ECLI:NL:GHDHA:2026:351

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BK-25/366 en BK-25/367
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste belastingaanslagen en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2020 en 2021, waarbij hij stelde dat de aanslagen onjuist waren en dat hij erop mocht vertrouwen dat hij de bij voorlopige aanslagen verleende teruggaven niet hoefde terug te betalen.

De Rechtbank Den Haag oordeelde dat de aanslagen correct waren vastgesteld op basis van de gegevens in de systemen van de Belastingdienst en dat belanghebbende geen bewijs had geleverd van onjuistheden of aanvullende loonheffingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat een voorlopige aanslag geen bindende toezegging inhoudt.

Belanghebbende stelde in hoger beroep geen nieuwe feiten of gronden aan, waardoor het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigde. De aanslagen zijn naar de juiste bedragen opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

De uitspraak is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag, waarbij de griffier aanwezig was. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de belastingaanslagen voor 2020 en 2021 correct zijn en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/366 en BK-25/367

Uitspraak van 13 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 april 2025, nummers SGR 24/2045 en SGR 24/2046.

Procesverloop

Jaar 2020 – BK-25/366
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.433 (de aanslag 2020). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 36 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
Jaar 2021 – BK-25/367
1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.725 (de aanslag 2021).
Beide jaren
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de voornoemde aanslagen en beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van eenmaal € 51. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2025. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is in de onderhavige zaken door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 26 november 2025 om 10.00 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 15 oktober 2025, 12:52 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd. De onderhavige zaken zijn ter zitting volgtijdelijk behandeld tezamen met het hoger beroep van [naam] , kenmerk BK-25/464 en BK-25/465, betreffende de door de Inspecteur aan haar opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende ontving in 2020 een WGA-uitkering van € 13.433 (met een ingehouden loonheffing van € 2.297) en in 2021 een WGA-uitkering van € 13.725 (met een ingehouden loonheffing van € 2.245).
2.2.
Belanghebbende heeft meerdere gewijzigde aangiften IB/PVV voor de jaren 2020 en 2021 ingediend en verzoeken gedaan tot wijziging van een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 en 2021. Daarbij heeft hij naast de hiervoor genoemde WGA-uitkeringen wisselende bedragen aan inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van [bedrijf] aangegeven, alsmede daarop ingehouden loonheffing.
2.3.
Met dagtekening 24 september 2021 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 opgelegd conform een ingediende aangifte IB/PVV 2020 naar een te ontvangen bedrag van € 3.378 (inclusief € 26 vergoede belastingrente).
2.4.
Met dagtekening 8 april 2023 is de definitieve aanslag IB/PVV 2020 in afwijking van de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 13.433 en een te verrekenen loonheffing van € 2.297. De verschuldigde belasting bedraagt nihil. Aangezien bij de voorlopige aanslag een teruggave is verleend van € 3.352, volgt uit de definitieve aanslag IB/PVV 2020 een te betalen bedrag van € 3.388 (€ 3.352 vermeerderd met € 36 te betalen belastingrente).
2.5.
Met dagtekening 22 oktober 2021 is een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aanvraag voor het opleggen van een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 naar een te ontvangen bedrag van € 2.259. Met dagtekening 18 februari 2022 is een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 2.032. In zijn laatst ingediende aangifte IB/PVV 2021 heeft belanghebbende een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 13.725 aangegeven met een ingehouden loonheffing van € 5.245.
2.6.
De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is met dagtekening 13 april 2023 in afwijking van de aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 13.725 en een te verrekenen loonheffing van € 2.245. De definitieve aanslag IB/PVV 2021 resulteert in een te betalen bedrag van € 236.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“8. In geschil is of de aanslagen naar een juist bedrag zijn vastgesteld en of eiser erop mocht vertrouwen dat hij de bij voorlopige aanslagen verleende teruggaven niet hoeft terug te betalen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen naar de juiste bedragen vastgesteld. Bij de aanslagoplegging is uitgegaan van de loongegevens zoals deze zijn opgenomen in de systemen van de Belastingdienst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze gegevens onjuist zijn en dat meer loonheffingen zijn ingehouden op zijn WGA-uitkering of dat hij naast de WGA-uitkering ook inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten waarop loonheffingen zijn ingehouden. Hij heeft hiertoe geen enkel stuk overgelegd.
10. De stelling van eiser dat de Belastingdienst heeft toegezegd dat eiser niks hoeft terug te betalen en geld terugkreeg, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet. Verweerder heeft de voorlopige aanslagen opgelegd conform de door eiser in zijn aangifte of aanvraag van een voorlopige aanslag verstrekte gegevens. Verweerder kan indien het aangegeven inkomen niet juist is, bij de vaststelling van de definitieve aanslag afwijken van de voorlopige opgelegde aanslag. Anders dan eiser kennelijk veronderstelt, is de enkele vaststelling van een voorlopige aanslag, waarbij wordt uitgegaan van de door eiser ingediende gegevens, geen standpuntbepaling van verweerder waaraan enig vertrouwen kan worden ontleend. Dat op een andere manier een toezegging is gedaan door de Belastingdienst waaraan eiser een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat hij de bij voorlopige aanslagen verleende teruggaven niet hoeft terug te betalen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2023:704).
11. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente in de aanslag IB/PVV 2020 naar een onjuist bedrag is vastgesteld.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard..”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Evenals voor de Rechtbank is in geschil of de onderhavige aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd. Daarbij gaat het met name om de vraag of het vertrouwensbeginsel is geschonden.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslag 2020 en de aanslag 2021 overeenkomstig de laatst ingediende aangiften en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Nu belanghebbende in hoger beroep geen gronden, feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een nieuw of ander licht op de zaak (kunnen) werpen, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld, alsmede dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt (vgl. HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996, r.o. 3.3). Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden als vermeld onder r.o. 9 en r.o. 10 tot de zijne.
Slotsom
5.2.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.
De griffier, de voorzitter,
A.S.H.M. Strik Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 13 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.