ECLI:NL:GHDHA:2026:232

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.345.513/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:16 BVIEArt. 1019h RvRichtlijn 2001/29/EGArtikel 2 onder a) Richtlijn 2001/29/EGArtikel 3 lid 1 Richtlijn 2001/29/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke inbreuk op modelrechten en wijst auteursrechtinbreuk en slaafse nabootsing af

Secrid vordert in kort geding een verbod tegen [appellant] wegens vermeende inbreuk op haar model- en auteursrechten met betrekking tot de Miniwallet en Slimwallet. De rechtbank oordeelde dat alle vijf Pularys-portemonnees inbreuk maakten op de modelrechten van Secrid en wees de vorderingen toe.

Het hof vernietigt dit vonnis gedeeltelijk en oordeelt dat slechts twee Pularys-portemonnees (Viking en Vegan) inbreuk maken op de modelrechten. Voor de overige drie portemonnees (Nordic, Hugo en Yoga) is geen sprake van inbreuk op modelrechten, auteursrechten of onrechtmatige slaafse nabootsing. Het hof motiveert dit aan de hand van een gedetailleerde vergelijking van de uiterlijke kenmerken, de beschermingsomvang van de modellen en de creatieve keuzes die auteursrechtelijke bescherming rechtvaardigen.

Het hof benadrukt dat de binnenzijde van de portemonnees, die een duidelijke gebruiksfunctie heeft, meegewogen moet worden bij de beoordeling van inbreuk. Ook wordt geoordeeld dat de beschermingsomvang van de modellen beperkt is door het vormgevingserfgoed en technische functies. De kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep worden gecompenseerd. Het verbod wordt beperkt tot de twee Pularys-portemonnees die inbreuk maken, en de formulering van het verbod wordt aangescherpt om executiegeschillen te voorkomen.

Uitkomst: Het hof bevestigt inbreuk op modelrechten voor twee Pularys-portemonnees en wijst de overige vorderingen af, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.513/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/662737 / KG ZA 24-210
Arrest van 20 februari 2026 in kort geding
in de zaak van
[appellant], (voorheen) h.o.d.n. Jaguar [appellant], Jaguar en Pularys,
wonend in [woonplaats]
appellante,
advocaat: mr. D.M. Breuking, kantoorhoudend in Utrecht,
tegen
Secrid B.V.,
gevestigd in Rijswijk,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.J.F. Grijpink, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Secrid.

1.De zaak in het kort

1.1
Secrid vordert in kort geding [appellant] primair te verbieden inbreuk te maken in de Benelux op haar modelrechten en subsidiair te verbieden in Nederland inbreuk te maken op haar auteursrechten met betrekking tot de Miniwallet en de Slimwallet en deze wallets slaafs na te bootsen. Zij stelt dat [appellant] inbreuk maakt door het aanbieden en verhandelen van vijf “Pularys portemonnees”. De rechtbank heeft geoordeeld dat met al deze portemonnees inbreuk wordt gemaakt op de modelrechten van Secrid en de vorderingen toegewezen.
1.2
Het hof is van oordeel dat met twee Pularys-portemonnees inbreuk wordt gemaakt op de modelrechten van Secrid en bekrachtigt het vonnis in zoverre. Het hof wijst de vorderingen ten aanzien de andere drie Pularys-portemonnees af en vernietigt in zoverre het vonnis. De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep compenseert het hof.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 augustus 2024, waarmee [appellant], in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024;
  • de memorie van grieven van [appellant], met producties 26 tot en met 39;
  • de memorie van antwoord van Secrid, met producties 34 tot en met 42;
  • de producties 40 tot en met 43 van [appellant], de producties 43 tot en met 46 van Secrid en de (nadere) proceskostenoverzichten die partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 17 juli 2025 hebben overgelegd.
2.2
De advocaat van [appellant] heeft het hof op 8 juli 2025 bericht dat na het uitbrengen van de appeldagvaarding op 1 oktober 2024 de eenmanszaak van [appellant] bij wijze van juridische transformatie is omgezet in de rechtspersoon naar Pools recht Eureka Sp. z.o.o. (hierna: Eureka). Bij datzelfde bericht is namens appellant(e) door de advocaat een gecombineerde aanzegging gedaan van de schorsing van het geding en de hervatting daarvan door Eureka. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat dit verzoek weer ingetrokken, zodat de procedure wordt voortgezet op naam van [appellant]. Bij haar akte houdende overlegging producties van 17 juli 2025 heeft Secrid gesteld dat de “conversion” naar Pools recht een rechtsopvolging onder algemene titel is waarmee alle rechten en verplichtingen automatisch overgaan op de vennootschap, zodat [appellant] geen (proces)belang meer heeft en in haar beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof verwerpt dit verweer. [appellant] blijft immers procespartij en is veroordeeld door de voorzieningenrechter. Hij heeft dan ook (proces)belang bij vernietiging van het vonnis. Dat en waarom dit anders zou zijn heeft Secrid niet voldoende onderbouwd.
2.3
Op 17 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen ieder een aantal producten overgelegd, waaronder exemplaren van de in het geding zijnde wallets/portemonees.
2.4
Secrid heeft bezwaar gemaakt tegen productie 41 van [appellant], aangeduid als “extra vormgevingserfgoed”, bestaande uit een aantal stukken betreffende octrooien. Zij stelt dat het overleggen van nieuw vormgevingserfgoed bij de mondelinge behandeling in hoger beroep te laat is en buiten beschouwing moet worden gelaten. Het hof laat deze productie toe omdat deze tijdig in het geding is gebracht en beperkt is van omvang (19 pagina’s inclusief 6 pagina’s Chinese of anderszins voor het hof onbegrijpelijke tekst, waaraan het hof al om die reden geen aandacht zal besteden). Overigens blijkt uit hetgeen hierna in 6.30 wordt overwogen dat het hof deze producties niet relevant vindt.

3.De feiten

3.1
Secrid is een Nederlandse familieonderneming die zich bezighoudt met het ontwikkelen, produceren en verkopen van portemonnees, die zij onder het merk SECRID op de markt brengt. Secrid verkoopt haar producten in meer dan 80 landen, waaronder in België, Nederland en Luxemburg. Uiteindelijke bestuurders zijn [bestuurder Secrid 1] (hierna: [bestuurder Secrid 1]) en haar partner [bestuurder Secrid 2] (hierna: [bestuurder Secrid 2]) .
3.2
Secrid brengt sinds 2010 portemonnees onder de namen Miniwallet en Slimwallet op de markt, die zich kenmerken door een harde massieve kaarthouder (hierna ook: de cardprotector) met ruimte voor zes kaarten, die met een knop aan de onderzijde trapsgewijs naar boven kunnen worden geschoven, met daaromheen een zachte omslag van leer, Mirum of een leer-alternatief. De Miniwallet en de Slimwallet (hierna ook samen: de wallets) zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren en uitvoeringen. De ontwerpers van de Miniwallet en de Slimwallet zijn [bestuurder Secrid 2] en [bestuurder Secrid 1] (die in het verleden ook samen een ontwerpbureau Spirid hebben opgericht). Mede-ontwerper van de cardprotector is [naam].
