ECLI:NL:GHDHA:2026:23

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.355.517/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 438 lid 3 RvAVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging bewijsbeslag in civiele procedure over onrechtmatige concurrentie

Alten Nederland B.V. vordert in een incident de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij conservatoir bewijsbeslag is gelegd op digitale en fysieke gegevensdragers van TMC Group B.V. en haar werknemers. Alten stelt dat het beslag cruciaal bewijs bevat en dat het opheffen van het beslag haar recht op een eerlijk proces schaadt.

Het bewijsbeslag werd door de voorzieningenrechter beperkt vanwege onder meer privacyoverwegingen en irrelevantie van bepaalde gegevens. TMC c.s. betoogt dat het beslag onzorgvuldig en omvangrijk is en dat de beperking terecht is. Het hof weegt het belang van Alten om de huidige situatie te behouden tegen het belang van TMC c.s. om het vonnis uit te voeren.

Het hof oordeelt dat Alten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de beperking van het bewijsbeslag haar rechtspositie onevenredig schaadt of dat het recht op een eerlijk proces in het gedrang komt. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bewijsbeslag af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.355.517/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/695350 / KG ZA 25-186
Arrest in het incident ex art. 351 Rv Pro van 20 januari 2026
in de zaak van
Alten Nederland B.V.,
gevestigd in Capelle aan den IJssel,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. E.M. van Winden-Spaans, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen

1.TMC Group B.V.,

2. Triple B.V.,
3. TMC Holding B.V.,
geïntimeerden sub 1 t/m 3, gevestigd in [woonplaats] ,
4. [geïntimeerde 4],
wonend in [woonplaats] ,
5. [geïntimeerde 5],
wonend in [woonplaats] ,
6. [geïntimeerde 6],
wonend in [woonplaats] ,
7. [geïntimeerde 7],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna Alten en TMC c.s. en noemt geïntimeerden sub 1 t/m 3 TMC.

1.De zaak in het kort

1.1
Alten vordert in dit incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Het hof wijst deze vordering af.

2.Het procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 13 mei 2025, waarmee Alten in hoger beroep is gekomen van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 16 april 2025 (het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven van Alten met daarin opgenomen de voorwaardelijke incidentele vordering ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident van TMC c.s.;
  • de nagekomen productie van Alten op 2 september 2025;
  • de akte van Alten op 30 september 2025;
  • de antwoordakte van TMC c.s. op 14 oktober 2025.

