ECLI:NL:GHDHA:2026:320

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.354.256/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 RvArt. 6:51 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot zekerheid voor proceskosten wegens vestiging in Thailand toegewezen

In deze civiele procedure vordert [geïntimeerde 1] c.s. zekerheid voor de proceskosten van Pegasus, omdat Pegasus inmiddels in Thailand is gevestigd en geen woonplaats meer in Nederland heeft. Pegasus is oorspronkelijk eiser in hoger beroep en heeft een vordering ingesteld tegen [geïntimeerde 1] c.s. over een aannemingsovereenkomst voor woningverbouwing.

De rechtbank wees de vorderingen van Pegasus af en veroordeelde haar tot betaling aan [geïntimeerde 1] c.s. Beide partijen gingen in hoger beroep. In dit incident vordert [geïntimeerde 1] c.s. zekerheid voor proceskosten en mogelijke schadevergoeding, stellende dat Pegasus geen vermogensbestanddelen meer in Nederland heeft en de verhaalsmogelijkheden daardoor beperkt zijn.

Pegasus erkent haar buitenlandse vestiging maar beroept zich op een uitzondering dat zekerheidstelling haar toegang tot de rechter zou belemmeren, onderbouwt dit echter onvoldoende. Het hof oordeelt dat Pegasus verplicht is zekerheid te stellen en wijst de vordering toe tot een bedrag van €7.108,-, te storten op de derdengeldenrekening van de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. De termijn voor zekerheidstelling is twee weken, met niet-ontvankelijkheid als sanctie.

De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Het hof verwijst de zaak naar de rol voor verdere behandeling van het incidenteel appel.

Uitkomst: Het hof beveelt Pegasus zekerheid te stellen voor €7.108,- binnen twee weken, bij niet-naleving volgt niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.354.256/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/661722 / HA ZA 24-175
Arrest van 3 februari 2026 in het incident ex artikel 224 Rv Pro
in de zaak van
Projectontwikkeling Pegasus Delft B.V.,
zonder vestigingsplaats in Nederland,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in incidenteel appel,
verweerster in het incident,
advocaat mr. S.A. van Leeuwen, kantoorhoudend in Honselersdijk,
tegen
[geïntimeerde 1],
en
[geïntimeerde 2],
beiden wonend in [woonplaats],
geïntimeerden in principaal appel,
appellanten in incidenteel appel,
eisers in het incident,
advocaat mr. L.A. Uilkema, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna Pegasus en [geïntimeerde 1] c.s.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde 1] c.s. vordert in dit incident zekerheid voor de proceskosten, omdat appellante inmiddels in Thailand is gevestigd. Het hof wijst deze vordering toe.

2.Verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot dan toe verwijst het hof naar zijn arrest van 15 juli 2025. Bij dit arrest is een mondelinge behandeling na aanbrengen bevolen. Deze behandeling heeft op verzoek van partijen niet plaatsgevonden.
2.2
Het verdere verloop van procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de incidentele vordering ex artikel 224 Rv Pro, memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van [geïntimeerde 1] c.s., met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident van Pegasus.
2.3
Vervolgens is arrest in het incident bepaald.

3.Aanleiding voor dit incident

3.1
Het gaat in dit incident om het volgende.
3.2
[geïntimeerde 1] c.s. heeft met Pegasus in 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten voor het verbouwen en samenvoegen van twee woningen in [woonplaats].
3.3
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitvoering van de overeenkomst.
3.4
Pegasus heeft [geïntimeerde 1] c.s. gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde 1] c.s. zal veroordelen tot betaling van € 81.487,37 aan hoofdsom wegens een tekortkoming in de nakoming van zijn betalingsverplichting. [geïntimeerde 1] c.s. heeft op zijn beurt gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Pegasus tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en aansprakelijk is voor de door hem daardoor geleden schade, en Pegasus zal veroordelen tot betaling van € 55.681,03, € 35.244,20 en € 6.574,-.
3.5
Bij vonnis van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank de vordering van Pegasus afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. In reconventie heeft de rechtbank Pegasus veroordeeld tot betaling van € 10.686,84 aan [geïntimeerde 1] c.s. en in de proceskosten.
3.6
Van het vonnis van de rechtbank is zowel Pegasus als [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep gekomen. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] c.s. een incidentele vordering uit hoofde van artikel 224 Rv Pro ingesteld.

