ECLI:NL:GHDHA:2026:2463

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
200.369.723/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FaillissementswetArt. 6 lid 3 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing faillissementsverzoek tegen Na Brasa Kijkduin B.V. wegens betalingsonmacht

KOM en KROM, beide projectontwikkelaars, vorderden faillissement van Na Brasa Kijkduin B.V. nadat de rechtbank Den Haag hun verzoek had afgewezen. De vorderingen betreffen onder meer geldleningen en huurachterstanden die Na Brasa niet heeft voldaan. Na Brasa betwistte de vorderingen en stelde dat zij betaling opschortte vanwege niet nagekomen afspraken over een afzuigkanaal, essentieel voor de exploitatie van haar restaurant.

Het hof oordeelde dat de faillissementsprocedure geen ruimte biedt voor een diepgaand bewijsonderzoek, maar dat summierlijk moet blijken dat Na Brasa meerdere schuldeisers onbetaald laat en niet meer betaalt. Hoewel de huurachterstand van KROM betwist werd, werd het opeisbare vorderingsrecht van KOM uit hoofde van een geldlening van ruim €205.000,- niet betwist en onbetaald gelaten.

Daarnaast liet Na Brasa ook andere schuldeisers onbetaald, waaronder Collin Crowdfunding, Heineken en de gemeente Den Haag. Betalingsregelingen werden niet concreet aangetoond. Het hof concludeerde dat Na Brasa in staat van faillissement verkeert en vernietigde de eerdere beschikking, waarna het faillissement werd uitgesproken en een curator werd benoemd.

Uitkomst: Het faillissementsverzoek tegen Na Brasa Kijkduin B.V. wordt toegewezen en zij wordt in staat van faillissement verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.369.723/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/704459 / FT RK 26/263
Arrest van 16 juli 2026
in de zaak van

1.De Kijkduinse Ontwikkelingsmaatschappij B.V.,

hierna te noemen: KOM,
2.
De Kijkduinse Retail Ontwikkelingsmaatschappij B.V.,
hierna te noemen: KROM,
beide gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Na Brasa Kijkduin B.V.,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Na Brasa,
advocaat: mr. R.M. van der Zwan, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt appellanten gezamenlijk hierna KOM c.s.

1.Procesverloop

1.1
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2026 is het verzoek van KOM c.s. om Na Brasa in staat van faillissement te verklaren, afgewezen. Bij verzoekschrift (met producties 1 t/m 9), ontvangen door de griffie van het hof op 3 juni 2026, zijn KOM c.s. van deze beschikking in hoger beroep gekomen en hebben zij het hof verzocht deze beschikking te vernietigen en alsnog het faillissement van Na Brasa uit te spreken.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de aanvullende producties toegestuurd door KOM c.s. bij brieven van 8 en 10 juli 2026 en de producties toegestuurd door Na Brasa, bij V-formulier van 6 juli 2026 en via twee brieven van 13 juli 2026.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Namens KOM c.s. zijn verschenen: [naam 1], directeur/projectontwikkelaar en [naam 2], bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. Van Voskuilen, voornoemd. Namens Na Brasa is verschenen: [naam 3], middellijk bestuurder, bijgestaan door mr. Van der Zwan, voornoemd.Mr. Van Voskuilen en mr. Van der Zwan hebben de standpunten van hun cliënten toegelicht aan de hand van pleitnotities die zij op de zitting hebben overgelegd aan het hof.

