ECLI:NL:GHDHA:2026:245

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
22-001271-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 56 SrArt. 57 SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitlokken en medeplegen moord op buurman met 20 jaar gevangenisstraf

De verdachte werd in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het uitlokken en medeplegen van de moord op zijn buurman, gepleegd op 20 november 2022. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte intensief contact had met de medeverdachte, afspraken maakte over de uitvoering van de moord en aanwijzingen gaf over het tijdstip en de vluchtweg.

De verdediging voerde een alternatief scenario aan waarin het telefoonnummer van de verdachte zou zijn gespoofd door een onbekende derde, maar dit werd door het hof verworpen wegens gebrek aan concrete onderbouwing en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verdachte. Het bewijs bestond onder meer uit WhatsApp-berichten, stemherkenning door verbalisanten, forensisch onderzoek aan het vuurwapen en DNA-sporen.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden aan de benadeelde partijen schadevergoedingen toegekend voor materiële en immateriële schade, waarbij het hof een onderscheid maakte tussen affectieschade en schokschade. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoedingen aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers. Het hof oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van het delict en de impact op de nabestaanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor uitlokken en medeplegen van moord met toekenning van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001271-24
Parketnummers: 10-307145-22 en 10-318597-23
Datum uitspraak: 20 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder parketnummer 10-307145-22 onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken. De verdachte is in eerste aanleg ter zake van het onder parketnummer 10-307145-22 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 10-318597-23 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan hem de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, op de voet van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 10-307145-22 onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan de orde in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-307145-22:1.
[medeverdachte] op of omstreeks 20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte] met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen een of meer kogels in het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,
welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 14 november 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard, althans in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te weten door
- aan die [medeverdachte] een geldelijke beloning toe te zeggen/kennen voor het uitvoeren van voornoemde moord/liquidatie en/of
- ( daarbij) met die [medeverdachte] afspraken te maken over de hoogte van deze beloning en de wijze/manier van uitbetaling en/of
- met die [medeverdachte] te bespreken op welke wijze die [slachtoffer] uit zijn woning, althans naar buiten moet/gaat worden gelokt en/of
- met die [medeverdachte] af te spreken hoe laat hij in de wijk moet zijn, althans klaar moet staan om te kunnen schieten en/of
- die [medeverdachte] informatie te verstrekken over de potentiele plaats delict en/of de auto van die [slachtoffer] en/of wanneer die [slachtoffer] weggaat en/of thuiskomt (vlak voor de moord) en/of er camera’s aanwezig zijn in de wijk en/of
- die [medeverdachte] aanwijzingen te verschaffen over welk kentekenplaat hij moet stelen en/of
- die [medeverdachte] rechtstreeks aan te sturen op het moment dat hij moet schieten;
2.
hij op of omstreeks 20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en/of al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een of meer kogels in het hoofd en/of de schouder, althans het lichaam van [slachtoffer] te schieten;
Zaak met parketnummer 10-318597-23:hij in of omstreeks de periode van 01 november 2022 tot en met 29 april 2023 te [plaats] , gemeente Nissewaard, althans in Nederland, een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (omgebouwd gaspistool) in de vorm van een pistool, van het merk /type: Zoraki/906, kleur: zwart, kaliber: 7.65 mm,
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4 van de Wet wapens en munitie, zijnde munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III, te weten 10, althans één of meerdere kogelpatronen, van het kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 en in de zaak met parketnummer 10-318597-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-307145-22:
1.
