ECLI:NL:GHDHA:2026:359

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
22-000629-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking grieven door partijen

In deze strafzaak tegen de verdachte heeft het gerechtshof Den Haag op 18 februari 2026 het hoger beroep behandeld. Tijdens de zitting heeft de verdediging namens de verdachte kenbaar gemaakt dat de grieven tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam niet langer worden gehandhaafd. De verdachte gaf aan dat de lange duur van de procedure en het ontbreken van voldoende perspectief op een minder verstrekkende maatregel hiervoor de reden zijn.

Ook de advocaat-generaal heeft namens het Openbaar Ministerie verklaard de grieven tegen het vonnis niet langer te handhaven en verzocht het hof om zowel de verdachte als het OM niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Het hof heeft, gelet op deze omstandigheden en artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ambtshalve besloten geen inhoudelijke behandeling van de zaak te verrichten.

Het hof verklaart daarom zowel de verdachte als het OM niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. B. Stapert, leden, op 18 februari 2026. Mr. J.W. van den Hurk kon het arrest niet medeondertekenen wegens afwezigheid.

Uitkomst: Verdachte en OM worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, waardoor het vonnis van de rechtbank ongewijzigd blijft.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000629-22
Parketnummer: 10-961591-19
Datum uitspraak: 18 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte en de officier van justitie in het hoger beroep
Na hervatting van de behandeling van het hoger beroep op de terechtzitting van 18 februari 2026 heeft de verdediging kenbaar gemaakt dat de grieven tegen het vonnis niet langer worden gehandhaafd en heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. De verdachte heeft kenbaar gemaakt dat de lange duur van de procedure en het ontbreken van voldoende perspectief op een voor hem minder verstrekkende maatregel daaraan ten grondslag liggen.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal op de terechtzitting van 18 februari 2026 kenbaar gemaakt dat ook de grieven van de officier van justitie tegen het vonnis niet langer worden gehandhaafd en heeft zij gevorderd zowel de officier van justitie als de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat zij haar standpunt ten aanzien van het OM-appel inneemt na de slachtoffers/benadeelde partijen dan wel hun advocaat daarover persoonlijk te hebben gesproken.
Het hof ziet in de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve evenmin redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.
Het hof zal, gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering, de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, en mr. J.W. van den Hurk en mr. B. Stapert, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. van Dam-Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 februari 2026.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.