2.Beoordeling van het hoger beroep

2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat niet summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van KOM c.s. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Na Brasa de verschuldigdheid van de gestelde vorderingen gemotiveerd heeft betwist en haar standpunten uitgebreid heeft onderbouwd en dat dit verweer een nadere, inhoudelijke beoordeling met ruimte voor eventuele bewijsvoering vergt, waarvoor in de faillissementsprocedure – gelet op haar summiere karakter – geen plaats is. In wezen blijkt dat ook al uit het tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 5 maart 2026, aldus de rechtbank.
2.2
De grieven van KOM c.s. kunnen als volgt worden samengevat.
Tussen KROM en Na Brasa geldt een huurovereenkomst voor een bedrijfsunit in Kijkduin. Krachtens die overeenkomst en de bijbehorende algemene voorwaarden is de gehuurde unit casco opgeleverd en is Na Brasa verantwoordelijk voor de inrichting van het gehuurde.
2.2.1
KOM heeft een geldlening verstrekt aan Na Brasa voor de afbouw van de door haar gehuurde unit. In de leningsovereenkomst van 8 oktober 2023 is een aflossingsvrije periode van 12 maanden afgesproken, waarna Na Brasa de lening lineair diende af te lossen in 24 maandelijkse termijnen. De aflossingsvrije periode is verstreken op 8 oktober 2024, maar Na Brasa voldoet helemaal niet aan haar aflossingsverplichtingen. KOM heeft uit hoofde van de geldlening een opeisbare vordering op Na Brasa van € 205.504,19.
2.2.2
KROM heeft ter zake van een in het verleden ontstane huurachterstand een geldlening aan Na Brasa verstrekt van € 131.738,65. De geldleningsovereenkomst is van 17 juli 2024. Na Brasa voldoet niet aan haar aflossingsverplichtingen. KROM heeft uit hoofde van de lening een opeisbare vordering op Na Brasa van € 152.594,79.
Daarnaast heeft KROM een opeisbare vordering op Na Brasa uit hoofde van een huurachterstand van € 472.727,-.
2.2.3
Na Brasa laat ook andere schuldeisers dan KOM c.s. onbetaald. Het gaat daarbij onder meer om vorderingen van Collin Crowdfunding N.V. van € 410.815,28, Heineken van € 19.727,22, Eteck Warmte Holding B.V. van € 6.471,20 en de gemeente Den Haag van € 19.000,- inzake dwangsommen. Voor deze vorderingen gelden geen betalingsregelingen (meer).
Op grond van het voorgaande stellen KOM c.s. zich op het standpunt dat Na Brasa in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.2.4
In reactie op het verweer van Na Brasa, hebben KOM c.s. naar voren gebracht dat KROM en Na Brasa hebben afgesproken dat KROM zou zorgen voor de uitbreiding dan wel capaciteitsverhoging van het reeds aanwezige afzuigkanaal ten behoeve van het beoogde grillrestaurant, mits het gehuurde in voldoende mate door Na Brasa zou zijn afgebouwd dan wel ingericht. Daartoe is Na Brasa echter niet overgegaan. De volledige exploitatie is onmogelijk omdat het restaurant in de bedrijfsunit niet bedrijfsklaar is. Doordat tot op heden de afbouw niet gereed is en ook geen concreet onderhoud heeft plaatsgevonden en bovendien Na Brasa KROM geen toegang geeft tot het gehuurde, is het voor KROM feitelijk niet mogelijk om tot aanbrenging van het beoogde afzuigkanaal over te gaan. Verder bestaat, aldus KOM c.s., geen samenhang tussen de vordering van KOM uit hoofde van de geldlening aan Na Brasa voor de afbouw van de door haar gehuurde unit en (het uitblijven van) de installatie van het afzuigkanaal door KROM, zodat het verweer van Na Brasa op dat punt, de vordering van KOM niet treft.
2.3
Na Brasa heeft betwist dat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, waarbij zij ook het vorderingsrecht van KOM c.s. en de steunvorderingen heeft bestreden.
2.3.1
Na Brasa stelt zich op het standpunt dat KOM en KROM dienen te worden beschouwd als één partij/schuldeiser, zoals de kortgedingrechter ook heeft gedaan in het vonnis van 5 maart 2026 inzake de ontruimingsvordering van KROM, die door de rechter is afgewezen. Na Brasa is tot opschorting van betaling van de huur en de overige vorderingen van KOM/KROM overgegaan omdat die zich niet houdt aan de afspraak om het benodigde afzuigkanaal voor de houtskoolgrill van het restaurant aan te leggen. Zonder dat afzuigkanaal kan Na Brasa haar restaurant niet (ten volle) exploiteren. Na Brasa haalt haar omzet nu uit exploitatie van het terras (horeca met streetfood en (live)muziek ervaring), maar zij kan daarmee niet alle betalingsverplichtingen nakomen.
2.3.2
Ten aanzien van de gestelde steunvorderingen heeft Na Brasa naar voren gebracht dat voor alle steunvorderingen een betalingsregeling met haar of met andere betrokkenen is getroffen dan wel dat er bezwaar is gemaakt tegen (de hoogte van) de vorderingen en daarover nog juridische geschillen of procedures lopen.
2.4
Op grond van de aan het hof overgelegde stukken, standpunten en de toelichting op de zitting overweegt het hof als volgt.
2.4.1
Voor een faillietverklaring is vereist dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Dit volgt uit de artikelen 1 en 6 lid 3 van de Faillissementswet. Om deze toestand te kunnen aannemen, moet volgens vaste jurisprudentie zijn voldaan aan twee voorwaarden: (1) er moet sprake zijn van meerdere schuldeisers (pluraliteit) en (2) de schuldenaar betaalt niet meer. Indien, zoals hier, het verzoek tot faillietverklaring door schuldeisers wordt gedaan, is daarnaast nog vereist dat summierlijk van dat vorderingsrecht is gebleken. ‘Summierlijk blijken’ betekent dat de vordering na een kort en eenvoudig onderzoek moet blijken. Bij de beoordeling daarvan is de rechter gehouden eventuele verweren die worden opgeworpen tegen het bestaan van het vorderingsrecht te betrekken bij zijn oordeel of summierlijk blijkt van het vorderingsrecht van de aanvragers (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:524). In een faillissementsprocedure kan het bestaan van een vorderingsrecht slechts beperkt door de rechter worden onderzocht. De faillissementsprocedure leent zich niet voor een onderzoek ten gronde; daartoe dient een bodemprocedure te worden aangespannen. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