3.De aanleiding voor dit incident

3.1
Alten verwijt haar voormalig werknemers (geïntimeerden sub 4 t/m 7) - kort gezegd - dat zij tekortschieten in de nakoming van beperkende bedingen die in hun arbeidsovereenkomsten waren opgenomen en dat zij, in dienst van TMC, Alten onrechtmatige concurrentie aandoen. Alten verwijt geïntimeerden sub 1 t/m 3 - kort gezegd - dat zij onrechtmatig profiteren van de wanprestaties van bedoelde werknemers.
3.2
Alten heeft op 19 november 2024 de voorzieningenrechter in Rotterdam verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag op de kantoorlocatie van TMC in Eindhoven en op de privéadressen van geïntimeerden sub 4 t/m 7 op verschillende fysieke en digitale gegevensdragers. Alten heeft ook verzocht om de aanstelling van een gerechtelijk bewaarder voor de in beslag te nemen bescheiden. Naar aanleiding van vragen van de voorzieningenrechter heeft Alten het verzoek op 28 november 2024 aangevuld.
3.3
Bij beschikking van 6 december 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzochte bewijsbeslag onder bepaalde voorwaarden en beperkingen toegewezen en DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) aangesteld als gerechtelijk bewaarder van de kopieën van de in beslag te nemen bescheiden.
3.4
Op 22 januari 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder de beschikking van 6 december 2024 betekend aan TMC c.s. en conservatoir bewijsbeslag gelegd. De beslagen bescheiden omvatten, na selectie, 435.717 bestanden in 68.356 folders met een omvang van 1.08 terabyte.
3.5
Na de beslaglegging heeft Alten bij dagvaardingen van 4 maart 2025, zowel in kort geding als in een bodemprocedure, onder andere gevorderd om kopie van, dan wel inzage in, de beslagen bescheiden te verkrijgen. In het bestreden kort gedingvonnis van 16 april 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van Alten in conventie afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Ten aanzien van de inzagevordering heeft de voorzieningen rechter overwogen dat deze onbepaald en vaag is en de indruk wekt van een ‘
fishing expedition’ en op grond daarvan al niet toewijsbaar is.
3.6
In reconventie hebben TMC c.s. onder andere gevorderd om het bewijsbeslag geheel op te heffen met vernietiging van de beslagen bescheiden. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen, maar heeft het bewijsbeslag wel in omvang beperkt. Van het bewijsbeslag moet – kort gezegd - worden uitgezonderd:
“1. het resultaat van de zoekopdracht naar gedaagden, waarbij niet de volledige naam van de betreffende gedaagde is genoemd (voor wat betreft [geïntimeerden 4 t/m 7, hof] betekent dit dat alleen gegevens in gerechtelijke bewaring mogen blijven waarin hun voor- en achternaam in de zoekopdracht gecombineerd zijn);
2. de privéfoto's en -bestanden van [geïntimeerden 4 t/m 7, hof];
3. alle informatie van de veertien werknemers die in deze procedure niet zijn betrokken;
4. gegevens aangaande de in de aan dit vonnis aan te hechten Excelsheet in het rode vlak onder nrs. 42 tot en met 82 opgenomen namen van klanten waarvoor geen relatiebeding geldt;
5. de informatie waarvoor een (afgeleid) verschoningsrecht geldt;
6. de gegevens die betrekking hebben op de periode van vóór 1 oktober 2023.
Daarbij moeten de in de beslagen informatie gevonden persoonsgegevens in lijn met de AVG zwart worden gemaakt.
Alten dient de gerechtelijk bewaarder opdracht te geven tot het maken van deze selectie. Als Alten dat niet doet binnen de opgedragen termijn niet voldoet, treedt dit vonnis daarvoor in de plaats.”
3.7
Het (bestreden) vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.8
Alten heeft in verband met het bestreden vonnis een executiegeschil geëntameerd en heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam verzocht op grond van art. 438 lid 3 Rv Pro om schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan, voor de duur van het onderhavige hoger beroep. Bij vonnis van 18 juni 2025 is de vordering van Alten tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. Tegen dit vonnis is Alten in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag en zij heeft verzocht om behandeling hiervan als spoedappel. Dit laatste verzoek is afgewezen.

4.De vordering in incident

4.1
In het incident vordert Alten (voorwaardelijk) dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis wordt geschorst op grond van artikel 351 Rv Pro tot in de hoofdzaak is beslist, of dat hieraan voorwaarden worden gesteld, voor het geval haar verzoek om behandeling van het spoedappel zoals hierboven onder 3.8 bedoeld niet wordt gehonoreerd, met veroordeling van TMC c.s. in de kosten van het incident, met rente.
4.2
TMC c.s. hebben in het incident geconcludeerd dat Alten niet-ontvankelijk wordt verklaard of dat de vordering wordt afgewezen met veroordeling van Alten in de (na)kosten van het incident.