[medeverdachte] op
of omstreeks20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard,
althans in Nederland,opzettelijk en met voorbedachten rade
, in elk geval opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte] met dat opzet en
al dan nietna kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een vuurwapen
een of meerkogels in
het hoofd en/of de schouder, althanshet lichaam geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,
welk feit verdachte in
of omstreeksde periode van 14 november 2022 tot en met 20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard
, althans in Nederlandopzettelijk heeft uitgelokt door giften
, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleidingen
/ofhet verschaffen van gelegenheid
, middelen ofeninlichtingen, te weten door
- aan die [medeverdachte] een geldelijke beloning toe te zeggen/kennen voor het uitvoeren van voornoemde moord
/liquidatieen
/of
-
(daarbij
)met die [medeverdachte] afspraken te maken over de hoogte van deze beloning en de wijze/manier van uitbetaling en
/of
- met die [medeverdachte] te bespreken op welke wijze die [slachtoffer] uit zijn woning, althans naar buiten moet/gaat worden gelokt en
/of
- met die [medeverdachte] af te spreken hoe laat hij in de wijk moet zijn, althans klaar moet staan om te kunnen schieten en
/of
- die [medeverdachte] informatie te verstrekken over de
potentiëleplaats delict en
/ofde auto van die [slachtoffer] en
/ofwanneer die [slachtoffer] weggaat en
/ofthuiskomt
(vlak voor de moord
)en
/of er camera’s aanwezig zijn in de wijk.
en/of
- die [medeverdachte] aanwijzingen te verschaffen over welk kentekenplaat hij moet stelen en/of
- die [medeverdachte] rechtstreeks aan te sturen op het moment dat hij moet schieten;2.
hij op
of omstreeks20 november 2022 te [plaats] , gemeente Nissewaard,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,[slachtoffer] opzettelijk en
/of al dan nietmet voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen
een of meerkogels in
het hoofd en/of de schouder, althanshet lichaam van [slachtoffer] te schieten.
Zaak met parketnummer 10-318597-23:hij in
of omstreeksde periode van
1 november 2022 tot en met 29 april 2023 te [plaats] , gemeente Nissewaard,
althans in Nederland,een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (omgebouwd gaspistool) in de vorm van een pistool, van het merk /type: Zoraki/906, kleur: zwart, kaliber: 7.65 mm,
en
/of
(voor dit vuurwapen geschikte
)munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4 van de Wet wapens en munitie, zijnde munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro die wet, van de Categorie III, te weten 10
, althans één of meerderekogelpatronen, van het kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Alternatief scenario
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder parketnummer 10-307145-22 ten laste is gelegd; kort gezegd uitlokking van moord op [slachtoffer] en medeplegen van die moord. Door de verdediging is een alternatief scenario geschetst inhoudende – kort en zakelijk weergegeven – dat het telefoonnummer van de verdachte door een onbekend gebleven derde moet zijn misbruikt en – zo begrijpt het hof – er dus sprake is geweest van
spoofing. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn mobiele telefoon op enig moment is kwijtgeraakt door verlies of diefstal en dat hij ten tijde van het tenlastegelegde feit dus niet langer over zijn telefoon beschikte. Dit betekent volgens de verdediging dat niet de verdachte, maar een onbekend gebleven derde, de belastende WhatsApp-berichten heeft verstuurd die op de mobiele telefoon van de medeverdachte zijn aangetroffen en die mede zouden wijzen in de richting van de (telefoon van de) verdachte.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat de stelling van de verdachte dat het niet anders kan zijn dan dat zijn telefoonnummer door een onbekend gebleven derde moet zijn misbruikt, geen enkele steun vindt in het dossier. Het hof stelt voorts vast dat het alternatieve scenario door de verdediging is gepresenteerd als een algemene theorie en in het geheel niet met concrete gegevens is onderbouwd. Daar komt bij dat de verdediging met het alternatieve scenario weliswaar een alternatieve verklaring aanbiedt voor de op de telefoon aangetroffen WhatsAppberichten, maar niet voor de meerdere keren dat er voor het gestelde verlies – en daarmee het misbruik – van verdachtes telefoon gebeld is tussen de medeverdachte en het nummer van de verdachte en de sms-berichten die in die periode tussen de beide telefoons zijn gestuurd. Het alternatieve scenario is dan ook niet aannemelijk geworden, reden waarom het hof dit terzijde schuift.
