ECLI:NL:GHDHA:2026:3

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.343.930/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over gezag van gewijsde na afwijzing vordering in verzetprocedure

In deze zaak staat de vraag centraal of de vordering van de appellant opnieuw aan het hof kan worden voorgelegd, nadat deze in een verzetprocedure door de kantonrechter is afgewezen. Het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat dit niet mogelijk is, omdat het gezag van gewijsde van het verzetvonnis van de kantonrechter hieraan in de weg staat. De appellant, zonder vaste woon- of verblijfplaats, had in hoger beroep beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, waarin het Waarborgfonds was veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de appellant. Na verzet door het Waarborgfonds werd het verstekvonnis vernietigd en de vordering van de appellant afgewezen. Het hof bevestigt dat het verzetvonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dat de appellant geen grief heeft ingediend tegen deze beslissing. Hierdoor kan het Waarborgfonds zich beroepen op het gezag van gewijsde in de huidige procedure. Het hof concludeert dat de vordering van de appellant tot terugbetaling van het betaalde bedrag aan het Waarborgfonds wordt afgewezen, en dat de appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak van de kantonrechter wordt bekrachtigd, en de appellant wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.930/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10792419 RL EXPL 23-18852
Arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
zonder vaste woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,
appellant,
advocaat: mr. M. Goedhart, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
Stichting Waarborgfonds Motorverkeer,
gevestigd in Rijswijk,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.F. Schepel, kantoorhoudend in Deventer.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en het Waarborgfonds.

1.De zaak in het kort

1.1
In deze zaak staat de vraag centraal of de vordering van [appellant] (opnieuw) aan het hof kan worden voorgelegd, nadat die vordering in een verzetprocedure door de kantonrechter is afgewezen. Dat is niet het geval. Het door het Waarborgfonds ingeroepen gezag van gewijsde van het verzetvonnis van de kantonrechter staat hieraan in de weg.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 11 juli 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2024 (hierna: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van [appellant] ;
  • de memorie van antwoord van het Waarborgfonds.
2.2
Op 25 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Goedhart aan de hand van pleitaantekeningen die hij heeft overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 21 april 2022 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 19.168,59, met rente, in verband met een door [appellant] gesteld schade-incident aan zijn auto op of omstreeks 26 juni 2020 (hierna: het verstekvonnis).
3.2
Het Waarborgfonds is op 15 juni 2022 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.
3.3
Nadat door [appellant] executoriaal beslag onder de bank van het Waarborgfonds is gelegd, heeft het Waarborgfonds op 22 juni 2022 een bedrag van € 21.395,34 aan de executerende deurwaarder voldaan.
3.4
In de verzetprocedure is het Waarborgfonds bij vonnis van 9 maart 2023 (hierna: het verzetvonnis) in het gelijk gesteld en is het verstekvonnis vernietigd. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] alsnog afgewezen. Het Waarborgfonds is niet-ontvankelijk verklaard in de bij akte vermeerdering van eis ingestelde vordering tot terugbetaling, omdat deze te laat in de procedure aanhangig was gemaakt. Tegen het verzetvonnis is geen hoger beroep ingesteld.
3.5
Het Waarborgfonds heeft tevergeefs geprobeerd het op grond van het verstekvonnis betaalde bedrag van [appellant] terug te vorderen.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Het Waarborgfonds heeft [appellant] gedagvaard en (na eisvermeerdering) in conventie gevorderd dat de kantonrechter [appellant] zal veroordelen om - uitvoerbaar bij voorraad - tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan het Waarborgfonds een bedrag van € 22.713,19 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 22.024,89 vanaf 8 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de werkelijke kosten van de procedure en de buitengerechtelijke incassokosten.
4.2
Het Waarborgfonds heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat uit het verzetvonnis volgt dat [appellant] geen recht op betaling heeft, zodat het onder 3.3 genoemde bedrag onverschuldigd is betaald. Het Waarborgfonds beroept zich op het gezag van gewijsde van (de beslissingen in) het verzetvonnis. Het Waarborgfonds heeft in deze procedure alsnog terugbetaling gevorderd, omdat zij daarmee in de verzetprocedure te laat was.
4.3
[appellant] heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat (i) hij tegen het Waarborgfonds een recht op een schadevergoeding geldend kan maken van € 17.207,18, naar aanleiding van het schade-incident van 26 juni 2020, (ii) het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [appellant] gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 1.004,30 met betrekking tot het schade-incident en (iii) het Waarborgfonds aansprakelijk is voor de door [appellant] gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van € 957,11.
4.4
[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij op grond van artikel 25 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen aanspraak heeft op een schadevergoeding van het Waarborgfonds.
4.5
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het beroep van het Waarborgfonds op het gezag van gewijsde van het verzetvonnis slaagt. Volgens de kantonrechter is de reconventionele vordering van [appellant] in deze procedure gebaseerd op dezelfde grondslag als die in de verstekprocedure. In het onherroepelijk geworden verzetvonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] alsnog afgewezen omdat [appellant] de toedracht van het door hem gestelde schade-incident onvoldoende had onderbouwd. Als [appellant] zich daarin niet kon vinden, had het op zijn weg gelegen om tegen het verzetvonnis hoger beroep in te stellen. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Dat betekent dat de beslissing zoals deze in de verzetprocedure is gegeven bindende kracht heeft. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat er een rechtsgrond bestond voor de door het Waarborgfonds aan hem verrichte betaling. Bij gebrek aan een rechtsgrond voor de betaling, is het Waarborgfonds gerechtigd om het bedrag als onverschuldigd betaald terug te vorderen. De kantonrechter heeft de hoofdvordering van het Waarborgfonds toegewezen en [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn reconventionele vorderingen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. In reconventie is [appellant] veroordeeld in de werkelijke proceskosten, omdat hij naar het oordeel van de kantonrechter misbruik van recht heeft gemaakt door het instellen van een vordering waarvan hij op voorhand had moeten weten dat deze kansloos zou zijn. De kantonrechter heeft de werkelijke proceskosten begroot op de helft van het totale bedrag dat het Waarborgfonds aan proceskosten heeft opgevoerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de conventionele vorderingen van het Waarborgfonds alsnog afwijst en de reconventionele vorderingen van [appellant] alsnog toewijst, met veroordeling van het Waarborgfonds tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan, met veroordeling van het Waarborgfonds in de kosten van de procedure in beide instanties. [appellant] wenst met vier bezwaren (‘grieven’) het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Kort gezegd, is hij van mening dat het verzetvonnis berust op een feitelijke misslag, waardoor een beroep op dit vonnis is aan te merken als misbruik van recht.
5.2
Het Waarborgfonds concludeert dat het hof het hoger beroep van [appellant] ongegrond verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