3.3
Secrid is - voor zover hier van belang - houdster van de volgende modelregistraties (hierna gezamenlijk aangeduid als de Modellen):
- het op 10 juni 2010 gedeponeerde en op 11 maart 2011 onder nummer 38548-01
voor ‘Kaarthouders’ ingeschreven Benelux-model, waarbij de volgende
afbeeldingen behoren (hierna: Model 1 of het Miniwallet-model):
- het op 10 juni 2010 gedeponeerde en op 11 maart 2011 onder nummer 38548-02
voor ‘Kaarthouders’ ingeschreven Benelux-model, waarbij de volgende
afbeeldingen behoren (hierna: Model 2 of het Slimwallet-model):
3.4
Op enig moment tussen december 2009 (aldus [appellant]) en 10 juni 2010 (aldus [bestuurder Secrid 1] in haar verklaring van 29 november 2024 (productie 39S)) heeft Secrid onder de (al dan niet generieke) aanduiding Citywallet de volgende wallet aan het publiek beschikbaar gesteld:
3.5
[appellant] was eigenaar van de Poolse eenmanszaak Jaguar. Hij bracht
onder de (handels)namen Jaguar en Pularys leren producten, waaronder portemonnees, op
de markt. Hij bood zijn producten aan via de website www.pularys.com, die vanuit
diverse landen, waaronder België, Nederland en Luxemburg, te bezoeken is en in te stellen
op verschillende talen waaronder Nederlands en Frans.
3.6
[appellant] bood onder de naam Pularys portemonnees/kaarthouders aan in
verschillende uitvoeringen, waaronder de zogenoemde Viking (met en zonder airtag), Nordic (Insider en Hunter leather), Vegan en Yoga. Hieronder zijn afbeeldingen weergegeven van deze portemonees:
De Yoga
3.7
Begin april 2024 introduceerde [appellant] een nieuwe uitvoering onder de naam Hugo, die er als volgt uitziet:

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Secrid heeft [appellant] gedagvaard en, voor zover in beroep nog aan de orde, gevorderd [appellant] primair te verbieden in de Benelux inbreuk te maken op de Modellen en subsidiair te verbieden in Nederland inbreuk te maken op de haar auteursrechten met betrekking tot de Miniwallet en de Slimwallet en deze wallets slaafs na te bootsen. Voorts heeft Secrid primair en subsidiair gevorderd [appellant] te bevelen diverse opgaven te doen. Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de volledige proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv., vermeerderd met rente. Een in eerste aanleg gevorderd (en afgewezen) verbod om merkinbreuk te maken is in beroep niet meer aan de orde.
4.2
Secrid stelt daartoe onder meer dat de Pularys-modellen die [appellant] aanbood en op de markt bracht inbreuk maken op de Modellen in de zin van artikel 3:16 BVIE Pro omdat die hetzelfde uiterlijk vertonen dan wel geen andere algemene indruk wekken dan Model 1 of Model 2.
4.3
De voorzieningenrechter heeft genoemde primaire vorderingen toegewezen, zoals in het vonnis omschreven en [appellant] in de proceskosten veroordeeld, die zij, uitgaande van het maximumtarief voor een normaal kort geding heeft begroot op € 16.796,37. Zij heeft geoordeeld dat de Viking, de Vegan, de Nordic en de Hugo inbreuk maken op Model 1 en de Yoga op model 2.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] wil dat het hof de vorderingen van Secrid alsnog afwijst.
5.2
[appellant] heeft 14 grieven tegen het vonnis aangevoerd. Grief 1 richt zich tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter. Grief 2 gaat over de Citywallet en heeft betrekking op de subsidiaire auteursrechtelijk vordering. Grieven 3 tot en met 12 richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat dat de (alle) vijf Pularys-portemonnees inbreuk maken op de Modellen, het opgelegde verbod en de daarvoor gegeven argumenten. Grief 13 richt zich tegen de kostenveroordeling. Grief 14 richt zich tegen de, zijn inziens te ruime, formulering van het verbod.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Secrid stelt dat sprake is van modelrechtinbreuk, althans auteursrechtinbreuk en slaafse nabootsing. [appellant] betwist dat. Het hof is, op de door de rechtbank in het vonnis onder 4.1 vermelde gronden, bevoegd kennis te nemen van de door het in Nederland gevestigde Secrid tegen de in Polen wonende Chwilowitz ingestelde vorderingen.
Modelrechtinbreuk?
Uitgangspunten
6.2
In eerste aanleg voerde [appellant] (ook) het verweer dat de Modellen niet geldig zijn. Dit verweer is verworpen door de voorzieningenrechter. Daartegen heeft [appellant] niet gegriefd. Het hof gaat dan ook uit van de geldigheid van de Modellen.
6.3
Er is sprake van inbreuk als de Pularys-portemonnees binnen de beschermingsomvang van de Modellen vallen. Dat is het geval indien moet worden geoordeeld dat de Pularys-portemonnees bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekken dan (een van) de Modellen, rekening houdend met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model.
6.4
Vergeleken moet worden het model zoals ingeschreven met het vermeend inbreukmakend voortbrengsel. Voor bepaling van de beschermingsomvang dient een geabstraheerde weergave van een driedimensionaal product in de modelinschrijving met een normaal ontwikkeld fantasiegevoel vergeleken te worden met het vermeend inbreukmakende voortbrengsel. Onder omstandigheden mag ook gekeken worden naar het voortbrengsel zoals dat door de modelhouder daadwerkelijk wordt verhandeld ter verduidelijking teneinde reeds eerder op basis van het model zoals het is ingeschreven getrokken conclusies te bevestigen [1] . De algemene indruk bestaat in de visuele perceptie bij de geïnformeerde gebruiker van de verschijningsvorm van het betrokken voortbrengsel die daaraan met name wordt gegeven door de in artikel 3.1, lid 3 BVIE opgesomde kenmerken. [2] Dit zijn de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan.
6.5
De ‘geïnformeerde gebruiker’ ziet op een gebruiker die niet slechts gemiddeld, maar in hoge mate aandachtig is, hetzij door zijn persoonlijke ervaring, hetzij door zijn uitgebreide kennis van de betrokken sector. Het betreft een gebruiker die - zonder een ontwerper of een technisch deskundige te zijn - de in de betrokken sector bestaande verschillende modellen kent, een zekere kennis bezit met betrekking tot de elementen die deze modellen over het algemeen bevatten, en door zijn belangstelling voor de betrokken voortbrengselen blijk geeft van een vrij hoog aandachtsniveau bij gebruik ervan. [3] Het aandachtsniveau van een dergelijke gebruiker, dat hoe dan ook relatief hoog is, kan variëren naargelang van de betrokken sector. [4]
6.6
Het hof is (nog steeds [5] ) van oordeel dat, anders dan voor de beoordeling van de geldigheid, wel mag worden ‘gemozaiekt’ bij de beoordeling van de beschermingsomvang in die zin dat de beschermingsomvang van een model beperkt kan worden omdat het diverse bekende elementen uit verschillende oudere modellen heeft overgenomen.
6.7
Tussen de beantwoording van de vragen of een model geldig is en wat de beschermingsomvang daarvan is, bestaat in die zin een verband dat, indien vaststaat dat een model geldig is, de beschermingsomvang daarvan (i) afhankelijk is van de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen, en (ii) ten opzichte van latere modellen niet groter is dan de afstand die bestaat tussen het model en eerdere soortgelijke modellen. [6] .