De verklaring van de verdachte dat hij zijn mobiele telefoon is verloren, stelt het hof als niet aannemelijk terzijde. De verdachte heeft over het moment en de wijze waarop hij zijn telefoon kwijt zou zijn geraakt, wisselend en zeer uiteenlopend verklaard. Zo heeft hij verschillende data genoemd waarop hij de telefoon zou zijn kwijtgeraakt en ten aanzien van het moment waarop hij zich hiervan bewust werd. De verklaring van de verdachte over het kwijtraken van zijn telefoon valt bovendien niet te rijmen met de verklaringen van getuigen over telefonisch contact met de verdachte op een moment dat de verdachte stelt zijn telefoon al kwijt te zijn geweest. Tot slot is de verklaring van de verdachte dat hij zijn telefoon voorafgaand aan het doodschieten van het slachtoffer heeft verloren, onverenigbaar met de hierna te bespreken bewijsmiddelen.
Het hof verwerpt dan ook dit onderdeel van het alternatieve scenario.
Waardering van het bewijs
Nu het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zijn telefoon voorafgaand aan de hem verweten gedragingen is kwijtgeraakt, dan wel dat daarmee
gespoofdzou zijn, gaat het hof ervanuit dat de verdachte ten tijde van het levensdelict op [slachtoffer] en in de periode daarvoor over zijn mobiele telefoon en het daarbij horende telefoonnummer beschikte.
Ten aanzien van het gebruik van de mobiele telefoon van de verdachte heeft de verdediging zich voorts – overeenkomstig zijn in het dossier gevoegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die de medeverdachte in heeft geschakeld om zijn buurman om het leven te brengen. Hiertoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de stemherkenning die door de verbalisanten is gedaan niet volledig objectief is geweest en dat de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte niet overeen komen met de inhoud van de gestuurde berichten.
Bij de beantwoording van de vraag wie de gebruiker is geweest van de mobiele telefoon van de verdachte gaat het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Op 20 november 2022 omstreeks 22:30 uur wordt [slachtoffer] voor zijn woning in [plaats] neergeschoten. Hij overlijdt ter plaatse aan zijn verwondingen. De schutter, naar later blijkt medeverdachte [medeverdachte] , ontvlucht de plaats delict in een grijze Peugeot met kenteken [kenteken] . Na een korte achtervolging door de politie crasht [medeverdachte] met zijn auto en wordt hij door de verbalisanten aangehouden. In de vluchtauto wordt een vuurwapen aangetroffen. Na onderzoek aan het vuurwapen en de hulzen op de plaats delict, wordt door het NFI met grote mate van waarschijnlijkheid vastgesteld dat de hulzen op de plaats delict met dat vuurwapen zijn verschoten. Voorts wordt door het NFI met de grootste mate van waarschijnlijkheid vastgesteld dat op de bemonstering van de handen van [medeverdachte] schotresten aanwezig zijn en wordt een DNA-mengprofiel aangetroffen op de ruwe delen, de trekker en de buitenzijde van het patroonmagazijn van het vuurwapen, die elk een match met [medeverdachte] opleveren.
In de vluchtauto wordt verder een iPhone X aangetroffen, die in gebruik is bij [medeverdachte] . Bij onderzoek aan deze telefoon wordt een WhatsAppgesprek aangetroffen tussen [medeverdachte] , die de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ hanteert, en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit onderzoek blijkt dat [medeverdachte] sinds 29 oktober 2022 via WhatsApp berichten ontvangt van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Op 31 oktober 2022 slaat [medeverdachte] het telefoonnummer in zijn telefoon op onder de naam ‘ [naam 1] ’, waarna hij op 14 november 2022 deze naam verandert in ‘ [naam 2] ’. [medeverdachte] en ‘ [naam 2] ’ hebben in de periode tussen 29 oktober 2022 tot en met 20 november 2022 meerdere keren contact met elkaar via WhatsApp. Daarnaast bellen zij elkaar meerdere keren en versturen zij elkaar enkele sms-berichten.
Onderzoek aan de
cloudvan de verdachte levert via Google Takeout een contactenlijst op die is gekoppeld aan Samsung S22 Ultra die wordt toegeschreven aan de verdachte. Via deze contactenlijst blijkt het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] opgeslagen te zijn in de aan de verdachte toegeschreven S22.
