 1] van [naam VOF 2] was van deze gang van zaken volledig op de hoogte. Hij was erbij en heeft daarna een consignatie-overeenkomst gesloten met [appellanten] De Seat is door [naam B.V. 1] dus ‘longa manu’ overgedragen aan [appellanten] wijzen ter onderbouwing van het voorgaande op de factuur van [naam B.V. 1] van 26 oktober 2020, de verklaring van [naam 1] en de door [appellant 1] getekende consignatie-overeenkomst, gedateerd 28 augustus 2020. [appellanten] betogen dat zij hiermee hebben voldaan aan hun stelplicht.
5.16
Ook het hof constateert dat de factuur van 26 oktober 2020, waarop de stempel van [naam B.V. 1] staat, en de consignatie-overeenkomst van 28 augustus 2020, die is opgemaakt op briefpapier van [naam VOF 2] , in hetzelfde handschrift zijn geschreven. [appellanten] hebben dat niet ontkend, maar hebben in hoger beroep de volgende toelichting gegeven. [appellanten] weten niet meer wie de betreffende factuur en consignatie-overeenkomst heeft opgemaakt, maar het is zeer wel mogelijk dat dat is gebeurd door één en dezelfde persoon, [naam 2] , de echtgenote van [naam 1] van [naam VOF 2] . [naam VOF 2] was in feite een samenwerkingsverband van meerdere handelaren die gebruik maakten van de lokaliteit van [naam VOF 2] , en voor zover [appellanten] bekend had [naam B.V. 1] een samenwerkingsverband gesloten met [naam VOF 2] en deed men in feite een gezamenlijke exploitatie. In de praktijk kwam het vaak voor dat [appellant 1] , en mensen van [naam VOF 2] en [naam B.V. 1] elkaar troffen bij [naam VOF 2] en tijdens die vrijwel dagelijkse ontmoetingen werd er ook onderling gehandeld. Als er iets werd overeengekomen, dan werd dit ter plaatse schriftelijk vastgelegd, soms direct maar veelal enige tijd later en dat gebeurde door [naam 2] .
5.17
Het hof is van oordeel dat deze uitleg niet voldoet. Dat sprake was van een samenwerkingsverband tussen [naam VOF 2] en [naam B.V. 1] , en dat dat de reden was dat [naam 2] ook voor [naam B.V. 1] stukken opstelde, hebben zij niet onderbouwd. De Staat heeft op dit punt aangevoerd dat zij in de administratie van [naam VOF 2] niets heeft aangetroffen dat op een dergelijk samenwerkingsverband wijst. Bovendien blijft onduidelijk, als [naam 2] zowel de verkoop van [naam B.V. 1] aan [appellanten] als de consignatie-overeenkomst tussen [appellanten] en [naam VOF 2] heeft vastgelegd, waarom de consignatie-overeenkomst twee maanden eerder is gedateerd dan de verkoopfactuur. Ook is opmerkelijk dat de op briefpapier van [naam VOF 2] getypte consignatie-overeenkomst tussen [naam B.V. 1] en [naam VOF 2] en de op briefpapier van [naam VOF 2] (door [naam 2] ) handgeschreven consignatie-overeenkomst tussen [appellanten] en [naam VOF 2] dezelfde datum vermelden, te weten 28 augustus 2020. Hoe dit alles zit, blijft onduidelijk.
5.18
Met betrekking tot de Mercedes hebben [appellanten] verklaard dat zij deze na de ‘heen-en-weer verkoop’ met [naam B.V. 3] in consignatie hebben gegeven aan [naam VOF 2] . Opmerkelijk is dat dhr. [naam B.V. 3] in zijn schriftelijke verklaring schrijft dat [appellanten] de auto weer heeft teruggenomen op 25 september 2021, dat de factuur die betrekking heeft op de terugverkoop door [naam B.V. 3] aan [naam VOF 1] ook die datum heeft, maar dat de consignatie-overeenkomst tussen [appellanten] en [naam VOF 2] en de tenaamstelling van de Mercedes bij de RDW in de bedrijfsvoorraad van [naam VOF 2] beide een eerdere datum hebben, namelijk 8 september 2021. [appellanten] hebben daarvoor geen concrete verklaring gegeven.
5.19
Met betrekking tot de Volkswagen hebben [appellanten] verklaard dat zij deze in het eerste kwartaal van 2021 hebben gekocht van [naam B.V. 2] en vervolgens op 25 maart 2021 in consignatie hebben gegeven aan [naam VOF 2] . [appellanten] hebben dit onderbouwd met een op 25 maart gedateerde consignatie-overeenkomst tussen [naam VOF 1] en [naam VOF 2] . Dit strookt echter niet met de verklaring van [naam B.V. 2] dat de Volkswagen pas medio april 2021 aan [appellanten] is verkocht, wat onderbouwd is met een op 26 april 2021 gedateerde factuur. Bovendien geldt dat als de Volkswagen door [appellanten] al in maart 2021 in consignatie zou zijn gegeven aan [naam VOF 2] , dan onduidelijk blijft waarom er op 7 september 2021, drie weken voor de inbeslagname, door [naam 1] aan [appellant 2] per Whatsapp wordt medegedeeld:
“Ik maak nu 5 auto’s een consignatie briefje van dat die auto van jullie zijn”,in een Whatsapp-conversatie die duidelijk betrekking heeft op de Volkswagen
.
5.2
Gelet op al het voorgaande, ook in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat sprake is van zoveel ongerijmdheden, onduidelijkheden en uiterst vage toelichtingen van de kant van [appellanten] , dat moet worden geconcludeerd dat [appellanten] hun stelling dat zij op het moment van de inbeslagname eigenaar waren van de auto’s onvoldoende hebben onderbouwd.
5.21
[appellanten] hebben aangevoerd dat men in de autowereld waarin zij opereerden op een bepaalde manier zaken werd gedaan. Daarbij werden (mondeling) afspraken gemaakt over door een autohandelaar te verkopen auto’s en werden auto’s overgedragen terwijl de koopprijs pas betaald hoefde te worden als de handelaar de auto’s zelf had doorverkocht. Ook kwam het veelvuldig voor dat tenaamstellingen plaatsvonden die niet correspondeerden met de eigendom en consignatie-overeenkomsten en facturen data vermeldden die niet logisch lijken. Het hof overweegt hierover dat voor zover het zo zou zijn dat [appellanten] door een bepaalde manier van zaken doen niet voldoende kan onderbouwen dat zij op 28 september 2021 juridisch eigenaar waren van de auto’s, dat voor rekening en risico van [appellanten] komt.
5.22
Voor zover [appellanten] bewijsaanbiedingen heeft gedaan, gaat het hof daaraan voorbij omdat deze geen betrekking hebben op voldoende onderbouwde stellingen die, als zij worden bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel.
Conclusie en proceskosten
5.23
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.
5.24
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 2.352,- (1 punt × tarief IV)
nasalaris € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.716,-
5.25
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

6.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2024;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 4.716,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nasalaris van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, J.E.H.M. Pinckaers en R.S. Le Poole en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 aanwezigheid van de griffier.