Gezag van gewijsde verzetvonnis

6.1
Het hof stelt voorop dat vaststaat dat het verzetvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de beslissing van de kantonrechter dat dit betekent dat het Waarborgfonds zich in deze procedure kan beroepen op het gezag van gewijsde van de daarin opgenomen beslissingen. Daarop stuit het hoger beroep af.
6.2
Het hof is overigens van oordeel dat het oordeel van de kantonrechter juist is en overweegt daartoe als volgt. Art. 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen een zelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. [1] Het verzetvonnis voldoet aan deze vereisten: het is in kracht van gewijsde gegaan, het is gewezen tussen [appellant] en het Waarborgfonds - dezelfde partijen als in het onderhavige hoger beroep - en daarin is beslist over het geschilpunt dat ook in het onderhavige hoger beroep speelt, namelijk de vraag of [appellant] tegen het Waarborgfonds een recht op een schadevergoeding geldend kan maken naar aanleiding van het door [appellant] gestelde schade-incident van 26 juni 2020. Op grond van het gezag van gewijsde heeft het verzetvonnis tussen partijen dus bindende kracht.
6.3
Gelet op het vorenstaande ten overvloede overweegt het hof dat [appellant] in grief I heeft betoogd dat het verzetvonnis berust op een feitelijke misslag. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit argument, omdat dit (ook als dit klopt) niet kan afdoen aan het oordeel over het gezag van gewijsde van het verzetvonnis. Als [appellant] van mening was dat het verzetvonnis berustte op een feitelijke misslag, had hij daartegen hoger beroep moeten instellen. Dit betekent dat een beroep op de beslissingen in dat vonnis niet kan worden aangemerkt als misbruik van recht. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
6.4
[appellant] heeft op de zitting in hoger beroep (voor het eerst) verklaard dat hij niet in hoger beroep is gegaan van het verzetvonnis omdat hij pas met het bestaan ervan bekend is geraakt toen de appeltermijn al was verstreken. Hij is in februari 2023 namelijk naar het buitenland verhuisd. Ook dit kan niet afdoen aan het gezag van gewijsde van het verzetvonnis. Dit geldt te meer omdat [appellant] , blijkens zijn aanwezigheid op de mondelinge behandeling van 25 oktober 2022, wist van de verzetprocedure. Het was zijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat hij op de hoogte raakte van de uitspraak.
6.5
Dit betekent dat grief I van [appellant] faalt. Grief II is gericht tegen de proceskosten in conventie en faalt daarmee ook.
Werkelijke proceskosten reconventionele vordering
6.6
[appellant] komt met grief III op tegen zijn veroordeling in de werkelijke kosten van het Waarborgfonds in de procedure in reconventie en de hoogte ervan.
6.7
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat [appellant] op voorhand had moeten weten dat het instellen van de reconventionele vordering (gezien het gezag van gewijsde van het verzetvonnis) geen kans van slagen had, te meer omdat hetzelfde geschilpunt ook al voorlag in conventie. De veroordeling van [appellant] in de werkelijke kosten van de procedure in reconventie is dan ook terecht.
6.8
De vorderingen in conventie en reconventie zijn in feite elkaars spiegelbeeld. Het is daarom redelijk de advocaatkosten gelijkelijk toe te rekenen aan de conventie en de reconventie. Dat geldt niet alleen voor de reistijd en het bijwonen van de zitting, maar ook voor de eis in conventie en het verweer in reconventie. Een halvering van de door het Waarborgfonds opgevoerde werkelijke kosten (zoals de kantonrechter heeft gedaan) ligt daarom voor de hand. Vijftien uur in totaal voor deze zaak is wellicht ruim, maar – mede gezien het feit dat mr. Schepel voor de zitting uit Deventer naar Den Haag moest komen – niet onredelijk. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de beslissing van de kantonrechter op dit punt.
6.9
Daarmee falen ook grieven III en IV.
Conclusie en proceskosten
6.1
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Dat betekent dat de vordering van [appellant] tot terugbetaling van hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis al heeft voldaan aan het Waarborgfonds zal worden afgewezen. Het hof zal het vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.11
Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van het Waarborgfonds op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 3.142,- (2 punten × tarief III)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 5.495,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2024;
  • wijst af de vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van 11 april 2024 aan het Waarborgfonds heeft betaald;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van het Waarborgfonds begroot op € 5.495,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskosten betreft.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, H.J. van Kooten en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099.