6.8
Bij de beoordeling van de draagwijdte van de door een modelrecht verleende bescherming en de algemene indruk van conflicterende modellen moet de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model in aanmerking worden genomen. Hoe kleiner de vrijheid van de ontwerper des te groter is de kans dat kleine verschillen tussen conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken. Wanneer de vrijheid van de ontwerper wordt beperkt doordat een groot aantal uiterlijke kenmerken van het betrokken voortbrengsel of van het betrokken gedeelte ervan uitsluitend worden bepaald door de technische functie van dat voortbrengsel of dit gedeelte van het voortbrengsel, kan de aanwezigheid van kleine verschillen tussen de conflicterende modellen dus volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken [7] . Dat geldt niet voor kenmerken die aan een modetrend zijn verbonden. [8]
6.9
De inhoud van de inschrijving als geheel bepaalt - voor de geïnformeerde gebruiker, die het register raadpleegt - de algemene indruk, en daarmee de beschermingsomvang van het model. Als er meer afbeeldingen zijn (bij een enkelvoudig model), zoals in dit geval van de buitenkant en de binnenkant, zal de geïnformeerde gebruiker aan beide afbeeldingen aandacht besteden, dus ook aan de binnenkant. Dit kan anders zijn als de binnenkant van het voortbrengsel bij normaal gebruik niet zichtbaar is. [9]
De kenmerken van de Modellen en de daardoor gewekte algemene indruk
6.1
De Modellen zijn ingeschreven voor kaarthouders. Zij bevatten elk twee afbeeldingen (in ingeklapte en uitgeklapte toestand). Van zowel de buitenzijde als de binnenzijde is één afbeelding in elk Model opgenomen. Voor deze wijze van deponeren heeft Secrid zelf, naar het hof aanneemt bewust, gekozen, wellicht ook ter voorkoming van het risico van nietigverklaring. De binnenzijde bevat opbergruimte (vakken en een flap) voor (onder meer) kaarten en bankbiljetten en heeft dan ook een duidelijke gebruiksfunctie. Bij normaal gebruik zal de binnenkant dan ook (veelvuldig) zichtbaar zijn. Voor de bepaling van de algemene indruk van de Modellen is dus ook (de afbeelding van) de binnenkant van belang. Beide partijen gaan er ook van uit dat de in de inschrijving afgebeelde binnenzijde van belang is bij de beoordeling van de inbreukvraag en dat deze binnenkant bij de vergelijking van de Modellen en de vermeend inbreukmakende Pularys-portemonees moet worden meegenomen. Secrid heeft nog wel gesteld dat bij de vergelijking de buitenzijde zwaarder weegt, maar het hof ziet daarvoor, gelet op de duidelijke gebruiksfunctie van de binnenzijde, geen reden. Het belang van de binnenzijde blijkt ook uit de omstandigheid dat Secrid de binnenkant en de gebruiksfunctie daarvan ook herhaaldelijk toont in haar promotiemateriaal (productie 11 Ch).
6.11
Secrid stelt dat beide Modellen (onder meer) de volgende kenmerkende elementen hebben:
1) een strakke, slanke, hoofdzakelijk rechthoekige, metaalachtige behuizing;
2) met strak afgesneden boven- en onderzijden;
3) met organisch geronde zijzijden;
4) een contrasterend ondervlak;
5) met linksonder een enigszins diagonaal uitstekende en eveneens contrasterende bedieningsknop;
6) waarvan de vorm de organische ronding van de behuizing volgt;
7) waarbij genoemde behuizing wordt ingesloten door een zachte, althans zeer flexibele en vouwbare omslag;
8) dat contrasteert met de (aluminium) behuizing;
9) dat nauw om de behuizing wordt gevouwen waarbij de behuizing deels zichtbaar blijft, zonder dat het groter is dan de behuizing;
10) welke omslag een zichtbaar stiksel bevat dat de buitenranden van het lederen omhulsel volgt;
11) aan de binnenzijde van het uitgevouwen omhulsel: een uitsparing van boven naar beneden, met hoekige uitsneden, waardoor twee vlakken ontstaan;
12) aan die binnenzijde voorts een flexible flap tussen de behuizing en de omslag;
waarbij (Miniwallet) Model 1 voorts omvat:
13) een symmetrisch sluitingslipje in het midden van de rechterzijde van de omslag;
14) met een ronde drukknoop;
15) een half rond uitlopend uiteinde;
.
en (Slimwallet) Model 2 voorts omvat:
13A) een klein rechthoekig sluitingslipje dat (alleen) de zijzijde van de behuizing
deels bedekt.
6.12
De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van de buitenzijde geoordeeld dat de algemene indruk van de Modellen vooral wordt bepaald door de combinatie van een harde metalen kaarthouder met een zacht omhulsel met een stiksel aan de rand en een diagonaal geplaatste donkere knop aan de linkeronderzijde.
6.13
[appellant] betwist dat uit de afbeeldingen van de Modellen valt af te leiden dat de kaarthouder van (hard) metaal is dat de omslag van een zacht, althans flexibel materiaal is.
6.14
Het hof is voorshands van oordeel dat uit de afbeeldingen wel valt af te leiden dat het gaat om een harde metaalachtige behuizing die in gesloten toestand wordt ingesloten door een zacht, althans flexibel en vouwbaar materiaal. Zichtbaar is immers dat de behuizing glanst en hard is en dat de omslag daaromheen vrij nauw is gevouwen. Daar ook zichtbaar is dat die omslag in uitgeklapte toestand een uit twee symmetrische delen bestaand plat vlak vormt roept dit het beeld op van een flexibel vouwbaar zacht materiaal. Het is moeilijk voorstelbaar dat met een stug of dun metalen of niet zacht/flexibel materiaal deze resultaten in ingeklapte en uitgeklapte toestand worden bereikt. Daarnaast suggereert ook het stiksel een zacht materiaal.
6.15
[appellant] heeft niet betwist dat uit de afbeeldingen van de Modellen de overige door Secrid gestelde elementen blijken. Het hof, dat dit overigens ook zelf heeft waargenomen, gaat daar dan ook van uit.
6.16
[appellant] verwijt de voorzieningenrechter te hebben nagelaten te benoemen dat uit de afbeeldingen van de Modellen ook volgt
  • dat de zijkanten van de kaarthouder rond zijn en deze rondingen organisch zijn;
  • dat de bedieningsknop massaliteit uitstraalt en robuust is en
  • dat er zes pasjes in de kaarthouder passen.
Hij stelt dat deze elementen, die niet op dezelfde wijze in de Pularys -portemonnees voorkomen, bij de vergelijking in het kader van de inbreukvraag hadden moeten worden meegewogen.
6.17
Partijen zijn het er over eens dat de zijkanten van de kaarthouder in de afbeeldingen van de Modellen een organische ronding hebben. Al om die reden gaat het hof daarvan uit. Naar het voorlopig oordeel van het hof is dat ook duidelijk te zien op de afbeeldingen van de binnenkant van de Modellen. Van de zijzijde, die in de afbeelding van de buitenkant te zien is, is in Model 1 te zien dat de uiteinden van die zijzijde rond zijn. De geïnformeerde gebruiker met een normaal ontwikkeld fantasiegevoel zal er van uitgaan dat ook het overige niet zichtbare deel van die zijzijde een organische ronding heeft. In Model 2 is in de afbeelding van de buitenzijde te zien dat de zijzijde, die grotendeels zichtbaar is, een organische ronding heeft.
6.18
Dat de bedieningsknop massief, lomp en/of
eigenwijscontrasteert met het rechthoekige en strakke vlak van de aluminium behuizing valt naar het oordeel van het hof in de afbeelding niet waar te nemen, althans valt niet op. Dat (slechts) zes pasjes in de kaarthouder passen is niet te zien op de afbeeldingen van de Modellen. Deze vermeende elementen zijn dan ook niet bepalend voor de algemene indruk die de Modellen wekken.