5.De beoordeling van de vordering in incident

5.1
Het hof heeft het verzoek om behandeling van het spoedappel van Alten zoals hierboven onder 3.8 bedoeld afgewezen, zodat de voorwaarde zoals onder 4.1 bedoeld als vervuld geldt. Het hof zal de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis hieronder beoordelen.
5.2
In dit geval geldt het volgende toetsingskader, waarbij in het midden kan blijven of de voorzieningenrechter de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in het bestreden vonnis (voldoende) heeft gemotiveerd. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij (Alten) om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij (TMC c.s.) om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Daarbij gaat het hof uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter en kijkt het voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Het hof kan wel in zijn oordeelsvorming betrekken of de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, maar dat is hier niet gesteld of gebleken.
5.3
Voor de onderbouwing van haar incidentele vordering stelt Alten, kort gezegd, dat haar belang bij behoud van de huidige toestand - hangende het hoger beroep - erin gelegen is dat delen van de beslagen gegevens die op grond van dit vonnis verwijderd moeten worden naar verwachting van Alten cruciaal bewijs bevatten van onrechtmatig handelen door TMC c.s. tegenover Alten en van door Alten geleden schade. Volgens Alten bestaat er een reëel risico dat TMC c.s. (door DigiJuris verwijderde) delen van de beslagen gegevens permanent weg zullen maken, waardoor Alten niet in de gelegenheid zal zijn om haar rechtspositie in de bodemprocedure te versterken. In de bodemprocedure zullen dan relevante stukken missen, waardoor de rechtbank niet meer volledig zal worden geïnformeerd. Daarmee wordt Alten het recht op een eerlijk proces ontnomen. Ook wordt Alten door de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op aanzienlijke kosten gejaagd. Verder bestaat er volgens Alten bij DigiJuris onduidelijkheid over de wijze waarop het bestreden vonnis moet worden uitgevoerd. Ten slotte heeft Alten aangevoerd dat TMC c.s. geen enkel belang heeft bij gedeeltelijke opheffing van het beslag, anders dan het belang om belastend bewijs te laten verdwijnen. Er zijn TMC c.s. geen documenten ontnomen, maar slechts kopieën gemaakt van bepaalde bescheiden; TMC c.s. heeft geen last van het gelegde beslag, aldus steeds Alten.
5.4
Volgens TMC c.s. is het terecht dat de voorzieningenrechter de beperking van het bewijsbeslag uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. TMC c.s. wijst erop dat het bewijsbeslag een zeer grote hoeveelheid bestanden omvat. De reden daarvoor is volgens TMC c.s. dat Alten haar beslagverlof onzorgvuldig heeft ingestoken en dat sprake is van een ‘
fishing expedition’. Dat Alten kosten moet maken, is volgens TMC c.s. een consequentie van haar keuze om beslag te leggen op deze hoeveelheid bestanden. Volgens TMC c.s. zijn de te verwijderen bestanden niet relevant en kunnen zij daarom nooit tot bewijs dienen voor het door Alten gestelde. TMC c.s. wenst voorts niet dat haar bescheiden of de bescheiden van haar werknemers onnodig lang bij een derde liggen. Van onduidelijkheid over de wijze van tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is volgens TMC c.s. geen sprake.
5.5
Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de voorzieningenrechter de beperking van het bewijsbeslag, waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft, toewijsbaar heeft geoordeeld en dat niet is gesteld of gebleken dat het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag. TMC c.s. heeft er belang bij dat het op haar gelegde bewijsbeslag niet omvangrijker is dan noodzakelijk en er geen sprake is van op haar uitgezette ‘
fishing expedition’. De beperking van het beslag in het bestreden vonnis is met het oog hierop aangebracht en ziet onder andere op uitsluiting van informatie die niet de volledige naam van geïntimeerden betreft, op privéfoto's en privébestanden van geïntimeerden sub 4 t/m 7, op informatie betreffende andere werknemers en op informatie van klanten waarvoor geen relatiebeding geldt. Alten heeft bij deze stand van zaken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze uitgesloten informatie - zoals zij heeft gesteld - het door haar gestelde cruciaal bewijs zou bevatten van onrechtmatig handelen door TMC c.s. tegenover Alten, dan wel dat door het mogelijk verdwijnen van deze informatie zij onevenredig in haar rechtspositie wordt aangetast of dat haar recht op een eerlijk proces in het gedrang komt. Niet valt in te zien dat de beperking van het bewijsbeslag zoals de voorzieningenrechter die heeft aangebracht eraan in de weg staat dat het nog altijd omvangrijke beslag zijn doel kan dienen. Alten heeft onvoldoende toegelicht dat er sprake is van zodanige onduidelijkheden of kosten als gevolg van de beperking van het bewijsbeslag, dat dit tot een ander oordeel zou moeten leiden.
5.6
De conclusie is dan ook dat het hof de incidentele vordering van Alten tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afwijst. Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst de vorderingen van Alten af;
  • houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;
  • wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 3 maart 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van TMC c.s.;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, H.J. van Harten en P. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.