ECLI:NL:GHDHA:2026:298

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
200.356.317/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 987 RvArt. 1075 RvArt. 1076 RvArt. 985 RvArt. 986 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing erkenning en tenuitvoerlegging buitenlands arbitraal vonnis wegens niet correcte oproeping

KT Star verzoekt het Gerechtshof Den Haag om erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis uit Genève, waarbij EMG is veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 20 miljoen plus rente. EMG is niet verschenen op het verhoor en is niet correct opgeroepen volgens artikel 987 Rv Pro en het Haags Betekeningsverdrag.

De oproeping van EMG vond plaats via het openbaar ministerie in Nederland, dat het exploot aan de centrale autoriteit van Egypte moest betekenen. Deze centrale autoriteit heeft echter niet gereageerd, waardoor niet is voldaan aan de vereisten van artikel 15 lid 1 Haags Pro Betekeningsverdrag. Andere vormen van kennisgeving, zoals per aangetekende post en e-mail, zijn niet toereikend.

Omdat de termijn tussen toezending aan de centrale autoriteit en het verhoor minder dan zes maanden bedroeg, is ook niet voldaan aan artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag. Het hof beveelt daarom een nieuwe oproeping en stelt een nieuw verhoordatum vast, waarbij de toewijsbaarheid van het verzoek opnieuw zal worden beoordeeld.

De procedure wordt aangehouden totdat aan de oproepingsvereisten is voldaan, zodat EMG de mogelijkheid krijgt zich te verweren. Het hof benadrukt dat de oproeping moet voldoen aan de wettelijke en internationale voorschriften om rechtsgeldige tenuitvoerlegging mogelijk te maken.

Uitkomst: Beslissing op verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging wordt aangehouden wegens niet correcte oproeping van de wederpartij.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.356.317/01
Beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van
KT Star S.A.E.,
gevestigd in Caïro, Egypte,
verzoekster,
advocaat: mr. J.C. Tomson, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
East Mediterranean GAS S.A.E.,
gevestigd in Caïro, Egypte,
verweerster,
niet verschenen.
Het hof noemt partijen hierna KT Star en EMG.

1.De zaak in het kort

1.1
KT Star verzoekt het hof verlof om een tussen haar en EMG gewezen buitenlands arbitraal vonnis in Nederland te erkennen en ten uitvoer te leggen.
1.2
EMG is niet behoorlijk opgeroepen voor het verhoor als geregeld in artikel 987 Rv Pro. Het hof houdt de beslissing op het verzoek daarom aan en beveelt KT Star om EMG op te roepen voor een nader verhoor.

2.Het procesverloop

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 24 juni 2025 bij de griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van KT Star, met bijlagen;
  • de akte houdende overlegging producties (8 tot en met 13), met bijlagen, ingekomen bij de griffie van het hof op 27 januari 2026;
  • het proces-verbaal van het verhoor als bedoeld in artikel 987 jo Pro. 1075 Rv gehouden op 5 februari 2026;
  • de akte houdende overlegging producties (14 tot en met 16), met bijlagen, ingekomen bij de griffie van het hof op 10 februari 2026.
2.2
Uitspraak is bepaald op heden.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
KT Star heeft tussen 18 oktober 2005 en 31 december 2012 op grond van een
Management Operation & Maintenance Contract(hierna: het MOM-contract) werkzaamheden voor EMG verricht in verband met een gaspijpleiding van EMG. De werkzaamheden van KT Star zijn opgeschort per 1 januari 2013. Partijen hebben daartoe een
Suspension Agreementondertekend, waarin EMG erkent een bedrag van USD 18.143.796 verschuldigd te zijn voor de door KT Star verrichte werkzaamheden, EMG zich verplicht dit bedrag, vermeerderd met een contractuele rente, te voldoen binnen zes maanden na ondertekening van de
Suspension Agreement, en EMG bij niet tijdige betaling een aanvullende betaling van USD 3,5 mio verschuldigd is.
3.2
EMG heeft niet aan haar betalingsverplichting voldaan.
3.3
Artikel 18.3 van het MOM-contract, dat is geïncorporeerd in artikel 7 van Pro de
Suspension Agreement, bevat een arbitrageregeling die inhoudt dat geschillen zullen worden beslecht via internationale arbitrage in Genève (Zwitserland) volgens de ICC Rules of Arbitration, met drie arbiters, en dat de procedure in het Engels wordt gevoerd.
3.4
KT Star heeft op 20 maart 2015 op grond van de arbitrageregeling in het MOM-contract een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het secretariaat van de International Court of Arbitration (hierna: de ICC) in Genѐve. De procedure is geregistreerd onder nummer 20931.
3.5
Gedurende de arbitrageprocedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten.
3.6
Op 28 november 2016 is in de procedure een
Award by Consentgewezen door het scheidsgerecht (hierna: het arbitraal vonnis). Bij het arbitraal vonnis, waarin de vaststellingsovereenkomst integraal is opgenomen, is EMG veroordeeld tot betaling van (een hoofdsom van) USD 20.000.000,- aan KT Star, vermeerderd met de contractuele rente indien de vordering niet voor 31 december 2016 zou zijn voldaan.
3.7
EMG heeft geen vernietigingsprocedure aanhangig gemaakt tegen het arbitraal vonnis en heeft tot op heden ook niet (vrijwillig) aan het arbitraal vonnis voldaan.
3.8
KT Star heeft ter verzekering van haar vordering met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 11 juni 2025 conservatoir derdenbeslag (onder EMED Pipeline B.V.) laten leggen ten laste van EMG.

