Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 13 augustus 2024, waarmee [appellant], in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024;
- de memorie van grieven van [appellant], met producties 26 tot en met 39;
- de memorie van antwoord van Secrid, met producties 34 tot en met 42;
- de producties 40 tot en met 43 van [appellant], de producties 43 tot en met 46 van Secrid en de (nadere) proceskostenoverzichten die partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 17 juli 2025 hebben overgelegd.
3.De feiten
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
- dat de zijkanten van de kaarthouder rond zijn en deze rondingen organisch zijn;
- dat de bedieningsknop massaliteit uitstraalt en robuust is en
- dat er zes pasjes in de kaarthouder passen.
eigenwijscontrasteert met het rechthoekige en strakke vlak van de aluminium behuizing valt naar het oordeel van het hof in de afbeelding niet waar te nemen, althans valt niet op. Dat (slechts) zes pasjes in de kaarthouder passen is niet te zien op de afbeeldingen van de Modellen. Deze vermeende elementen zijn dan ook niet bepalend voor de algemene indruk die de Modellen wekken.
met betrekking tot Model 1op diverse producten uit het vormgevingserfgoed, waarvan hij als producties 3, 32, 33 en 41 afbeeldingen heeft overgelegd. Hij beroept zich in het bijzonder op de volgende producten (overgelegd als productie 3, pagina’s 31 (Masterwin), 41 (Louis Vuitton) en 28 (Fineline):
Model 1.
Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 moeten aldus worden uitgelegd dat onder een werk in de zin van deze bepalingen een voorwerp wordt verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervan weerspiegelt door uitdrukking te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij en creatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ook keuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteur tijdens het scheppingsproces, zijn inspiratiebronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, de mogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning van dat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen, maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen.
48. (…) dat het begrip „werk” als bedoeld in artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29 volgens vaste rechtspraak (…) de combinatie van twee cumulatieve elementen veronderstelt. Ten eerste impliceert dit begrip dat het betrokken voorwerp oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als „werk” worden aangemerkt (arrest van 12 september 2019, Cofemel, C683/17, EU:C:2019:721, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
A. Een behuizing;
a. met een matte metaalachtige kleur;
b. met licht geronde zijden;
c. met linksonder een uitstekende bedieningsknop.
B. Een zacht omhulsel (van leer of alternatief voor leer);
a. welk materiaal contrasteert met de aluminium binnenkant;
b. met een zichtbaar stiksel;
c. waarin de behuizing zichtbaar blijft, doordat het lederen omhulsel nauw rond de behuizing gevouwen wordt, zonder dat het groter is dan de behuizing
d. met op de voorkant, op de rechterzijde, in het midden, nabij de naad, een drukknoop;
C. Welk lederen omhulsel uitgeklapt een originele vorm ontwaart, gekenmerkt door
a. een uitsparing van boven naar onderen, in het midden van de rechterzijde, zodat twee vlakken aan de rechterzijde ontstaan;.
b. hoekige uitsneden in die uitsparing, wat bijdraagt aan de strakke vormgeving en
c. een voorziening om biljetten te houden;.
D. Een combinatie van het bovenstaande, resulterend in een strakke vormgeving.
In het geval van de Secrid Miniwallet worden - in aanvulling op bovenstaande creatieve keuzes - daar ten minste de volgende creatieve keuzes aan toegevoegd:
E. Een slank sluitingslipje van leer;
a. dat in het midden van het lederen omhulsel geplaatst is
b. dat in een half rond uiteinde uitloopt; en
c. met een drukknoop in een kleur die en materiaal dat contrasteert met het leer met rondom een inscriptie van letters.
F. Een combinatie van het bovenstaande, resulterend in een strakke vormgeving.
mattemetaalachtige kleur en/of de licht geronde zijden en deze berusten op vrije keuzes, kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet gezegd worden dat deze keuzes de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aan het voorwerp een uniek aspect te geven. Het gaat daarbij immers om één van de mogelijke en voor de hand liggende keuzes waaruit een ontwerper kan kiezen (bijvoorbeeld de keuze voor een rechte of een (ge)ronde zijkant). Secrid heeft ook niet onderbouwd
waaromdeze keuzes creatief of uniek zouden zijn.
waaromde door haar opgesomde “creatieve keuzes” creatief of uniek zouden zijn.
3) Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 moeten aldus worden uitgelegd dat om een inbreuk op het auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermde werk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreukmakende voorwerp. Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant.
uitsluitend(elementen van) de vormgeving van een product, met name als (die elementen van) dat product niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking (komen) komt. Dat lijkt immers in strijd te zijn met het doel van diverse Europeesrechtelijke regelingen, in het bijzonder met artikel 34 VWEU Pro [12] .
7.Beslissing
- het in 5.1 van het vonnis vermelde verbod betrekking heeft op Pularys-portemonees in de uitvoeringen Nordic, Yoga en Hugo en op portemonnees/kaarthouders die “geen andere algemene indruk wekken dan voornoemde modellen”;
- het in 5.2 van het vonnis vermelde bevel betrekking heeft op op Pularys-portemonees in de uitvoeringen Nordic, Yoga en Hugo;
- [appellant] in 5.4 en 5.5 van het vonnis is veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de wettelijke rente daarover;
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 juli 2024 voor het overige;
- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep, des dat elke partij de eigen kosten draagt;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.