Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 28 februari 2025, waarmee Woonfonds in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 28 november 2024;
- de memorie van grieven van Woonfonds, met bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
- ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de huurachterstand van € 3.817,22, plus € 339,50 aan rente over dit bedrag, en verder te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.817,22 vanaf de dag van dagvaarding tot volledige voldoening;
- veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 559,25 plus € 117,44 aan BTW;
- veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.153,34 per maand (te vermeerderen met de wettelijk toegestane huurverhoging), te rekenen vanaf 1 oktober 2024, zolang [geïntimeerde] de woning niet heeft ontruimd.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
“voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is”. Dat betekent dat als deze wet en dit besluit wel van toepassing zijn, het beding niet geldt. Dat brengt mee dat Woonfonds alleen een beroep kan doen op artikel 25.2 als de huurder in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, en niet als de huurder een ‘consument’ is (want dan zijn de wet en het besluit van toepassing). [geïntimeerde] is consument-huurder en daarom heeft Woonfonds in deze zaak op grond van artikel 25.2 geen recht op volledige vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Dat geldt ook voor de volledige vergoeding van de kosten die in rechte zijn gemaakt. Omdat het beding niet van toepassing is op [geïntimeerde], kan het dus ook geen oneerlijk beding jegens hem zijn.
7.Beslissing
en opnieuw rechtdoende:
- ontbindt de huurovereenkomst ter zake van de woning aan de [adres] te Papendrecht en veroordeelt [geïntimeerde] om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het arrest de woning te ontruimen met de zijnen en al het zijne, onder afgifte van de sleutels, en ter vrije beschikking van Woonfonds te stellen;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Woonfonds van een bedrag van € 16.014,40 (achterstallige huur tot en met april 2025);
- veroordeelt [geïntimeerde] daarnaast tot betaling aan Woonfonds van een bedrag van € 339,50 aan rente, en tot betaling van de wettelijke rente over € 3.817,22 vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg (30 september 2024) tot de dag van algehele voldoening van het bedrag van € 3.817,22;
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan Woonfonds te betalen een bedrag van € 1.153,34 per maand (te vermeerderen met de wettelijk toegestane huurverhoging) vanaf 1 mei 2025 tot en met de maand waarin de woning wordt ontruimd;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 676,69;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van Woonfonds begroot op € 1.246,72 en van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Woonfonds begroot op € 2.442,71;
- bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,00;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.