4.Vordering in incident

4.1
In het incident vordert [geïntimeerde 1] c.s. dat het hof Pegasus veroordeelt – kort weergegeven – tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan Pegasus in de onderhavige procedure veroordeeld zou kunnen worden, door middel van een bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank, althans tot het stellen van afdoende zekerheid op een zodanige door het hof in goede justitie te bepalen wijze dat [geïntimeerde 1] c.s. zijn proceskosten en schadevergoeding daarop zonder moeite zal kunnen verhalen. [geïntimeerde 1] c.s. vordert dat het hof het bedrag van de te stellen zekerheid bepaalt op ten minste € 77.600,26, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.
4.2
Pegasus concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering en subsidiair tot vaststelling van het door Pegasus aan zekerheid te stellen bedrag op € 4.147,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten.

5.Beoordeling van de vordering in incident

5.1
Allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen in een geding alhier, zijn verplicht om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden (artikel 224 lid 1 Rv Pro). Dit uitgangspunt is op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in hoger beroep alleen de oorspronkelijk eiser die ook principaal hoger beroep heeft ingesteld, kan worden verplicht tot het stellen van zekerheid (artikel 353 lid 2 Rv Pro). Pegasus is oorspronkelijk eiser die ook principaal hoger beroep heeft ingesteld.
5.2
[geïntimeerde 1] c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat hem uit een (als productie 1 overgelegd) uittreksel van de Kamer van Koophandel is gebleken dat Pegasus, haar bestuurder en de natuurlijke bestuurder zich inmiddels hebben laten inschrijven op een adres in Thailand, en dat moet worden geconstateerd dat Pegasus in Thailand is gevestigd en geen vermogensbestanddelen in Nederland meer heeft. Ook wijst [geïntimeerde 1] c.s. op het feit dat Pegasus heeft aangegeven dat het project voor [geïntimeerde 1] c.s. het laatste project was dat Pegasus zou uitvoeren, zodat er nu naar alle waarschijnlijkheid geen vermogen zal zitten in Pegasus. Bovendien leidt [geïntimeerde 1] c.s. uit het KVK-uittreksel af dat Pegasus haar activiteiten per 28 februari 2025 heeft gestaakt en dat de inschrijving van haar bestuurder wegens opheffing van de vestiging ambtshalve is doorgehaald. Om deze redenen is de verhaalsmogelijkheid en de executie van het arrest en het vonnis illusoir geworden, aldus [geïntimeerde 1] c.s. Volgens hen is al gebleken dat Pegasus niet vrijwillig voldoet aan het vonnis en is de kans klein dat Pegasus zal voldoen aan een mogelijke veroordeling in hoger beroep.
5.3
Pegasus betwist niet dat zij nu geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland en in beginsel zekerheid dient te stellen. Zij beroept zich echter op de uitzondering van artikel 224 lid Pro 2, aanhef en onder d, Rv. Hierin is bepaald dat er geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien daardoor, voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd, de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd. Zij stelt dat het voor [geïntimeerde 1] c.s. duidelijk was dat Pegasus haar bedrijfsactiviteiten zou staken na de opdracht bij [geïntimeerde 1] c.s. en dat het geen verrassing voor hem is dat Pegasus de afgelopen twee en een half jaar geen enkele vorm van inkomsten heeft gehad en de vennootschap alleen nog bestaat in verband met deze procedure. De kosten van de procedure worden betaald via een lening uit het privévermogen van de (natuurlijke) bestuurder van Pegasus. Indien zij zekerheidstelling – in welke vorm dan ook – moet geven, moet ze dat geleende geld gebruiken en heeft zij geen geld meer voor het betalen van haar advocaat. Vanwege het ontbreken van inkomen is het verder ook voor [geïntimeerde 1] c.s. duidelijk geweest dat Pegasus niet door de kredietwaardigheidstoets van een bank zal kunnen komen, en is het daarom ook onmogelijk voor haar om de gevorderde bankgarantie door een Nederlandse bank te doen stellen. Deze omstandigheden, gecombineerd met de hoogte van het door [geïntimeerde 1] c.s. gevorderde bedrag aan zekerheid, maken volgens Pegasus dat de vordering tot zekerheidsstelling alleen wordt gebruikt (misbruikt) om het door haar ingestelde rechtsmiddel te ontnemen, omdat het niet tijdig kunnen stellen van die zekerheid leidt tot niet-ontvankelijkheid van Pegasus in haar vorderingen in hoger beroep.
5.4