Op 14 november 2022 laat [medeverdachte] aan ‘ [naam 2] ’ via WhatsApp weten dat hij weer actief is en dat de prijs 20 blijft. ‘ [naam 2] ’ reageert hierop met “Goed. Zoals afgesproken. 10 gelijk rest als t is klaar gemaakt. Dus is groen licht”. In de dagen daarop hebben zij vaker contact met elkaar, waarbij zij overleggen over de dag waarop [medeverdachte] vervoer kan regelen en kan werken en over het schema van “die man”. Op 20 november 2022, de dag dat [slachtoffer] neer wordt geschoten, laat [medeverdachte] aan ‘ [naam 2] ’ weten dat hij onderweg is, waarop ‘ [naam 2] ’ laat weten dat hij voor [medeverdachte] zal spotten. Verder overleggen zij over de snelste manier om de wijk te ontvluchten, vanuit welke kant “de blauw” meestal komt en waar [medeverdachte] zich op dat moment in de wijk zich bevindt. Om 22.27 uur stuurt ‘ [naam 2] ’ een bericht met daarin “Nu!”, en om 22.29 uur beantwoordt hij de vraag van ‘ [gebruikersnaam] ’ “Waar is die man” met “Voortuin”. Omstreeks 22.30 uur wordt [slachtoffer] bij zijn woning neergeschoten.
Uit de aard en inhoud van deze gesprekken leidt het hof af dat [medeverdachte] voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] veelvuldig contact heeft gehad met ‘ [naam 2] ’ en dat zij afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop en op welk moment [slachtoffer] neergeschoten zou worden.
Uit onderzoek blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] te koppelen is aan de verdachte. Ook de verdachte heeft verklaard dat het nummer [telefoonnummer] zijn telefoonnummer is. Nu het hof er, zoals hiervoor overwogen, vanuit gaat dat de verdachte voorafgaand aan de gewelddadige dood van [slachtoffer] over zijn mobiele telefoon beschikte en het hof het onaannemelijk acht dat het telefoonnummer van de verdachte
gespoofdwas, is het hof, ook bij gebrek aan enige aanwijzing die in redelijkheid beschouwd in een andere richting zou kunnen wijzen, van oordeel dat het de verdachte is geweest en niet een onbekend gebleven derde, die voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] .
Bij het beantwoorden van de vraag of de verdachte, als gebruiker van het [telefoonnummer] daadwerkelijk de persoon is geweest die middels dit nummer gebruik maakte van de naam ‘ [naam 2] ’ acht het hof voorts nog de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
Geluidsbestand
Op de telefoon van [medeverdachte] is een geluidsbestand is aangetroffen dat hij via WhatsApp heeft ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In het geluidsfragment is een mannenstem te horen. Deze stem is door drie verschillende verbalisanten herkend als zijnde de stem van de verdachte. De drie verbalisanten hebben hier ieder een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van opgemaakt, waarbij zij ieder voor zich nader hebben onderbouwd waarop zij hebben gebaseerd dat zij de stem van de verdachte als zodanig hebben kunnen herkennen. Het hof ziet daarom, anders dan door de raadsman gesteld, geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. De enkele omstandigheid dat het drie leden zijn van het opsporingsteam in de zaak van de verdachte die deze herkenningen hebben gedaan, maakt dit evenmin anders.
Historische verkeersgegevens; conclusie ten aanzien van het ontbreken van zendmastgegevens
Door de raadsman is betoogd dat de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer [telefoonnummer] niet overeen komen met de verzonden berichten, nu daaruit niet is gebleken dat het nummer rond het tijdstip van de schietpartij verbinding heeft gemaakt met een zendmast. De verdediging heeft niet weersproken dat de verdachte over een internetverbinding beschikte ten tijde van het tenlastegelegde.
In het dossier in hoger beroep is wat betreft de historische verkeersgegevens en het ontbreken van zendmastgegevens – in essentie en voor zover van belang in hoger beroep – vastgesteld dat om WhatsAppberichten te ontvangen of te verzenden het noodzakelijk is dat sprake is van een internetverbinding. Dit kan zowel een mobiele dataverbinding zijn zoals 4G of 5G, als een verbinding met een wifinetwerk. In het eerste geval is sprake van een “actieve datasessie” en wordt gebruik gemaakt van een zendmast in de omgeving, terug te vinden in de historische verkeersgegevens. In casu is door de onderzoeker geconcludeerd dat niet sprake is van een “actieve datasessie” in de relevante onderzoeksperiode. Voorts is vastgesteld door de onderzoeker in hoger beroep dat het niet noodzakelijk is om thuis te zijn om gebruik te kunnen maken van een wifi-netwerk, ook het wifi-netwerk van een derde kan daarvoor worden aangewend. Tot slot is vastgesteld - in aanmerking genomen dat verdachte en het slachtoffer buren zijn - dat het niet mogelijk is om vanuit de woning van de verdachte zicht te verkrijgen op de voortuin van de woning van het slachtoffer. De onderzoeksgegevens in hoger beroep zijn niet door de verdediging weersproken. Het hof leidt uit een en ander af dat wanneer WhatsAppberichten via een
wifi-netwerkzijn verzonden en/of ontvangen, er geen “actieve datasessie” plaatsvindt die via verbinding met een zendmast terug te vinden zijn in de historische verkeersgegevens.
Ten aanzien van de inhoud van de WhatsAppberichten in relatie tot de aanwezige historische verkeersgegevens, overweegt het hof verder als volgt. De medeverdachte [medeverdachte] en de gebruiker van het mobiele nummer met de naam ‘ [naam 2] ’ hebben elkaar op 20 november 2022 tussen 14:43 en 22:29 uur over en weer meerdere WhatsAppberichten gestuurd. Blijkens het onderzoek historische verkeersgegevens heeft het mobiele nummer van de verdachte op 20 november 2022 wel één datasessie geregistreerd. Dit was om 23:54 uur. Op dat moment heeft het mobiele nummer van de verdachte verbinding gemaakt met een zendmast welke geplaatst is op de [adres] te [plaats] . Het hof stelt vast dat de woning van de verdachte en de woning van [slachtoffer] zich op circa 38 meter van elkaar bevinden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij vanuit zijn voortuin zicht heeft op de voortuin van het slachtoffer. Voorts heeft hij verklaard dat de meterkast zich direct naast zijn voordeur bevindt, dat hij in zijn voortuin gebruik kan maken van de wifi en dat de wifi ook een deel van de achtertuin bereikt. Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat de bevindingen met betrekking tot de historische verkeersgegevens niet in strijd zijn met de inhoud van de aangetroffen WhatsAppberichten. Hoewel de gebruiker van het mobiele nummer van de verdachte onder de naam ‘ [naam 2] ’ berichten heeft verstuurd waarin hij stelt dat hij zicht heeft op de ingang van de wijk, blijkt uit de inhoud van die berichten niet waar in de wijk deze zich op dat moment bevond of heeft moeten bevinden. Deze WhatsAppberichten zouden ook via het wifi-netwerk van de verdachte verstuurd kunnen zijn. Het hof stelt vast dat ook de overige berichten, waaruit blijkt dat ‘ [naam 2] ’ zicht heeft op de voortuin van het slachtoffer en het bericht waarin deze stelt dat hij in de steeg staat, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, via het wifi-netwerk van de verdachte of een derde verstuurd kunnen zijn. De verdachte had immers ook vanuit zijn eigen voortuin zicht op de voortuin van het slachtoffer. Gelet op dit alles is evenmin vanwege de aard en inhoud van de WhatsAppberichten een dwingend vereiste dat het telefoonnummer van de verdachte op 20 november 2022 voorafgaand aan de schietpartij verbinding moet hebben gemaakt met een zendmast en dat er dus een actieve datasessie moet zijn geregistreerd.