6.19
Het hof is dan ook van oordeel dat de algemene indruk van de buitenkant van Model 1 wordt bepaald door de combinatie van de in 6.11 onder 1 tot en met 10 en 13 tot en met 15 genoemde kenmerken De algemene indruk van de buitenkant van Model 2 wordt bepaald door de combinatie van de onder 1 tot en met 10 en 13A genoemde elementen.
6.2
[appellant] heeft nog aangevoerd dat de afbeeldingen van het model in zwart-wit zijn gedeponeerd en de beschermingsomvang van het model daarom beperkt is tot voortbrengsels in zwart-wit. Het hof is echter van oordeel dat de omstandigheid dat het model geen kleuren noemt of toont in beginsel betekent dat het beschermt tegen gebruik van het model in alle kleuren, met als gevolg dat alleen de vorm en niet tevens de kleur bij de vergelijking moeten worden betrokken.
6.21
Zoals hiervoor in 6.9 overwogen is het hof, anders dan de voorzieningenrechter in haar vonnis kenbaar heeft gemaakt, voorshands van oordeel dat de binnenzijden van de Modellen en de Pularys-portemonnees ook van belang zijn bij de beantwoording van de inbreukvraag. Dat wordt door Secrid ook erkend.
6.22
De algemene indruk van de binnenzijde van beide Modellen wordt bepaald door de in 6.11 onder 11 en 12 genoemde elementen, waaraan het hof op grond van eigen waarneming toevoegt dat de Modellen in opengeklapte toestand uit drie ongeveer gelijke delen bestaan, waarvan de behuizing het linkse deel vormt en de andere twee delen (het rechter- en het middendeel) uit het materiaal van de omslag bestaan, in welke delen zich de uitsneden bevinden die symmetrisch zijn en die samen één vlak met twee smallere uitlopers in het midden van deze twee delen vormen, welk vlak in het midden (ongeveer) twee keer zo breed is als aan de uiteinden daarvan. Door deze elementen ontstaat een rustig, symmetrisch en evenwichtig beeld en wordt de cardprotector, doordat deze voor het openen en sluiten ervan twee keer moet worden omgeslagen, als het ware ingepakt door de omslag (hierna ook aan te duiden als het inpakmechanisme).
Beperkte beschermingsomvang?
6.23
[appellant] stelt dat de beschermingsomvang van de Modellen beperkt is omdat
elementen van de Modellen voorkomen in het vormgevingserfgoed (de producten die voor de datum van het depot aan het publiek ter beschikking waren gesteld), stellende dat voor de bepaling van de beschermingsomvang mag worden “gemozaiekt” (grief 5);
elementen van de Modellen uitsluitend technisch bepaald zijn (grief 6).
Ad a. Het vormgevingserfgoed
6.24
Niet gesteld is dat tot het vormgevingserfgoed producten behoren die een combinatie vormen van een metalen cardprotector en een zachte omslag met aan de binnenkant opbergvoorzieningen voor kaarten, papiergeld e.d. [appellant] heeft gesteld dat de Citywallet van Secrid in december 2009 aan het publiek ter beschikking is gesteld. Secrid heeft dit betwist, ter onderbouwing waarvan zij een verklaring van [bestuurder Secrid 1] heeft overgelegd (productie 39 S). Zij verklaart dat deze wallet pas op 10 juni 2010 op de markt is geïntroduceerd, dat de publicatie waarnaar [appellant] verwijst betrekking had op de cardprotector (sec) en dat Citywallet een andere, generieke naam was voor de Miniwallet. Of deze wallet al in december 2009 of pas in juni 2010 ter beschikking van het publiek is gesteld kan hier in het midden blijven daar ter beschikkingstelling in december 2009 door Secrid zelf valt binnen de terme de grâce van 1 jaar. [appellant] heeft ook niet gegriefd tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter.
6.25
Voor de mondelinge behandeling in beroep heeft [appellant] als productie 42 een (you-tube) publicatie van [bestuurder Secrid 2] overgelegd, met de toelichting dat daaruit blijkt dat de cardprotector al op 28 mei 2009 openbaar is gemaakt en dus tot het vormgevingserfgoed behoort. Daarop heeft hij zich bij de mondelinge behandeling beroepen. Secrid heeft dit niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat.
6.26
In het vormgevingserfgoed komen producten voor die een aantal elementen van de buitenkant van de Modellen bevatten, met name de elementen 10 en 13-15 van Model 1. [appellant] beroept zich
met betrekking tot Model 1op diverse producten uit het vormgevingserfgoed, waarvan hij als producties 3, 32, 33 en 41 afbeeldingen heeft overgelegd. Hij beroept zich in het bijzonder op de volgende producten (overgelegd als productie 3, pagina’s 31 (Masterwin), 41 (Louis Vuitton) en 28 (Fineline):
Deze producten (zelf) zijn ook overgelegd door [appellant]. Het gaat om houders van visitekaartjes. Verder zijn er ook afbeeldingen van agenda’s overgelegd. De omslagen bestaan uit twee delen (de kaft) waartussen het omhulde element is bevestigd, zoals gebruikelijk is bij een boek of agenda.
6.27
Deze producten, waarvan [appellant] kennelijk vindt dat ze het meest nabij gelegen vormgevingserfgoed vormen, vertonen echter belangrijke verschillen met de Modellen. Daarin komen immers de elementen 1 tot en met 9 van de Modellen niet voor. Weliswaar was de cardprotector los al onderdeel van het vormgevingserfgoed, waardoor ook de elementen 1 tot en met 6 in het vormgevingserfgoed voorkwamen, maar de combinatie daarvan en de wijze waarop die combinatie is vormgegeven is niet terug te vinden in het vormgevingserfgoed. Voorts is niet gesteld en ook niet aannemelijk dat de binnenzijde van deze of andere producten uit het vormgevingserfgoed de elementen van de binnenzijde van de Modellen, zoals hiervoor in 6.11, onder 11 en 12, en in 6.22 genoemd, bevatten. Doordat Model 1 in opengeslagen toestand bestaat uit drie delen wijkt ook de wijze van openen en sluiten van de Modellen (daarvoor moet het meest linkse deel, de cardprotector, twee keer worden omgeslagen) belangrijk af van de wijze van openen en sluiten van de producten uit het vormgevingserfgoed (door gewoon het linkerdeel van de omslag/de kaft te openen en te sluiten, zoals bij een boek). Gelet op het bovenstaande kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet gezegd worden dat door het vormgevings-erfgoed slechts sprake is van een beperkte beschermingsomvang van
Model 1.
6.28
Met betrekking tot Model 2beroept [appellant] zich op producten waarvan hij als producties 10 en 33 afbeeldingen heeft overgelegd. Daarnaast heeft hij een aantal producten overgelegd. Het gaat hier om klassieke mapjes en portemonnees met vakjes voor credit- en debitkaarten of visitekaartjes en agenda’s/organisers die in opengeslagen toestand bestaan uit twee delen. Hiervoor geldt hetgeen hierdoor is overwogen over het overgelegde vormgevingserfgoed met betrekking tot Model 1. Verder heeft [appellant] (vintage) rekenmachines met een omslag en afbeeldingen daarvan overgelegd. Deze bestaan in opengeslagen toestand uit drie delen, waarbij het linkse deel de rekenmachine is en de andere twee delen de omslag, die op dezelfde wijze als Model 2 worden geopend en gesloten, waarbij het inpakmechanisme wordt toegepast. Hiervan wordt hieronder een voorbeeld afgebeeld.
6.29
Het hof is van oordeel dat door dit vormgevingserfgoed in combinatie met de reeds bekende cardprotector van Secrid de beschermingsomvang enigszins is beperkt. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over de vraag of de Yoga inbreuk maakt op Model 2, kan de beschermingsomvang van dit Model overigens in het midden blijven.