4.Het verzoek en de bevoegdheid van het hof

4.1
KT Star verzoekt het hof om het arbitraal vonnis te erkennen en haar verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in Nederland, met veroordeling van EMG in de kosten. KT Star baseert haar verzoek primair op artikel 1075 Rv Pro, in verbinding met artikel III van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken van 10 juni 1958 (hierna: het Verdrag van New York), en subsidiair op artikel 1076 Rv Pro.
4.2
Op dit verzoek is het Verdrag van New York van toepassing, nu zowel Nederland als het land waar de arbitrage plaatsvond (Zwitserland) daarbij partij is. Op grond van artikel 1075 lid 2 Rv Pro is het hof absoluut bevoegd om kennis te nemen van het verzoek en zijn de artikelen 985-990 Rv van overeenkomstige toepassing, voor zover het Verdrag van New York geen afwijkende voorzieningen inhoudt. Nu KT Star ten laste van EMG conservatoir derdenbeslag heeft laten leggen onder een vennootschap die is gevestigd is in Den Haag (EMED Pipeline B.V.), wordt tenuitvoerlegging verlangd in het ressort Den Haag en is dit hof relatief bevoegd (artikel 985, derde volzin, Rv).
4.3
In het verzoekschrift heeft KT Star woonplaats gekozen binnen het ressort Den Haag (artikel 986 lid 1 Rv Pro). Het verzoekschrift voldoet daarmee aan de te stellen eisen.