2.4.2
De vordering van KROM op Na Brasa ziet op een huurachterstand en op een geldlening die is verstrekt om daarmee een toen reeds bestaande huurachterstand te voldoen. Na Brasa is tot opschorting van de huurtermijnen overgegaan, omdat KROM niet zou hebben voldaan aan haar opleveringsverplichting van de unit, meer in het bijzonder de afspraak om een passend afzuigkanaal aan te brengen. KROM en Na Brasa verwijten elkaar over en weer dat het aan de ander te wijten is dat het afzuigkanaal niet is/kan worden aangelegd. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de vordering van KROM en onderbouwing daarvan door Na Brasa, dit verweer een nadere, inhoudelijke beoordeling met ruimte voor eventuele bewijsvoering vergt, waarvoor in de faillissementsprocedure – gelet op haar summiere karakter – geen plaats is. Dat brengt met zich dat van het vorderingsrecht van KROM in deze procedure niet (voldoende) summierlijk is gebleken.
2.4.3
Voornoemd verweer van Na Brasa met betrekking tot het afzuigkanaal treft echter niet de vordering van KOM uit hoofde van een geldlening ten behoeve van de afbouw van de door Na Brasa gehuurde (casco)unit. Na Brasa kan zich daarom tegenover KOM niet beroepen op opschorting van haar aflossingsverplichting. De vordering van KOM, die opeisbaar is en € 205.504,19 bedraagt, wordt door Na Brasa onbetaald gelaten.
2.4.4
Het hof ziet geen aanleiding om Na Brasa te volgen in haar standpunt dat KOM en KROM moeten worden vereenzelvigd. Het betreffen twee verschillende rechtspersonen. Het kortgedingvonnis waarop Na Brasa zich in dit verband beroept, ziet alleen op de huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde unit. KOM was geen partij in die procedure en wordt daarin ook niet beschouwd als dezelfde partij als KROM. Voor zover de vordering van KOM onbetaald wordt gelaten omdat een andere partij (KROM) haar verplichtingen tegenover Na Brasa niet nakomt, levert dat geen recht tot opschorting van de betalingsverplichting van Na Brasa tegenover KOM op.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat van het vorderingsrecht van KOM (summierlijk) is gebleken.
2.4.5
Eveneens is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat Na Brasa naast KOM ook meerdere andere schuldeisers onbetaald laat. Het gaat onder meer om vorderingen van Collin Crowdfunding N.V. (ruim € 400.000,-), Heineken (in hoofdsom ruim € 19.000,-) en de gemeente Den Haag (€ 19.000,-). Tegenover deze met stukken onderbouwde vorderingen, heeft Na Brasa aangevoerd dat met alle schuldeisers een betalingsregeling is getroffen dan wel dat zij de hoogte van die vorderingen betwist. Van betalingsregelingen is echter niet concreet gebleken; bevestigingen daarvan door deze schuldeisers ontbreken. Dat Na Brasa het niet eens is met de hoogte van bepaalde vorderingen, laat onverlet dat het bestaan van die vorderingsrechten op zichzelf niet wordt betwist. Ten aanzien van de vordering van de gemeente, die ziet op opgelegde dwangsommen wegens geluidsoverlast, is nog aangevoerd dat daarbij de gemeentelijke Ombudsman is ingeschakeld. Dat laat onverlet dat de gemeente een opeisbare vordering heeft op Na Brasa, die zij niet heeft betaald.
2.4.6
De vraag of de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en of sprake is van pluraliteit van schuldeisers, moet worden beoordeeld aan de hand van gegevens die gelden ten tijde van de door de rechter te geven beslissing (‘ex nunc’). Het verweer dat (volledige) betaling van de steunvorderingen (op dit moment) onmogelijk is omdat Na Brasa door toedoen van KROM haar restaurant niet (ten volle) kan exploiteren, zodat zij zich beperkt tot het betalen van bepaalde schuldeisers, kan niet aan de schuldeisers van de steunvorderingen worden tegengeworpen. Bovendien laat dat verweer onverlet dat er wel inkomsten uit de exploitatie van het terras worden gegenereerd, op de zitting niet voldoende is toegelicht wat met deze inkomsten gebeurt, maar dat hieruit feitelijk de aangedragen steunvorderingen en KOM niet worden voldaan.
2.5
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van KOM en van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat Na Brasa in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.6
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het faillissementsverzoek alsnog dient te worden toegewezen.

3.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2026;
en
opnieuw rechtdoende:
  • verklaart Na Brasa Kijkduin B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende in Den Haag, in staat van faillissement;
  • benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. Nederhoed, rechter in de rechtbank te Den Haag;
  • stelt aan als curator mr. U.R.A. Koeze, advocaat bij Buren N.V., kantoorhoudend in Den Haag, correspondentieadres: Postbus 18511, 2502 EM, Den Haag;
  • geeft de curator opdracht om de post van verzoekster in te zien;
- bepaalt dat de griffier van dit hof de griffier van de rechtbank Den Haag direct van deze uitspraak op de hoogte stelt.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, H.J. van Harten en A.J. Swelheim, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.