6.3
[appellant] heeft als productie 41 als extra vormgevingserfgoed een aantal (deels voor het hof onleesbare) stukken betreffende octrooien overgelegd. Zij tonen een aantal tweedelige mapjes met ronde of afgeronde uitsparingen voor het inbrengen en uithalen van kaarten. De bij de octrooien getoonde afbeeldingen wijken zodanig af van de binnenzijde van de Modellen dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom deze octrooien de beschermingsomvang van de Modellen relevant zouden beperken.
Ad b. Is de vrijheid van de ontwerper beperkt doordat elementen van de Modellen uitsluitend een technische functie hebben?
6.31
[appellant] stelt in zijn MvG dat de elementen van de Modellen uitsluitend technisch bepaald zijn (grief 6). Hij heeft dit daar niet geconcretiseerd, maar volstaan met een verwijzing naar zijn conclusie van antwoord, waar de technische bepaaldheid van de (alle) elementen van de Modellen is aangevoerd in het kader van zijn beroep op nietigheid van de Modellen en zijn betwisting van de stelling dat de Wallets voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Hij stelde daar dat de vormgeving van de Modellen volledig technisch is bepaald. Pas tijdens de mondelinge behandeling in beroep heeft hij dit nader uitgewerkt in het kader van de beschermingsomvang.
6.32
Secrid heeft bezwaar gemaakt tegen dit verweer, stellende dat [appellant] daarmee niet voor het eerst bij de mondelinge behandeling kan komen. Het hof verwerpt dit bezwaar. In grief 6 - en daarmee tijdig - heeft hij de technische bepaaldheid van elementen van de Wallets in het kader van de beschermingsomvang al aan de orde gesteld. Dat heeft hij daar weliswaar niet uitgewerkt, maar door de verwijzing naar de door hem in eerste aanleg aangevoerde argumenten over de technische bepaaldheid van elementen van de Wallets was toen al voldoende duidelijk wat hij met deze grief wil aanvoeren.
6.33
Bij de beoordeling van de beschermingsomvang van de Modellen en de algemene indruk die zij wekken moet de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model in aanmerking worden genomen. Wanneer de vrijheid van de ontwerper wordt beperkt doordat een groot aantal uiterlijke kenmerken van (een deel van) het betrokken voortbrengsel uitsluitend wordt bepaald door de technische functie daarvan, kan de aanwezigheid van kleine verschillen tussen de (onderdelen van) conflicterende modellen volstaan om bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk te wekken.
6.34
Het hof is voorshands van oordeel dat het materiaal (door het gebruik van aluminium zou digitaal zakkenrollen onmogelijk worden gemaakt), de vorm, de maat (die beide zijn afgestemd op de vorm en de maat van credit- en debitkaarten) en het uitwerpmechanisme van de cardprotector uitsluitend door de technische functie daarvan zijn bepaald. Dat valt af te leiden uit publicaties van en over Secrid over de cardprotector en uit de omstandigheid dat [bestuurder Secrid 2] voor de cardprotector en het uitwerpmechanisme octrooien heeft aangevraagd (productie 7 respectievelijk 16 Ch). In zoverre is de vrijheid van de ontwerper beperkt. Het hof is van oordeel dat dit ook geldt wat betreft de maat van het omhulsel. Die moet immers worden afgestemd op de maat van de cardprotector, terwijl het hof aannemelijk acht dat functionele eisen meebrengen dat een wallet zo compact mogelijk is. Dit betekent dat de vrijheid van de ontwerper ten aanzien van deze elementen klein is en de kans groter is dat kleine verschillen met betrekking tot deze onderdelen van de Modellen tussen de Modellen en de Pularys-portemonnees bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekken. Naar het voorlopig oordeel van het hof zijn de overige elementen niet uitsluitend technisch bepaald. Portemonnees en omslagen kunnen op vele wijzen worden uitgevoerd; er zijn ook vele verschillende uitvoeringen op de markt, waarvan Secrid voorbeelden heeft overgelegd.
De vergelijking tussen de Pularys-portemonees Viking, Vegan, Nordic en Hugo enerzijds en Model 1 anderzijds.
6.35
Secrid stelt dat de Viking en Vegan (die er hetzelfde uitzien wat betreft de vormgeving), de Nordic en de Hugo inbreuk maken op de Model 1. Het hof beeldt de producten hieronder nogmaals af naast Model 1:
6.36
Uitgaande van de hiervoor in 6.11, 6.19 en 6.22 omschreven elementen en de (daardoor) gewekte algemene indruk van Model 1 en hetgeen in 6.24 tot 6.34 is opgemerkt over de beschermingsomvang, wekt de buitenzijde van de Viking, de Vegan en de Nordic door dezelfde combinatie van de bepalende elementen naar het oordeel van het hof geen andere algemene indruk dan de buitenzijde van Model 1. Weliswaar zijn er enkele (minimale)verschillen (zoals de rondere zijzijden, de iets smallere bedieningsknop en het precieze stiksel), maar die doen daaraan onvoldoende af omdat ze zo gering zijn, dat de buitenzijde van deze portemonnees ook voor de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. In zoverre deelt het hof het oordeel van de voorzieningenrechter in 4.15 van het Vonnis, waaraan het hof nog toevoegt dat het heeft waargenomen dat de zijzijden van de cardprotector in de (overgelegde) Pularys-portemonnees ook enigszins gerond lijken af te lopen en de bedieningsknop ook contrasteert met het vlak van de behuizing. Dat (een aantal elementen van) de cardprotector uitsluitend technisch bepaald is en dat de cardprotector tot het vormgevingserfgoed behoort doen daar niet aan af, omdat de cardprotector slechts deels de algemene indruk bepaalt en de verschillen ook in zoverre te gering zijn om een andere algemene indruk te wekken.
6.37
In de binnenkant van de Viking en de Vegan is, net als in Model 1, een uitsparing van boven naar beneden, met hoekige uitsneden (aan één hoek), welke uitsparing in het midden wijder is dan aan de uiteinden. Ook zijn de uitsneden aan beide zijden even groot. Ook bevindt zich een felxibele flap tussen de cardprotector en de omslag. Er zijn ook verschillen: zo is de uitsparing aan de boven- en onderzijde breder en zijn de uitsneden niet symmetrisch en is de flexibele flap zo gepositioneerd dat hij overhelt naar het middendeel van de drie delen in opengeslagen toestand. Naar het oordeel van het hof zijn deze verschillen echter onvoldoende om te concluderen dat, gelet op de wel (vrijwel) identieke elementen aan de binnen- én de buitenzijde, de Viking en de Vegan als geheel een andere algemene indruk wekken dan Model 1.
6.38
De binnenkant van de Nordic vertoont dezelfde verschillen wat betreft de uitsparing en de uitsneden als de Viking/Vegan, maar heeft geen flap tussen de cardprotector en de omslag. Voorts bevindt zich een opvallende band om de cardprotector aan beide zijden. De cardprotector is veel prominenter aanwezig dan in Model 1. De algemene indruk van de binnenzijde van de Nordic wijkt naar het voorlopig oordeel van het hof zodanig af van de algemene indruk van de binnenzijde van Model 1, dat hoewel de algemene indruk van de buitenkant niet anders is, de Nordic als totaal een andere algemene indruk wekt dan Model 1.