5.Oproep voor het verhoor

5.1
Op grond van artikel 987 Rv Pro moet voor het verlenen van verlof de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd, worden opgeroepen voor verhoor (lid 1). Deze oproeping geschiedt door een vanwege de verzoeker uitgebracht deurwaardersexploot (lid 3).
5.2
De griffier van het hof heeft KT Star bij e-mailbericht van 10 juli 2025 geïnstrueerd EMG op te roepen bij deurwaardersexploot voor het verhoor op 5 februari 2026, om 13.30 uur.
5.3
KT Star heeft bij akte overlegging producties van 27 januari 2026 bewijzen van oproeping overgelegd.
5.4
EMG is niet verschenen op het verhoor van 5 februari 2026. Ter gelegenheid van het verhoor heeft het hof onder meer KT Star bevraagd over (het resultaat van) de oproeping van EMG voor het verhoor en KT Star in de gelegenheid gesteld recent ontvangen stukken te overleggen.
5.5
KT Star heeft bij akte overlegging producties van 10 februari 2026 nadere bewijzen van oproeping overgelegd.
5.6
EMG is gevestigd in Egypte. Egypte is partij bij het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken van 15 november 1965 (hierna: het Haags Betekeningsverdrag). Oproeping van EMG moet daarom in beginsel geschieden op de voet van artikel 55 lid 1 Rv Pro en ook moet uitvoering worden gegeven aan het Haags Betekeningsverdrag en de in dat kader vastgestelde uitvoeringswet (zie artikel 55 lid 2 Rv Pro).
5.7
Uit de door KT Star overgelegde bewijzen van oproeping blijkt het volgende:
Op 4 augustus 2025 is op verzoek van KT Star een deurwaardersexploot uitgebracht aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag (hierna: het OM) overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 lid 1 Rv Pro, waarbij EMG wordt opgeroepen voor het verhoor (mondelinge behandeling) van 5 februari 2026, om 13.30 uur, met het verzoek het exploot en de daarin genoemde stukken te (doen) betekenen aan EMG overeenkomstig de artikelen 3-6 Haags Betekeningsverdrag (hierna ook: het oproepingsexploot) (productie 8).
De deurwaarder heeft het oproepingsexploot op 6 augustus 2025 per aangetekende brief en per koerier verzonden aan EMG (producties 9 en 10).
De advocaat van KT Star heeft op 25 augustus 2025 de Nederlandse advocaat van een aandeelhouder van EMG verzocht het oproepingsexploot aan EMG door te sturen (productie 11).
Het OM heeft op 23 september 2025 een poststuk (aangetekend) verzonden aan de centrale autoriteit van Egypte; de centrale autoriteit van Egypte heeft daarop niets laten weten (producties 15 en 16).
De advocaat van KT Star heeft op 26 november 2025 het oproepingsexploot per e-mail verstuurd aan de advocaten die EMG hebben vertegenwoordigd in de arbitrageprocedure met het verzoek het door te sturen aan EMG (productie 12).
De advocaat van KT Star heeft op 27 november 2025 het oproepingsexploot per e-mail verstuurd aan Egyptische advocaten die EMG hebben vertegenwoordigd in gerechtelijke procedures in Egypte met het verzoek het door te sturen aan EMG (productie 13).
5.8
Of EMG behoorlijk is opgeroepen voor het verhoor van 5 februari 2026 moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 15 Haags Pro Betekeningsverdrag.
5.8.1
KT Star heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het oproepingsexploot door de centrale autoriteit van Egypte aan EMG is betekend of dat daarvan door deze autoriteit aan EMG is kennisgegeven. De centrale autoriteit van Egypte heeft, zo blijkt uit de correspondentie tussen de deurwaarder en het OM (productie 16), in het geheel niet gereageerd op het door het OM verzonden stuk. De verklaring van de centrale autoriteit van de aangezochte staat, zoals bedoeld in artikel 6 Haags Pro Betekeningsverdrag, ontbreekt dus. Dat betekent dat EMG niet overeenkomstig artikel 15 lid 1 onder Pro a Haags Betekeningsverdrag is opgeroepen voor het verhoor.
5.8.2
Egypte heeft op de voet van artikel 21 lid 2 onder Pro a Haags Betekeningsverdrag bij artikel 10 Haags Pro Betekeningsverdrag voorbehouden gemaakt. Hierdoor is de toezending van het oproepingsexploot op een andere wijze dan in artikel 15 lid 1 onder Pro a Haags Betekeningsverdrag is vermeld geen onder het Haags Betekeningsverdrag toegestane vorm van kennisgeving. De overige wijzen waarop het oproepingsexploot aan EMG is verzonden (per aantekende post, per koerier, per e-mail aan advocaten, vgl. artikel 15 lid 1 onder Pro b Haags Betekeningsverdrag) kunnen er dus niet toe leiden dat EMG geacht moet worden behoorlijk te zijn opgeroepen voor het verhoor.
5.8.3
Dit betekent dat EMG niet behoorlijk is opgeroepen voor het verhoor van 5 februari 2026.
5.9
Nu EMG niet is verschenen op het verhoor brengt artikel 15 lid 1 Haags Pro Betekeningsverdrag mee dat de beslissing op het verzoek van KT Star moet worden aangehouden. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag is namelijk niet voldaan. De periode tussen de toezending van het oproepingsexploot door het OM aan de centrale autoriteit van Egypte (23 september 2025) en het tijdstip van het verhoor (5 februari 2026) is minder dan zes maanden (artikel 15 lid 2 onder Pro b Haags Betekeningsverdrag; artikel 10 Uitvoeringswet Pro Betekeningsverdrag 1965 gaat van hetzelfde uit).
5.9.1
Het ter gelegenheid van het verhoor van 5 februari 2026 door de advocaat van KT Star gevoerde betoog dat er wel meer dan zes maanden zijn verstreken tussen het tijdstip van toezending en het tijdstip van het verhoor, omdat het exploot op 4 augustus 2025 aan het OM is betekend, wordt verworpen. Met ‘sedert het tijdstip van toezending van het stuk’ in artikel 15 lid 2 sub b Haags Pro Betekeningsverdrag wordt niet gedoeld op het moment waarop het exploot aan het OM wordt betekend overeenkomstig artikel 55 lid 1 Rv Pro, maar op het moment waarop het OM het ingevulde formulier toezendt aan de centrale autoriteit van de aangezochte staat. Daarvoor is redengevend dat uit de tekst van het Haags Betekeningsverdrag volgt dat met (het tijdstip van) ‘toezending van het stuk’ wordt gedoeld op het in lid 1 van dat artikel genoemde ‘stuk ter betekening of kennisgeving overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, [dat; hof] naar het buitenland moest worden verzonden’ en niet op de in nationaal recht voorgeschreven betekening van de stukken aan het OM (artikel 55 lid 1 Rv Pro). Een andere lezing van artikel 15 lid 2 sub b Haags Pro Betekeningsverdrag is niet verenigbaar met de doelstelling van het Haags Betekeningsverdrag (waarborgen dat een uitgebracht exploot degene voor wie het bestemd is, daadwerkelijk bereikt en zo tijdig dat deze nog de mogelijkheid heeft verweer te voeren. [1]
5.9.2
Ook de in de akte houdende overlegging van producties van 10 februari 2026, onder 7, verdedigde opvatting, die erop neerkomt dat het voor de toepassing van artikel 15 lid 2 Haags Pro Betekeningsverdrag aankomt op het bepalen van de tijd die is verstreken tussen het moment van toezending van het formulier door het OM aan de centrale autoriteit van de aangezochte staat en het moment van de beschikking, gaat niet op. Die opvatting valt evenmin te rijmen met de doelstelling van het Haags Betekeningsverdrag zoals overwogen in het slot van de vorige rechtsoverweging. Het gaat er immers om dat EMG voldoende tijd moet hebben om zich daadwerkelijk te kunnen verweren tegen het verzoek en het voeren van verweer kan niet later dan op het verhoor.
5.1
Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof op grond van het bepaalde in artikel 987 lid 4 Rv Pro in verbinding met artikel 1075 lid 2 Rv Pro en artikel 15 lid 1 Haags Pro Betekeningsverdrag de nadere oproeping van EMG zal bevelen voor het verhoor. Daartoe zullen tevens een nieuwe dag en tijd voor het verhoor worden bepaald. Het verhoor zal worden bepaald op een zodanige termijn dat voldaan kan worden aan de termijnen in artikel 15 lid 2 onder Pro b Haags Betekeningsverdrag en artikel 10 lid 1 onder Pro b Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965, zodat na het verstrijken van die termijn ook zonder bericht van de centrale autoriteit van Egypte bij niet-verschijnen van EMG op het verzoek zal kunnen worden beslist, mits aan alle voorwaarden van laatstgenoemde bepalingen is voldaan. De toewijsbaarheid van het verzoek komt bij het verhoor geheel opnieuw aan de orde, zodat KT Star het verzoek dan weer zal mogen toelichten en EMG zich daartegen zal mogen verweren.