Al het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat het de verdachte is geweest die onder de naam ‘ [naam 2] ’ contact had met medeverdachte en die de aanwijzingen heeft gegeven aan de medeverdachte per WhatsApp. Bij dit oordeel heeft het hof tevens nadrukkelijk betekenis toegekend aan de specifieke aard en inhoud van deze gesprekken, waaruit immers gedetailleerde kennis van de omgeving van de woning van [slachtoffer] en van (onderdelen van) het persoonlijk leven van [slachtoffer] volgt en een zeer frequente aanwezigheid gedurende min of meer hele dagen in diens directe omgeving spreekt.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte op 20 november 2022 en de weken voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] beschikte over zijn mobiele telefoon en telefoonnummer en dat hij contact heeft onderhouden met de medeverdachte met het oog op de aanstaande dood van die [slachtoffer] .
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige op het gebied van
spoofingom over de mogelijkheden van
spoofingmet WhatsApp te laten rapporteren, indien het hof twijfelt aan de deskundigheid van de door de verdediging in de pleitnota vermelde openbare bronnen en de uitkomst van het door de verdediging gedane onderzoek naar
spoofing.
Het hof ziet – nog daargelaten ’s hofs oordeel dat
spoofingin het onderhavige geval niet aannemelijk is geworden – geen aanleiding in redelijkheid te twijfelen aan het door de verdediging gepresenteerde theoretische kader met betrekking tot de theoretische mogelijkheden van
spoofingen de inhoud van de vermelde openbare bronnen. De door de verdediging aan het verzoek verbonden voorwaarde is dan ook niet ingetreden, zodat het hof geen beslissing hoeft te nemen op het voorwaardelijk verzoek.
Medeplegen
Onder parketnummer 10-307145-22 onder 2 is aan de verdachte het medeplegen van het levensdelict op [slachtoffer] tenlastegelegd. Het hof ziet zich in dit licht gesteld voor het beantwoorden van de vraag hoe de rol van de verdachte bij het levensdelict op [slachtoffer] moet worden gekwalificeerd en of deze van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] hebben de weken voorafgaand aan de gewelddadige dood van [slachtoffer] intensief contact met elkaar gehad via WhatsApp. Zij hebben een prijs afgesproken die de verdachte zou betalen voor het om het leven brengen van [slachtoffer] , waarna zij telkens nieuwe afspraken hebben gemaakt over het moment waarop het levensdelict plaats moest vinden. Op de dag waarop is afgesproken dat dit moest gebeuren, hebben zij eveneens veelvuldig contact met elkaar gehad. De verdachte heeft de medeverdachte die dag instructies gegeven over het moment dat hij bij de woning van [slachtoffer] aanwezig moest zijn, laten weten vuurwerk af te steken in de wijk opdat [slachtoffer] op enig moment naar buiten zou komen, besproken of er camera’s in de wijk aanwezig waren, van welke kant te politie zou komen en hij heeft hem aanwijzingen gegeven hoe hij de wijk makkelijk kon verlaten. Daarnaast heeft de verdachte voor de medeverdachte ‘gespot’, heeft hij in de gaten gehouden of [slachtoffer] al thuis was en heeft hij op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] zich in de voortuin van zijn woning bevond deze informatie desgevraagd gedeeld en voorts de instructie: “Nu!” aan hem gegeven.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof dat sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die erop was gericht [slachtoffer] van het leven te beroven. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande, in onderling samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het uitlokken en het medeplegen van de moord op [slachtoffer] .

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde levert op:
de voortgezette handeling van
uitlokken van moord
en
medeplegen van moord.
Het in de zaak met parketnummer 10-318597-23 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het uitlokken en het medeplegen van de moord op zijn buurman, [slachtoffer] . Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen en daarbij horende munitie voorhanden gehad.