6.39
De Hugo wekt naar het voorlopig oordeel van het hof zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk dan Model 1. Aan de binnenzijde van de Hugo bestaat de omslag uit drie delen materiaal van de omslag en is de cardprotector niet zichtbaar. De extra flap tussen de cardprotector en de omslag ontbreekt. De cardprotector is achterop het linkse deel van de omslag in opengeslagen toestand geplakt. Hierdoor wekt ook de buitenzijde een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker. In plaats van één stuk omslagmateriaal aan beide kanten van de cardprotector, waardoor sprake is van een evenwichtige, rustige algemene indruk, bevindt zich aan één kant van de cardprotector (de bovenkant) een uit twee lagen materiaal bestaande omslag, waardoor het evenwicht wordt verstoord en de Hugo ook dikker oogt (en is) dan Model 1.
6.4
Het bovenstaande brengt mee dat naar het oordeel van het hof door de Viking en de Vega wel inbreuk wordt gemaakt op Model 1, maar dat door de Nordic en de Hugo geen inbreuk wordt gemaakt op Model 1.
De vergelijking tussen de Pularys-portemonnee Yoga enerzijds en Model 2 anderzijds.
6.41
Secrid stelt dat de Yoga en Model 2 dezelfde algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker. Het hof beeldt hieronder de Yoga nogmaals af naast Model 2
6.42
Uitgaande van de hiervoor in 6.11, 6.19 en 6.22 omschreven elementen en de (daardoor) gewekte algemene indruk van Model 2 en hetgeen in 6.24 tot 6.34 is opgemerkt over de beschermingsomvang, wekt naar het voorlopig oordeel van het hof zowel de buitenzijde als de binnenzijde van de Yoga een andere algemene indruk dan de buitenzijde en de binnenzijde van Model 2. De binnenzijde van de Yoga vertoont aanzienlijke verschillen met de binnenzijde van Model 2. De Yoga is in feite een simpel standaardmapje dat bestaat uit twee delen, waarbij de cardprotector is geplakt op, althans vastzit aan de rechterzijde van het mapje, terwijl de cardprotector in Model 2 het linkerdeel is van een driedelige omslag. De elementen van de binnenzijde van Model 2, als hiervoor omschreven in 6.22 ontbreken alle. Ook de buitenzijde van de Yoga vertoont relevante verschillen met de buitenzijde van de Model 2. Bij de Yoga ligt de bovenkant zichtbaar los op de cardprotector, terwijl in Model 2 de cardprotector is ingepakt. Ten slotte ontbreekt ook element 13A van Model 2 (het sluitingslipje). Het hof concludeert, mede op grond van eigen waarneming, dat de afstand tussen Model 2 en de Yoga groter is dan de afstand tussen Model 2 en het vormgevingserfgoed. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de Yoga een combinatie van twee elementen uit het vormgevingserfgoed en is de afstand tussen dat erfgoed en de Yoga kleiner dan de afstand tussen Model 2 en de Yoga. Dat diverse elementen van de cardprotector uitsluitend technisch bepaald zijn (waardoor kleine verschillen voldoende zouden kunnen zijn om een andere algemene indruk te wekken) doet aan het bovenstaande niet af door de aanzienlijke verschillen, mede omdat juist de cardprotector al tot het vormgevingserfgoed behoorde.
6.43
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat door de Yoga geen inbreuk wordt gemaakt op Model 2.
6.44
Het oordeel van het hof dat geen modelrechtinbreuk wordt gemaakt door de Nordic, de Hugo en de Yoga betekent dat de grieven 1 tot en met 12 in zoverre slagen en beoordeeld moet worden of door deze Pularys-portemonees inbreuk wordt gemaakt op auteurs-rechten van Secrid, dan wel in zoverre sprake is van onrechtmatige slaafse nabootsing.
Auteursrechtinbreuk?
Uitgangspunten
6.45
In zijn arrest van 4 december 2025 in de gevoegde zaken C-580/23 (Mio/Asplund) en C-795/23 (konektra/USM) [10] (hierna ook aan te duiden als het Mio-arrest) heeft het HvJEU overwogen dat weliswaar modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijke bescherming van een gebruiksvoorwerp elkaar niet uitsluiten en cumulatief kunnen worden verleend, maar dat een dergelijke cumulatie beperkt blijft tot bepaalde gevallen aangezien een auteur een uniek werk dient te creëren dat zijn persoonlijkheid weerspiegelt en als zodanig beschermd is overeenkomstig richtlijn 2001/29 EG [11] .
6.46
In het Mio-arrest is voorts beslist:
Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 moeten aldus worden uitgelegd dat onder een werk in de zin van deze bepalingen een voorwerp wordt verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij en creatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ook keuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteur tijdens het scheppingsproces, zijn inspiratiebronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning van dat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen, maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen.
6.47
Daartoe heeft het HvJ onder meer overwogen:
48. (…) dat het begrip „werk” als bedoeld in artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 volgens vaste rechtspraak (…) de combinatie van twee cumulatieve elementen veronderstelt. Ten eerste impliceert dit begrip dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als „werk” worden aangemerkt (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C683/17, EU:C:2019:721, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Met betrekking tot dat eerste element volgt uit de rechtspraak dat het, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Wanneer daarentegen voor de vervaardiging van een voorwerp technische overwegingen, regels of andere beperkingen gelden die geen ruimte laten voor creatieve vrijheid, kan dat voorwerp niet worden geacht de oorspronkelijkheid te hebben die vereist is om een werk te kunnen vormen (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C683/17, EU:C:2019:721, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 (…) Auteursrechtelijke bescherming, waarvan de duur aanzienlijk langer is, is (…) voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C683/17, EU:C:2019:721, punt 50).
64 Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat aan het criterium van oorspronkelijkheid niet kan worden voldaan door onderdelen van een voorwerp die uitsluitend door hun technische functie worden gekenmerkt, aangezien auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot ideeën. Wanneer de uitdrukking van die onderdelen door hun technische functie wordt bepaald, zijn de verschillende manieren om een idee uit te voeren immers zodanig beperkt dat dit idee samenvalt met de uitdrukking ervan (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C833/18, EU:C:2020:461, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Hieruit volgt dat in het kader van het auteursrecht niet mag worden verondersteld dat de keuzen van de auteur van het voorwerp creatief zijn. De rechter die dient te oordelen of een gebruiksvoorwerp oorspronkelijk is, moet dus de creatieve keuzen in de vorm ervan onderzoeken en identificeren om het als auteursrechtelijk beschermd te kunnen aanmerken, met dien verstande dat, zelfs wanneer de auteur ervan keuzen heeft gemaakt die niet door technische of andere beperkingen zijn ingegeven, de creatieve aard van die keuzen in de zin van het auteursrecht niet mag worden verondersteld (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C833/18, EU:C:2020:461, punt 32).
70. . Uit de in de punten 48 en 49 hierboven aangehaalde rechtspraak vloeit voort dat het, om een voorwerp als een oorspronkelijke schepping te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van de auteur ervan „weerspiegelt” door „uitdrukking te geven” aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur.
71 …blijkt uit het gebruik van de termen „weerspiegelt” en „uitdrukking te geven” duidelijk dat deze keuzen en de persoonlijkheid van de auteur zichtbaar moeten zijn in het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt.
78 … het feit dat de auteur van een voorwerp gebruik heeft gemaakt van reeds beschikbare vormen, op zich niet uitsluit dat dit voorwerp oorspronkelijk kan zijn. Een voorwerp dat uitsluitend uit beschikbare vormen bestaat, kan immers een oorspronkelijk werk zijn wanneer de auteur zijn creatieve keuzen tot uitdrukking heeft gebracht in de schikking van die vormen.
79 Wat (…) het geval betreft waarin de auteur van een voorwerp zich heeft laten inspireren door bestaande voorwerpen, zal de auteursrechtelijke bescherming beperkt blijven tot de geïdentificeerde creatieve elementen die eigen zijn aan die auteur. Wanneer het voorwerp in kwestie een „variant” is van een bestaand werk dat afkomstig is van dezelfde auteur en per definitie oorspronkelijk is, kan het immers auteursrechtelijke bescherming genieten zolang de overgenomen creatieve elementen daarin aanwezig blijven en de persoonlijkheid van diezelfde auteur weerspiegelen (…).
6.48
Het gaat om de volgende producten van Secrid (hieronder afgebeeld in vintage brown uitvoering):
6.49
Secrid stelt dat de Pularys-portemonnees inbreukmakende producten zijn omdat zij een verveelvoudiging zijn van Secrids werken, doordat zij daaraan zijn ontleend, of in ieder geval de auteursrechtelijk beschermde trekken overnemen. Deze producten wekken geen andere totaalindruk. Ook hier geldt dat, voor zover er verschillen zijn, deze te minimaal en te ondergeschikt om een andere totaalindruk te kunnen wekken. Dat geldt nog los van het feit dat aan het buitenaanzicht van de gesloten portemonnee het meeste gewicht toe dient te komen. Een en ander aldus Secrid.
6.5
[appellant] heeft de volgende verweren gevoerd:
De Miniwallet is een bewerking van de Citywallet, zodat Secrid geen rechten kan ontlenen aan de auteursrechtelijke trekken die zijn overgenomen van de Citywallet en het eventuele auteursrecht op de Miniwallet is beperkt is tot eventuele elementen die aan de Citywallet zijn toegevoegd en waardoor ook niet duidelijk is op welke variant Secrid zich beroept;
De Miniwallet en de Slimwallet kwalificeren niet als auteursrechtelijk beschermde werken omdat zij geen eigen oorspronkelijk karakter hebben en niet het persoonlijk stempel van de maker dragen;
De elementen van de Miniwallet en de Slimwallet zijn technisch en/of functioneel bepaald en/of banaal en komen dus niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking;
Als al sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk, is geen sprake van inbreuk op de (vermeende) auteursrechten, vanwege de verschillen tussen de Pularys-portemonnees en de Wallets, mede gelet op de beperkte beschermingsomvang.
6.51
Het hof is van oordeel dat het onder i gestelde verweer al niet slaagt, nu de ontwerpers van de Citywallet en de Miniwallet dezelfde zijn, namelijk [bestuurder Secrid 2] en [bestuurder Secrid 1], die beiden al hun rechten hebben overgedragen aan Secrid. Het hof verwijst naar de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging 79 van het Mio-arrest. Voorts is duidelijk dat Secrid zich beroept op de in juni 2010 op de markt gebrachte Miniwallet.
6.52
Secrid stelt dat haar Miniwallet en Slimwallet ten minste de volgende creatieve keuzes belichamen/ auteursrechtelijk beschermde trekken hebben:
A. Een behuizing;
a. met een matte metaalachtige kleur;
b. met licht geronde zijden;
c. met linksonder een uitstekende bedieningsknop.
B. Een zacht omhulsel (van leer of alternatief voor leer);
a. welk materiaal contrasteert met de aluminium binnenkant;
b. met een zichtbaar stiksel;
c. waarin de behuizing zichtbaar blijft, doordat het lederen omhulsel nauw rond de behuizing gevouwen wordt, zonder dat het groter is dan de behuizing
d. met op de voorkant, op de rechterzijde, in het midden, nabij de naad, een drukknoop;
C. Welk lederen omhulsel uitgeklapt een originele vorm ontwaart, gekenmerkt door
a. een uitsparing van boven naar onderen, in het midden van de rechterzijde, zodat twee vlakken aan de rechterzijde ontstaan;.
b. hoekige uitsneden in die uitsparing, wat bijdraagt aan de strakke vormgeving en
c. een voorziening om biljetten te houden;.
D. Een combinatie van het bovenstaande, resulterend in een strakke vormgeving.
In het geval van de Secrid Miniwallet worden - in aanvulling op bovenstaande creatieve keuzes - daar ten minste de volgende creatieve keuzes aan toegevoegd:
E. Een slank sluitingslipje van leer;
a. dat in het midden van het lederen omhulsel geplaatst is
b. dat in een half rond uiteinde uitloopt; en
c. met een drukknoop in een kleur die en materiaal dat contrasteert met het leer met rondom een inscriptie van letters.
F. Een combinatie van het bovenstaande, resulterend in een strakke vormgeving.
6.53
Het hof is, zoals hiervoor in 6.34 is overwogen, voorshands van oordeel dat onder A vermelde elementen van de behuizing/de cardprotector (deels) technisch bepaald zijn. Die komen om die reden niet voor auteursrechtelijk bescherming in aanmerking. Voor zover dat niet geldt voor de
mattemetaalachtige kleur en/of de licht geronde zijden en deze berusten op vrije keuzes, kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet gezegd worden dat deze keuzes de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Het gaat daarbij immers om één van de mogelijke en voor de hand liggende keuzes waaruit een ontwerper kan kiezen (bijvoorbeeld de keuze voor een rechte of een (ge)ronde zijkant). Secrid heeft ook niet onderbouwd
waaromdeze keuzes creatief of uniek zouden zijn.
6.54
Het combineren van de cardprotector met een zacht/flexibel omhulsel is een idee, waartoe auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt (zie ook rechtsoverweging 64 van het Mio-arrest). Secrid heeft ook zelf gesteld tijdens de mondelinge behandeling in beroep dat zij weliswaar gestart is met het realiseren van dit idee/deze combinatie, maar dat die combinatie vrij is en dat zij zich niet beroept op bescherming van dat idee/die combinatie, maar slechts op de uitvoering daarvan. Zij verzet zich slechts tegen producten waarin die combinatie op dezelfde manier is uitgevoerd.
6.55
Het hof acht aannemelijk dat de keuzes die Secrid bij de uitvoering van het omhulsel heeft gemaakt, vermeld onder B (het contrast tussen de behuizing en het omhulsel, het stiksel, de maat van het omhulsel en de drukknoop) en onder E (het sluitingsslipje met drukknoop), voor zover het al vrije keuzes zijn (verdedigbaar is dat genoemd contrast en de maat van het omhulsel dat niet zijn), niet aangemerkt kunnen worden als keuzes die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Immers, de gekozen elementen en ook combinaties daarvan kwamen al in vormgevingserfgoed voor (zie bijvoorbeeld de in 6.26 afgebeelde producten) en/of het gaat daarbij om één van de mogelijke en voor de hand liggende keuzes waaruit een ontwerper kan kiezen (zoals bijvoorbeeld de keuze voor een zichtbaar stiksel, voor een sluiting door middel van een drukknoop, voor een lipje en voor de plek en de vorm van dit lipje en van de drukknoop). Bovendien heeft Secrid niet onderbouwd
waaromde door haar opgesomde “creatieve keuzes” creatief of uniek zouden zijn.
6.56
Dat de combinatie resulteert in een strakke vormgeving is het resultaat van voormelde keuzes en weerspiegelt op zichzelf ook niet de persoonlijkheid van de auteur door aan het voorwerp een uniek aspect te geven.