6.Beslissing

Het hof:
  • beveelt KT Star om EMG op de bij de wet en het Haags Betekeningsverdrag voorgeschreven wijze op te roepen of te doen oproepen voor het hierna te noemen verhoor;
  • bepaalt dat een nader verhoor van het verzoek zal worden gehouden in een van de zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60, 2595 AJ te Den Haag, op 3 december 2026, om 13.30 uur;
  • bepaalt dat in de oproeping het zaaknummer van het hof (200.356.317/01) wordt vermeld, en dat (i) de wederpartij in de procedure moet worden vertegenwoordigd door een in Nederland ingeschreven advocaat en (ii) een verweerschrift kan worden ingediend, bij voorkeur ten minste veertien dagen voor de dag van het verhoor;
  • bepaalt dat bij de oproeping het op 26 juni 2025 bij de griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, en de akte overlegging producties van 10 februari 2026, zonder bijlagen, moet worden gevoegd;
  • bepaalt voor het geval dat EMG niet verschijnt dat KT Star de in artikel 987 lid 3 Rv Pro bedoelde bewijzen van oproeping ten minste vijf dagen voor de dag van het verhoor overlegt;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, J.J. van der Helm en F.M.A. Potter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7192, r.o. 2.2. Vgl. Hof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:3, r.o. 3.5 en HR 21 december 1984, NJ 1985, 465, r.o. 3.2.