Het slachtoffer werd op 20 november 2022 op koelbloedige wijze door de mededader van de verdachte voor zijn eigen woning doodgeschoten. Het slachtoffer is ter plekke aan zijn verwondingen overleden. De verdachte heeft zijn mededader bewogen deze moord te plegen, door daar een geldbedrag van € 20.000,00 tegenover te stellen en inlichtingen te verstrekken over het slachtoffer. De verdachte heeft zijn mededader bovendien voorzien van informatie over het reilen en zeilen van het slachtoffer en de beste wijze waarop zijn mededader uit de wijk kon vluchten nadat hij het slachtoffer om het leven had gebracht. Op de bewuste avond heeft hij de mededader zelfs een signaal gegeven dat hij de trekker over moest halen, door hem een WhatsApp-bericht te sturen met het woord “Nu!”. Daarmee heeft deze moord het karakter gekregen van een kille afrekening, een liquidatie. Door het op brute wijze doodschieten van het slachtoffer, hebben de verdachte en zijn mededader de nabestaanden van het slachtoffer verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Zij moeten verder leven in de wetenschap dat hun partner, vader en zoon koelbloedig op straat is doodgeschoten. De partner van het slachtoffer heeft hem kort na het neerschieten op straat zien liggen, De impact van deze gewelddadige dood op de nabestaanden is enorm zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting in hoger beroep zijn voorgelezen en die zelfs getuigen van compassie van de partner van het slachtoffer met de persoon van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen openheid van zaken gegeven en aldus op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen. Het feit dat ook in hoger beroep niet duidelijk is geworden waarom het slachtoffer om het leven is gebracht, maakt deze moord nog ondragelijker voor de nabestaanden.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 januari 2026, waaruit slechts blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 14 februari 2024 en de Pro Justitia-rapportage d.d. 22 januari 2024, opgemaakt door de deskundigen dr. S.J. Roza, psychiater, drs. T. ’t Hoen, GZ-psycholoog en M. Elghalbzouri, forensisch milieuonderzoeker. Blijkens de triple rapportage kan een psychische stoornis bij de verdachte niet vastgesteld, noch uitgesloten worden. De deskundigen zien aanwijzingen voor antisociale en/of narcistische persoonlijkheidstrekken, alsmede een mogelijke kwetsbaarheid voor verslaving, maar de deskundigen stellen vast dat een stoornis bij de verdachte niet geclassificeerd kan worden. Gezien het ontbreken van een gedegen zicht op het psychisch functioneren van de verdachte, het ontbreken van zicht op een mogelijke rol van een eventuele psychische stoornis ten tijde van het delict en het ontbreken van zicht op het risico van herhaling van soortgelijke feiten zoals thans ten laste gelegd, kunnen de deskundigen geen aanbeveling doen teneinde recidivegevaar te beperken. De reclassering kan evenmin tot een goede risicotaxatie komen en niet inschatten welke interventies in dit verband geïndiceerd en uitvoerbaar zijn. Evenmin kan de reclassering bepalen of de verdachte voldoet aan de criteria van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Het hof zal een dergelijke maatregel dan ook, anders dan in eerste aanleg, niet opleggen.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld. In hoger beroep is deze termijn met ruim zes maanden overschreden.
Het hof stelt vast dat door de verdediging geen verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof trekt op grond hiervan de conclusie dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Het hof volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, temeer nu in hoger beroep op instigatie van en in samenspraak met de verdediging nog nader onderzoek door de politie is verricht.
Conclusie
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 10-307145-22 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 55.313,00, bestaande uit € 313,00 aan materiële schade en € 55.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 55.313,00.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de schokschade af te wijzen, dan wel te matigen. De gestelde materiële schade en affectieschade worden door de verdediging niet betwist.
Het oordeel van het hof
Materiële schade
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 313,00 materiële schade is geleden. Deze gestelde schade bestaat uit de overige kosten voor de uitvaart en de kosten voor de rouwbloemen. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Affectieschade
Op grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen naasten van slachtoffers die zijn overleden aanspraak maken op smartengeld, zogenaamde affectieschade. Het hof zal de vergoeding van de affectieschade in onderhavig geval toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00, conform artikel 1 van Pro het Besluit vergoeding affectieschade.
Schokschade
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.
De hoogte van de geleden schokschade dient ingevolge artikel 6:106 BW Pro te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade nader onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht. Op grond hiervan stelt het hof vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht doordat zij direct na de schietpartij geconfronteerd werd met de ernstige gevolgen van de tenlastegelegde feiten. Zij is immers direct na de schietpartij haar huis uitgelopen, waar zij werd geconfronteerd met het dodelijk gewonde lichaam van haar partner. Deze emotionele schok heeft bij de benadeelde partij geleid tot geestelijk letsel, zij is door een GZ-psycholoog gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij onder meer EMDR-therapie heeft gehad. Er zijn negen behandelsessies geweest, waarna zij de behandelingen heeft gestaakt omdat de behandelingen dusdanig intensief waren en zij gelet op haar privésituatie onvoldoende ruimte ervoer om de behandeling voort te zetten. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij dat voor vergoeding in aanmerking komt.
Het hof zal, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, de schokschade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,00. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheid dat de benadeelde partij ook een aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade.
Conclusie immateriële schade
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 30.313,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] .

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 10-307145-22 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 17.500,00.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Indien het hof daar niet in mee gaat, wordt de vordering van de benadeelde partij door en namens de verdachte niet betwist.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, derde lid, BW kunnen naasten van slachtoffers die zijn overleden aanspraak maken op smartengeld, zogenaamde affectieschade. Het hof zal de vergoeding van de affectieschade in onderhavig geval toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 17.500,00, conform artikel 1 van Pro het Besluit vergoeding affectieschade.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] .

Vorderingen tot schadevergoeding [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder parketnummer 10-307145-22 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 50.000,00.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 50.000,00.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de vorderingen voor wat betreft de gevorderde vergoeding van de immateriële schade ten aanzien van de post aantasting in de persoon telkens niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van het hof
Affectieschade
Op grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, derde lid, BW kunnen naasten van slachtoffers die zijn overleden aanspraak maken op smartengeld, zogenaamde affectieschade. Het hof zal de vergoeding van de affectieschade in onderhavig geval toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 20.000,00, conform artikel 1 van Pro het Besluit vergoeding affectieschade.
Aantasting van de persoon
Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] . Dit recht wordt naar zijn inhoud mede bepaald door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat ook werking heeft tussen de burgers onderling. Onder deze bepaling valt ook het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van het slachtoffer - heeft tot gevolg dat [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hun gezinsleven met hun vader niet meer kunnen uitoefenen. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van de benadeelde partijen.
Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW (zie Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een
zeer ernstigeschending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. Hoge Raad 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721).
De advocaat van de benadeelde partijen heeft gesteld dat een inbreuk is gemaakt op het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven en dat dit in een cruciale fase van hun ontwikkeling plaats heeft gevonden. Zonder te onderschatten hoe het voor de dochters van het slachtoffer moet zijn om op te groeien zonder hun vader, stelt het hof vast dat zij wel nog door hun moeder verzorgd worden en dat zij met elkaar in dezelfde woning leven. Anders dan in de uitspraak van dit gerechtshof van 12 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2358, waar de advocaat zich op heeft beroepen, is er in dit geval dus geen sprake van dat het gezin uiteen is gevallen en de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar.
Onder genoemde omstandigheden kan in dit geval niet gezegd worden dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante, nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Nadere bewijsvoering hierover zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen voor zover die zien op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof bepaalt dat de benadeelde partijen in zoverre de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde. De vorderingen lenen zich elk - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing telkens tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] .

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 56, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-318597-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 30.313,00 (dertigduizend driehonderddertien euro) bestaande uit € 313,00 (driehonderddertien euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.313,00 (dertigduizend driehonderddertien euro) bestaande uit € 313,00 (driehonderddertien euro) materiële schade en € 30.000,00 (dertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 126 (honderdzesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2023 en van de immateriële schade op 20 november 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 november 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 83 (drieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 november 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-307145-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 83 (drieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 november 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, als voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. O.M. Harms, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2026.