6.57
Of dit ook geldt voor de elementen aan de binnenzijde van de Wallets (in opengeslagen toestand), kan hier in het midden blijven omdat het hof van oordeel is dat, voor zover er al sprake zou zijn van vrije keuzes die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen en die als auteursrechtelijke trekken zouden kunnen worden aangemerkt, deze niet door [appellant] in de Nordic, de Hugo en de Yoga zijn overgenomen. Er moet daarbij dan worden uitgegaan van de elementen genoemd in 6.22, omdat de formulering van die elementen door Secrid onder C te ruim (te weinig gespecificeerd) is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het hof voorshands van oordeel is dat [appellant] deze elementen of trekken in de Nordic, de Hugo en de Yoga niet heeft overgenomen. In het Mio-arrest heeft het HvJEU geoordeeld:
3) Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 moeten aldus worden uitgelegd dat om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp. Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant.
6.58
Het hof is derhalve voorshands van oordeel dat geen sprake is van herkenbare creatieve elementen aan de buitenzijde van de Miniwallet en de Slimwallet en dat eventuele herkenbare creatieve elementen aan de binnenzijde van deze wallets niet op een herkenbare manier zijn overgenomen in de Nordic, de Hugo en de Yoga. Dit brengt mee dat er naar het voorlopig oordeel van het hof door de Nordic, de Hugo en de Yoga geen inbreuk wordt gemaakt op auteursrechten van Secrid met betrekking tot de Miniwallet en de Slimwallet.
Slaafse nabootsing
6.59
Het hof stelt voorop dat zeer kan worden betwijfeld of er nog plaats is voor een verbod op grond van slaafse nabootsing van
uitsluitend(elementen van) de vormgeving van een product, met name als (die elementen van) dat product niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking (komen) komt. Dat lijkt immers in strijd te zijn met het doel van diverse Europeesrechtelijke regelingen, in het bijzonder met artikel 34 VWEU Pro [12] .
6.6
Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat voor een verbod op grond van slaafse nabootsing in beginsel nog wel ruimte is, moet ervan worden uitgegaan dat een verbod op grond van slaafse nabootsing slechts mogelijk is wanneer door de nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent erin tekortschiet om bij dat nabootsen te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat [13] .
6.61
Voor het aannemen van slaafse nabootsing is ten eerste vereist dat het product een eigen gezicht in de markt heeft, in die zin dat het zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt. Voorts dient de rechter te bepalen of sprake is van gevaar voor nodeloze verwarring bij het relevante publiek, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken.
6.62
[appellant] heeft betwist dat de Miniwallet en de Slimwallet op 23 januari 2024, toen hij werd gesommeerd het gebruik van vier Pularys-portemonnees, de Viking, de Nordic, de Vegan en de Yoga, te staken (en in 2023 begrijpt het hof, toen hij die portemonnees blijkens zijn catalogus (productie 6 S) en website (productie 7S) aanbood), een eigen gezicht op de markt hadden. Hij verwijst naar zijn producties 12, 24 en 40. Daarin worden de buitenkanten van vele portemonnees en mapjes getoond, waaronder een behoorlijk aantal gecombineerd met een cardprotector. Op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat er in 2023 al meerdere producten op de markt waren met een buitenkant die (vrijwel) gelijk was aan die van de Miniwallet en de Slimwallet of daarvan niet relevant afweek (hierna ook: relevante producten). Secrid heeft gemotiveerd betwist dat deze relevante producten, met uitzondering van de Wojas, die afkomstig is van een met [appellant] gelieerd bedrijf, op de Nederlandse markt werden aangeboden. [appellant] is hierop niet gemotiveerd ingegaan. Het hof is voorshands van oordeel dat de Nederlandse markt in het kader van het Nederlandse leerstuk “onrechtmatige slaafse nabootsing” de relevante markt is en Secrid vordert ook slechts een verbod voor Nederland. Het hof acht aannemelijk dat in 2023 niet meer dan één of enkele van de relevante producten op de Nederlandse markt werd(en) aangeboden. Belangrijker is echter dat, voor zover zichtbaar en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet blijkt van een cardprotector-portemonnee die de relevante elementen van de binnenkant van de Miniwallet en de Slimwallet heeft, welke binnenkant het hof ook relevant acht. Gelet op het bovenstaande acht het hof aannemelijk dat de Miniwallet en de Slimwallet een eigen gezicht op de Nederlandse markt hadden in 2023.
6.63
Evenwel zou naar het oordeel van het hof toch geen plaats zijn voor een verbod op grond van slaafse nabootsing, al omdat [appellant] bij het nabootsen gedaan heeft wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door de gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. Ter onderbouwing hiervan verwijst het hof naar zijn voorlopig oordeel dat de Nordic, de Hugo en de Yoga aan de binnenzijde (aanzienlijk) afwijken van de binnenzijde van de Miniwallet en de Slimwallet en dat de Hugo en de Yoga bovendien ook aan de buitenzijde relevant afwijken van de buitenkant van Miniwallet respectievelijk de Slimwallet. Voorts is, zoals hieronder afgebeeld, op de pularys-portemonees op de voorkant en op de zijkant (van de cardprotector) en ook op het verpakkingsmateriaal duidelijk en herhaaldelijk het woord pularys is vermeld, waardoor gevaar voor verwarring wordt voorkomen, althans beperkt.
Conclusie en proceskosten
6.64
De conclusie is dat de vorderingen slechts toewijsbaar zijn met betrekking tot de Viking en de Vegan en dat de grieven 1 tot en 12 en het hoger beroep deels slagen en deels falen. Ook grief 14 slaagt. Het hof is van oordeel dat de uitbreiding van het verbod tot portemonnees/kaarthouders die “geen andere algemene indruk wekken dan voornoemde modellen” overbodig is en tot executiegeschillen zou kunnen leiden, ook omdat de juridische invulling van “geen andere algemene indruk wekken” kan afwijken van de betekenis daarvan in het normale taalgebruik. Dit is onwenselijk, te meer omdat bij overtreding van het verbod een dwangsom wordt verbeurd.
6.65
Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Daar partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren. In zoverre slaagt grief 13, gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg.

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18
juli 2024 voor zover:
  • het in 5.1 van het vonnis vermelde verbod betrekking heeft op Pularys-portemonees in de uitvoeringen Nordic, Yoga en Hugo en op portemonnees/kaarthouders die “geen andere algemene indruk wekken dan voornoemde modellen”;
  • het in 5.2 van het vonnis vermelde bevel betrekking heeft op op Pularys-portemonees in de uitvoeringen Nordic, Yoga en Hugo;
  • [appellant] in 5.4 en 5.5 van het vonnis is veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de wettelijke rente daarover;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg, des dat elke partijen de eigen kosten draagt;
  • bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024 voor het overige;
  • compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, des dat elke partij de eigen kosten draagt;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, B.J. Lenselink en P.B. Hugenholtz en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HvJEU 20 oktober 2011, ECLI:EU:C:C:2011:679 (Pepsico/Gruppo Promer).
2.HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:648 (Lego/Pozitiv E).
3.HvJEU 20 oktober 2011 t.a.p. en HvJEU 4 september 2025 t.a.p.
4.HvJEU 21 september 2017, ECLI:EU:C:2017:720 (Easy Sanitary Solutions/ EUIPO en Group
5.Zoals in Hof Den Haag 24 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1612 (Apple/Samsung).
6.HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1983 (Apple/Samsung); in andere woorden AG
7.HvJEU 4 september 2025 t.a.p.
8.HvJEU 18 december 2025, t.a.p.
9.Hof Den Haag 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:3356 (Bang & Olufsen/Loewe).
10.ECLI:EU:C:2025:941.
11.Richtlijn 2001/29/EG van het Europees parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de
12.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
13.HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:938 (All Round/Simstars).