Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 3 maart 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
“OMSCHRIJVING REGISTERGOED
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende kocht een recreatiewoning en betaalde overdrachtsbelasting tegen het hoge tarief van 10,4%. Zij stelde dat zij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zou gebruiken en vorderde toepassing van het verlaagde tarief van 2%. De Rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde dat de woning haar centrale levensplaats is.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Belanghebbende verbleef slechts twee dagen per week op haar hoofdadres waar zij ook vrijwilligerswerk doet en sociale contacten onderhoudt. De overige dagen verbleef zij in de recreatiewoning, maar zij kon zich niet inschrijven op dat adres en permanente bewoning was niet toegestaan. De door haar overgelegde bankafschriften toonden vooral weekenduitgaven, wat eerder duidt op recreatief gebruik.
Het Hof overwoog dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat de vrije bewijsleer geldt. De betrokkenheid bij de coöperatie en het lidmaatschap daarvan zijn onvoldoende om het hoofdverblijf aan te nemen. Het feit dat belanghebbende haar hoofdverblijf op het gehuurde adres handhaafde en haar sociale en economische belangen daar liggen, leidde tot de conclusie dat het verlaagde tarief niet van toepassing is.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verlaagde overdrachtsbelastingtarief wordt niet toegepast omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt.