ECLI:NL:GHDHA:2023:704
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag inkomstenbelasting 2019 ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2019 een definitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van € 24.164, waarbij loonheffing van € 3.358 werd verrekend. Zij maakte bezwaar tegen deze aanslag, dat door de Inspecteur werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
In hoger beroep stond centraal of de aanslag terecht was vastgesteld en of het vertrouwensbeginsel was geschonden. Belanghebbende stelde dat zij op grond van toezeggingen van een medewerker van de Belastingdienst mocht vertrouwen op de juistheid van haar aangifte en de voorlopige aanslagen, en dat de aanslag daarom verminderd moest worden conform haar aangifte.
Het Hof oordeelde dat een voorlopige aanslag in beginsel geen vertrouwen schept en dat geen sprake was van een bindende, uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging door de Inspecteur. Belanghebbende kon de inhoud en datum van het vermeende gesprek niet aannemelijk maken en had geen juiste en volledige informatie verstrekt. Bovendien was een derde die de aangifte invulde niet bevoegd om namens de Belastingdienst toezeggingen te doen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de aanslag inkomstenbelasting 2019 terecht is vastgesteld en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.