Het hof overweegt hierover als volgt.
5.5
Pegasus heeft niet weersproken – en heeft in wezen erkend – dat zij nu geen woonplaats of gewone verblijfplaats (vestigingsplaats) in Nederland heeft en ook het door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde KVK-uittreksel houdt daarvoor een aanwijzing in, zodat het hof daarvan uitgaat. Ook heeft Pegasus een vordering bij een Nederlandse rechter (dit hof) ingesteld. Daarmee voldoet de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. tot het stellen van zekerheid aan de vereisten van artikel 224 lid 1 Rv Pro.
5.6
Het beroep van Pegasus op de uitzondering van artikel 224 lid Pro 2, aanhef en onder d, Rv faalt. Pegasus heeft weliswaar gesteld dat zij de afgelopen twee en een half jaar geen inkomen heeft gehad en dat zij deze rechtszaak bekostigt via een lening van haar bestuurder, maar heeft dit niet onderbouwd met (concrete) gegevens. Pegasus heeft evenmin inzicht gegeven in haar huidige financiële situatie. Pegasus heeft daarom onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat dat door het stellen van zekerheid haar de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.
5.7
De vordering tot zekerheidsstelling leent zich dus in beginsel voor toewijzing.
5.8
Pegasus voert echter terecht aan dat op de voet van artikel 224 Rv Pro geen zekerheidstelling kan worden gevorderd voor de onbetaald gebleven proceskosten (ten belope van € 5.507,-) waarin Pegasus in eerste aanleg is veroordeeld. [1] Dat geldt ook voor de door [geïntimeerde 1] c.s. in reconventie gevorderde (en door de rechtbank tot € 10.686,84 toegewezen) schadevergoeding.
5.9
[geïntimeerde 1] c.s. gaat voor de proceskosten in hoger beroep uit van een bedrag van € 6.070,- dat hij niet nader heeft onderbouwd. Pegasus heeft zich op het standpunt gesteld dat het als zekerheid te stellen bedrag maximaal € 4.147,- bedraagt.
5.1
Het hof overweegt dat de verplichting tot zekerheidsstelling bestaat voor de te liquideren proceskosten in hoger beroep. Het hof neemt daarom voor de begroting van dit incident € 1.290,- in aanmerking (1 punt, tarief II) en voor de memorie van antwoord en de mondelinge behandeling € 4.704,- (2 punten, tarief IV). Het hof neemt verder € 189,- aan nakosten in aanmerking en € 98,- aan kosten bij te late betekening. Ook het op € 827,- bepaalde griffierecht wordt bij de zekerheidstelling in aanmerking genomen. De vordering tot het stellen van de zekerheid is daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 7.108-.
5.11
Pegasus heeft aangevoerd dat het voor haar onmogelijk zal zijn om de door [geïntimeerde 1] c.s. gevorderde bankgarantie te doen stellen in verband met het feit dat zij niet door de kredietwaardigheidstoets van een bank zal kunnen komen. Zij heeft dan ook verzocht haar toe te staan om zekerheid te stellen door het bedrag te storten op de derdengeldenrekening van haar advocaat, dan wel op de derdengeldenrekening van de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s., onder de ontbindende voorwaarde dat [geïntimeerde 1] c.s. bij een in kracht van gewijsde gegaan eindvonnis niet gerechtigd is tot het incasseren van het bedrag.
5.12
Het hof overweegt dat het stellen van zekerheid in de vorm van het storten van een bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. voldoet aan de eisen van artikel 6:51 BW Pro. Pegasus heeft geen verweer gevoerd tegen de door [geïntimeerde 1] c.s. gevorderde termijn van twee weken waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld, zodat het hof zal uitgaan van die termijn.
5.13
De conclusie is dat de incidentele vordering tot het stellen van zekerheid van [geïntimeerde 1] c.s. zal worden toegewezen tot een bedrag van € 7.108,-. Het hof zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • beveelt dat Pegasus zekerheid stelt voor een bedrag van € 7.108,- voor de proceskosten waarin zij in deze zaak (waaronder het onderhavige incident) kan worden veroordeeld, door storting van dit bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s;
  • bepaalt dat Pegasus deze zekerheid uiterlijk binnen twee weken na de datum van dit arrest, dus uiterlijk op 17 februari 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Pegasus in de hoofdzaak, moet zijn gesteld;
  • houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;
  • wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 17 maart 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, C.A. Joustra en H.J. van Harten en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, r.o. 3.2.3.